Hoe koud?


Afgelopen zondag werd de kerstverlichting aangestoken in ons stadje. Dit is een jaarlijks evenement, niet enkel hier, maar in steden en dorpen doorheen het hele land. Het weer was mooi en droog, maar zelfs wanneer het regent en waait blijken de kerstlichten de harten van velen – en niet enkel kinderen – sneller te laten slaan. Maar mij laat het koud.

Het laat me net zo koud als de kerstmarkt die in onze hoofdstraat plaatsvindt, elke zondag tussen begin oktober en kerstdag, en net zo koud als de alomtegenwoordige kerstversieringen in de winkels rond deze tijd.  Niet dat ik klaag, ook al is mopperen over voortijdige kerstversiering een populair tijdverdrijf in het VK. Dit is tenslotte het land waar de uitspraak ‘Bah humbug!’ van Ebenezer Scrooge, uit het bekende kerstverhaal van Dickens, vandaan komt.

Het onverschillige niemandsland

Fans van het kerstgebeuren halen graag het bewijs aan dat kerstversieringen op een vriendelijke natuur wijzen. (Ze vergeten wel een beetje dat het onderzoek inmiddels bijna 30 jaar oud is, en heel wat minder categoriek is in de conclusies dan ze beweren.) De Scrooges kunnen op hun beurt verwijzen naar artikels zoals dit, met als kop “Waarom vroegtijdig kerstmuziek spelen heus slecht is voor uw gezondheid.” Het is duidelijk niet alleen de Brexit die de Britse natie verdeelt.

Maar net zomin als ik enthousiast kan worden over kerstslingers en lampjes, zo kan ik me ook niet opwinden wanneer ze wat vroeg worden uitgehaald. De hele affaire laat me gewoon onverschillig.

Natuurlijk is niemand dol op alles, en smaken en voorkeuren verschillen. De ene persoon kan passioneel zijn over opera, en een sterke afkeer hebben van voetbal, terwijl het voor zijn buur net omgekeerd is. Maar voor velen is er toch een soort niemandsland tussen iets leuk vinden en ergens een hekel aan hebben, waar het ons niets kan schelen.

Vanuit een economisch perspectief hebben we aan het onderwerp van zulke gevoelens (of misschien beter, afwezigheid van gevoelens) kosten noch baten. Dit is dan ook een manier om ‘onverschilligheid’ als economisch concept te definiëren. En wanneer je ernaar op zoek gaat zijn er best nogal wat van zulke zaken. Mensen zonder kleine kinderen zijn bijvoorbeeld onverschillig over de nabijheid van een speeltuin. Ja, ze zijn misschien een beetje sociaal bewust, en vinden dat het sowieso goed is dat er speeltuinen zijn voor jonge families. Of ze hebben kleinkinderen, of neefjes en nichtjes die er gebruik van zouden kunnen maken wanneer die op visite komen.

De speeltuin laat hen alvast niet koud (foto: spilltojill CC BY)

Maar als iedereen in uw huisgezin ver voorbij de leeftijd is waarop draaimolen, wip of schommel voor opwinding zorgt, dan laten speeltuinen u wellicht koud. En als dat u niet koud laat, dan wellicht een jaarlijks sportevenement (dat u nooit bijwoont), een park (dat u nooit bezoekt) of winkels (waar u nooit iets koopt).

Als er financiering met belastinggeld mee gepaard gaat, dan zou je nog kunnen aanvoeren dat de eliminatie ervan een baat is, omdat je dan minder belasting zou betalen. Of je zou kunnen stellen dat speeltuinen een investering zijn in de openbare orde, die kinderen bezighoudt die anders al te balorig zouden worden, en nog meer kosten veroorzaken dan het onderhoud van een speeltuin. Maar als dat niet uw invalshoek is, dan hebben we het wel degelijk over onverschilligheid.

Of zo lijkt het, tenminste.

Niet zo koud?

Laten we naar andere situaties kijken waar we onverschillig zouden moeten zijn – bijvoorbeeld wanneer iemand anders iets voor u betaalt. Ze nodigen u uit voor een etentje, of uw oom of oma wil u een nieuwe reiskoffer geven als kerstcadeau, maar u moet hem wel zelf kopen.

De normale kosten-batenanalyse die we vaak toepassen als wij zelf betalen geldt hier niet: we dragen geen kost.

Of beschouw deze situatie, geïnspireerd door een discussie met een collega vorige week, over wat een aanvaardbare prijs is voor een hotelkamer “wanneer de cliënt betaalt”. Stel u hebt een kamer geboekt voor 150 euro per nacht, wat ongeveer de standaardprijs is voor de locatie, en u weet dat dit bedrag aanvaardbaar is voor uw cliënt. U merkt dan dat in deze prijs ook het ontbijt is inbegrepen – maar vooral dat de prijs zonder ontbijt 25 euro minder is. Twee croissants, een glas sinaasappelsap en een koffie zouden u amper 7 euro kosten in het café naast het kantoor van de klant. Maar wanneer de cliënt betaalt, en u weet dat u de zonder probleem de volle kosten in rekening kunt brengen, inbegrepen dat gepeperde ontbijt, dan zou uw rationele ik totaal onverschillig moeten zijn wat betreft de prijs: u zou noch beter, noch slechter af zijn, hoeveel het ook kost.

En toch… zou u niet een beetje moeite hebben om het hotel de kans te geven uw cliënt af te zetten, zelfs al zou die uw rekening zonder verpinken betalen, niets wetend over dat dure ontbijt? En u zou wellicht ook niet de duurste schotel op het menu kiezen, en ondanks het feit dat het geld van uw oom of oma komt, toch een goede prijs zoeken voor die nieuwe reiskoffer. Onverschilligheid is blijkbaar niet zo onverschillig.

Zou u dit ontbijt willen als iemand anders er… 25 euro zou voor betalen? (foto: Kathryn Wright CC BY)

Er is wellicht iets gelijkaardigs aan de hand met de speeltuinen, de parken en de jaarlijks weerkerende kerstverlichting. Stel dat u geen jonge verwanten had, en u kon naar uw droomhuis verhuizen, dat ofwel in een stadsdeel met een nabije speeltuin zou worden gebouwd, of in een stadsdeel zonder speeltuin. Uw keuze. Zou u meer betalen voor de ene optie dan voor de andere? Waarschijnlijk niet – onverschillig dus!

Wat als de leuke kleine winkeltjes waar we nooit iets kopen dicht zouden gaan? Zouden we dan nog steeds onverschillig zijn, of het integendeel als een verlies ervaren?

De vraag of we ergens voor zouden betalen is een goede manier om na te gaan of we werkelijk onverschillig zijn. Maar zo zie je toch wat over het hoofd. Laten we de zaak even omkeren: wat als de gemeenteraad zou besluiten om alle speeltuinen af te breken, of het park dat we nooit bezoeken aan een projectontwikkelaar zou verkopen? Wat als de leuke kleine winkeltjes waar we nooit iets kopen dicht zouden gaan? Zouden we dan nog steeds onverschillig zijn, of het integendeel als een verlies ervaren? Als we door, zeg maar, 10 euro bij te dragen, het verdwijnen van de speeltuinen zouden kunnen verhinderen, het omvormen van het park in een nieuwe woonwijk, of het sluiten van de winkeltjes – zouden we het dan doen?

Ik denk dat ik dat inderdaad zou doen – en mogelijk wel wat meer dan 10 euro. Ik zou de speeltuinen missen, ook al gebruik ik ze nooit, en het park waar ik nooit naartoe ga. En ik zou de rare winkeltjes missen, waar ik nooit iets koop. Zelfs als ik er slechts 10 euro voor zou over hebben om het verdwijnen ervan te stoppen, dan is dat genoeg voor om het even wie, inbegrepen mijzelf, om mijn bewering dat al die dingen mij koud laten in vraag te stellen. Dat is het endowment-effect voor u: eens u iets hebt, is het moeilijk er onverschillig over te zijn.

Ik zou zelfs bereid zijn bij te dragen om ervoor te zorgen dat er elk jaar weer kerstverlichting is en, waarom niet, voor het jaarlijkse aansteken ervan.

Misschien is het de kerstsfeer die zich wat vroeger dan gewoonlijk al meester maakt van mij. Maar eigenlijk denk ik dat het me allemaal niet echt zo koud laat als ik wel dacht.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Koen Smets

Koen Smets is een deskundige op het gebied van organisatie-ontwikkeling, met een fascinatie voor menselijk gedrag op de grens tussen het rationele en het irrationele. Hij is op Twitter als @koenfucius.


Over dit artikel

BronApache [https://www.apache.be]
TitelHoe koud?
Auteur(s)Koen Smets
Permalinkhttps://www.apache.be/?p=90694
Gepubliceerd 23 november 2018 @ 12:52
Opgevraagd19 augustus 2019 @ 16:10
Klik hier om te printen