Speelstraat van de democratie

 Leestijd: 4 minuten1

“Bij ons in de straat zijn ze zot geworden” zei onlangs iemand aan de toog der filosofen. Onmiddellijk was mijn interesse gewekt. Want geef nu toe, een straat die zot geworden is, dat is toch iets speciaals. Ik schuifelde dichterbij.

“Waarom zijn ze….” – een waarom-vraag doet het altijd, niet? – maar ik kon ze niet afmaken. “Zes bewoners willen de straat een week voor het autoverkeer afsluiten om er een speelstraat van te maken, maar die andere 150 bewoners ‘moven’ niet; zotter kan toch niet?”

In een straat, vlak bij een openbaar park met speelruimte, willen zes bewoners dat de straat gedurende één week in de grote vakantie voor het doorgaand autoverkeer afgesloten wordt, zodat kinderen er kunnen spelen. Bewoners mogen wel – met de nodige voorzichtigheid – met hun auto in en uit. Bij die zes heeft nog één bewoner – zonder kinderen – zich aangesloten. Een ‘meeloper’ volgens de toogfilosoof. Het stadsbestuur heeft het verzoek ingewilligd.

De toogfilosoof blijkt de enige bewoner in de straat die er een winkel heeft. Hij vond – en samen met hem ook nog 2 medestanders – dat 7 op de tien stemmen op een door het stadsbestuur georganiseerde bijeenkomst onvoldoende was om over een democratische beslissing te kunnen spreken.

“Waren dan niet alle straatbewoners uitgenodigd op die bijeenkomst?”, vroeg ik. “Jawel, maar die stuurden hun kat. Dan is er toch geen meerderheid?” Instemmende knikken van de ondertussen aangeschoven mede-toogfilosofen. “Minstens de helft moet voor zijn, anders telt het niet” opperde iemand. “Ah nee”, zei iemand anders, “als ze hun kat sturen, dan zijn ze akkoord met diegenen die wel kwamen.” “Kunnen een paar enkelingen wel zo’n verzoek indienen?”, bedacht nog iemand anders.

“Ze hadden eerst een enquête onder alle bewoners moeten doen”, stelde de winkelier ferm, “dan had het nooit zover gekomen”. “Ben je daar zeker van?”, stelde ik wat stoutmoedig. De spanning steeg. “Doe ze nog eens vol”, brak gelukkig iemand het ijs. De kastelein, van alle markten thuis, mompelde tijdens het afsnijden van het schuim iets van: “Een speelstraat aan een park, wie bedenkt zoiets?”

Lezers van boven de dertig zullen het zich nog wel herinneren. In de jaren negentig van de vorige eeuw sprak men over een ‘achterbankgeneratie’, doelend op kinderen die met de auto van en naar school, muziekles of sportclub gereden werden. Nu, een generatie later, spreekt men over de ‘voordeurgeneratie’ doelend op kinderen die niet verder dan enkele meters van de voordeur op de stoep mogen spelen, niet verder en al zeker niet met de vriendjes aan de overkant.

De angst op een ongeval zit er bij de ouders diep in. Daarom dat ouders, zelfs al is er een park een vlakbij, voor een autovrije straat kiezen. Dan kunnen ze – eventueel met een rolverdeling tussen de buren – hun spelende kinderen in het oog houden. De tijdsgeest speelt dus een grote rol.

De angst op een ongeval zit er bij de ouders diep in. Daarom dat ouders, zelfs al is er een park een vlakbij, voor een autovrije straat kiezen

Dat brengt ons bij de vraag of er niet alleen een democratische meerderheid nodig is om een straat tijdelijk autoluw te maken maar ook een aantal andere elementen – bijvoorbeeld van openbare veiligheid – in het debat gebracht moeten worden.

“Hoeveel mensen van die 150 bewoners zouden er minstens nodig zijn om zo’n speelstraat voor te mogen stellen?”, dacht ik hardop. “Minstens tien procent”, riep iemand achteraan. Want ondertussen was heel het cafeetje mee aan het filosoferen. “Het stadsbestuur doet toch zijn goesting!, zei Marie. Ze was nog maar net binnen maar had direct haar mening klaar. Iedereen had ontzag voor de pronte ouderlinge die dagelijks haar thee ‘met’ kwam drinken. Haar tegenspreken was om problemen vragen. “Ge moest eens in mijn plaats zijn”, probeerde de handelaar uit de speelstraat, “dan zoudt ge u ook verdedigen.” “Doe dat dan”, repliceerde Marie, “bij elke beslissing van het stadsbestuur mag je beroep aantekenen.” Daar had de handelaar nog niet aan gedacht.

De spagaat tussen ‘het primaat van de politiek’ en de ‘directe democratie’ kon niet beter aangetoond worden

De spagaat tussen ‘het primaat van de politiek’ en de ‘directe democratie’ kon niet beter aangetoond worden. Wanneer de bewoners van een straat op eigen initiatief iets willen organiseren waarbij de overheid betrokken moet worden, dan is een volksvergadering een zeer aan te bevelen systeem. Daar horen echter ook wel wat democratische elementen bij die best toegepast worden. Niet iedereen heeft de reflex omdat men niet altijd de noodzaak van die democratische elementen onderkent.

Kort samengevat zijn deze democratische elementen te herleiden tot drie stappen:

1. De initiatiefnemer of -nemers moeten voldoende medestanders hebben. Daartoe is een petitie een aan te bevelen instrument. In landen waar democratische beslissingen beter ingeburgerd zijn (Zwitserland, USA), of ook in het oude Athene, wordt/werd algemeen aangenomen dat het initiatief 3 à 5 % steun moet hebben om verder te gaan. De 7 bewoners uit de straat van onze toogfilsoof hadden dus net genoeg medestanders.

2. De voor- en tegenstanders moeten voldoende tijd krijgen om de bevolking in te lichten over het waarom wel/niet van het initiatief. Met een Engelse term heet dat ‘informed consent’. In medische omgevingen wordt deze werkwijze gebruikt om een patiënt in te lichten over de gevolgen van een behandeling alvorens hij zijn keuze maakt. Hetzelfde is nodig bij een democratische beslissing. Als de bewoners van de (toekomstige) speelstraat niet goed geïnformeerd zijn, kunnen ze ook niet (goed) kiezen.

3. Wanneer uiteindelijk de volksvergadering bijeen is om een beslissing te nemen heeft iedereen een gelijke stem en gelijk spreekrecht. Iedere spreker krijgt alsnog een afgemeten spreektijd, iedereen mag nog wat zeggen. Bij de stemming is het eenvoudig: de meerderheid wint, de afwezigen hebben zich op voorhand neergelegd bij de uitkomst.

(Foto: Joris Leermakers, CC, flickr)

En wat heeft de overheid dan nog te zeggen? Het gaat in deze speelstraat om gebruik van het openbaar domein. Ook de (verkeers)veiligheid moet gehandhaafd blijven. Het stadsbestuur kan ook faciliterend optreden bij het organiseren van de volksvergadering. En vooral kan het lokale bestuur aan de bevolking bekend maken dat de mogelijkheid om een volksraadpleging te houden bestaat en dat ze – indien aan alle voorwaarden voldaan – ook door het bestuur zal gehonoreerd worden.

Onlangs kwam ik onze toogfilosoof terug tegen, weer aan de toog, waar dacht je? “En?”, vroeg ik, “Wat is er geworden van de speelstraat?” “Mijn klacht is ontvankelijk verklaard en in plaats van een week speelstraat is het een weekend speelstraat geworden. Daar is geen volksraadpleging voor nodig.” “Dan heb je je slag thuis gehaald”, antwoordde ik. “Ja en neen”, zei hij, “want na dat speelstraatweekend hebben ze de straat opengelegd om nieuwe riolering te leggen.” “Oei, dat is spijtig”, zei ik, “maar dat is een andere discussie”.

“Neen, neen”, lachte hij, “Een geluk met een ongeluk. Mijn winkel heb ik moeten sluiten maar ik heb één van de bewoners beter leren kennen. Zij heeft drie kindjes en woont nu bij mij. Volgend jaar komt er in onze straat gegarandeerd een hele week een speelstraat.”

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Marcel De Beukeleer

Marcel De Beukeleer (°1947, pseudoniem ‘Max Makelaar’) is een voormalig verzekeringsmanager en -makelaar die zich na zijn carrière specialiseerde in de problemen rond ouderschap en opvoeding. Hij stond mee aan de wieg van verschillende initiatieven in de Vlaamse Jeugdhulp. Tevens is hij een pluriforme humanist die de directe-democratie een warm hart toedraagt. Marcel of Max schrijft columns voor dag- en weekbladen en blogt op het internet. https://www.linkedin.com/in/marceldebeukeleer
https://www.facebook.com/Marcel.DeBeukeleer