Gekleurde realiteit

 Leestijd: 5 minuten0

Kijk even om u heen, luister (en gebruik desgevallend ook uw andere zintuigen). Dat geeft u een goed idee van de realiteit van uw huidige omgeving, niet? Maar het beeld dat we krijgen van deze realiteit is noodgedwongen beperkt door wat onze zintuigen kunnen detecteren. Onze ogen kunnen enkel licht ‘zien’ met een golflengte die tussen het infrarood en het ultraviolet ligt, en onze oren kunnen slechts klanken ‘horen’ met een frequentie tussen zowat 30Hz en 19.000Hz (en dat gebied vermindert aanzienlijk naarmate we ouder worden).

Die limieten zijn ons eigen aan: bijen hebben bijvoorbeeld geen receptoren voor de kleur rood, maar hebben er wel een voor ultraviolet; honden kunnen klanken horen met een frequentie die meer dan een octaaf hoger ligt dan wat wij mensen aankunnen. Maar ook voor hen zijn er grenzen aan het waarneembare. Wat ook de realiteit is die we observeren, ze is slechts een fractie van wat er werkelijk is.

Gevaarlijke percepties

Onze zintuigen zijn trouwens niet de enige beperking op de manier waarop we de realiteit construeren. We doen hetzelfde op een hoger cognitief niveau, waar we onze waarnemingen combineren met wat we al voor waar aannemen. De opiniepeiler Ipsos voert elk jaar een enquête uit in tientallen landen, waarin ze nagaan hoe mensen een hele reeks van maatschappelijke gegevens bekijken, en vergelijken dat dan met de werkelijke feiten. Ik had het al eens eerder over dit project, maar sedertdien heeft Bobby Duffy (tot eind vorige maand de directeur van het Ipsos Social Research Institute) de bevindingen van verschillende jaren gebundeld in een nieuw boek, The Perils of Perception.

Het is opmerkelijk dat we in de meeste gevallen waar we de bal serieus misslaan, zoals het percentage tienermeisjes die zwanger geraken, of de proportie van moslims in de bevolking, de realiteit overschatten, eerder dan ze te onderschatten. Een van de belangrijkste redenen hiervoor is onze ingebouwde neiging om ons op negatieve informatie te richten, zegt Duffy. En de media voorziet ons rijkelijk van dat soort voer – dankzij hun selection bias (ze melden vooral slecht nieuws) en het saliency effect aan onze kant (we zien dat slechte nieuws als representatief).

Een onwaarschijnlijke krantenkop (foto: Ipsos via Twitter)

 

We zien onheil makkelijker, en we onthouden het beter. Dit is niet zo ongewoon vanuit een evolutieperspectief – wanneer we beschikken over weinig gegevens zullen we beter overleven wanneer we pessimistisch en voorzichtig zijn, dan wanneer we zorgwekkende gebeurtenissen wegwuiven. Bobby Duffy spreekt van emotionele ongecijferdheid (emotional innumeracy): we vinden het weliswaar belangrijk accurate schattingen te maken, maar als we ons ergens zorgen over maken, dan zullen we dat toch te kennen geven door het betrokken getal wat op te blazen.

Dit is overigens geen eenrichtingsproces: onze overschatting kan onze bezorgdheid voeden, net als onze bekommernis ons aanzet tot overschatten. Zulke overschattingen zijn dan ook vaak een goede indicator van wat de bevolking ongerust maakt. Voeg hier dan nog eens andere cognitieve tendensen aan toe zoals confirmation bias (we hebben vooral oog voor datgene wat ‘onze’ waarheid bevestigt) en motivated reasoning (gemotiveerd redeneren – we proberen te verklaren wat we zien gebaseerd op wat we geloven), en je gaat je al bijna afvragen hoe we er in vredesnaam in slagen te functioneren met zo’n vervormd wereldbeeld.

Bovendien is het niet enkel in onze opinies en in wat we geloven over de maatschappij, dat we ons laten misleiden. Soms is het dichter bij ons bed, bijvoorbeeld wanneer we het oneens zijn met een bepaalde gedragsnorm, en verkeerdelijk denken dat hij veel voorkomt in onze kringen. Dit fenomeen, bekend als pluralistische onwetendheid, kan ons ons eigen gedrag laten wijzigen ten gevolge van deze vermeende realiteit.

In een paper uit 1993 beschreven Deborah Prentice en Dale Miller, twee psychologen aan de Princeton Universiteit, hoe studenten geloven dat hun collega’s meer alcohol drinken dan zijzelf doen (en als gezond beschouwen). De mannelijke studenten stemden vervolgens niet alleen gaandeweg hun attitude af op deze vermeende norm en werden meer tolerant, maar ze pasten ook hun gedrag aan en gingen meer drinken.

Zoiets kan ook nefast zijn in de andere richting. Een recent paper van Steven Buzinski (een psycholoog aan de universiteit van North-Carolina in Chapel Hill) en collega’s onderzochten de perceptie van de hoeveelheid tijd die studenten besteden aan het blokken. Gemiddeld werd onderschat hoeveel hun collega’s studeerden voor een nakend examen, vonden zij.

Interessant was wel dat het precies de studenten waren die dit overschatten, die slechter presteerden op dat examen. De auteurs vermoeden dat de misvatting, in plaats van ze aan te moedigen, eerder zorgde voor angst en twijfel omdat ze in hun eigen ogen slecht voorbereid waren.

En zelfs wanneer we denken over een hypothetische alternatieve realiteit blijken we last te hebben van zulke misvattingen.

We beelden ons vaak zogenaamde counterfactuals in – alternatieve situaties waar we onze huidige situatie, handelingen uit het verleden, of toekomstige opties aan toetsen. Een snelle zoektocht door mijn vorige stukjes leert zo dat ik de lezer meer dan 80 (!) keer vroeg iets “in te beelden”. Maar behandelen we deze ingebeelde realiteiten op dezelfde manier als de werkelijke realiteit? Jens Andreas Terum, een psycholoog aan de Arctic University in Noorwegen (de naam alleen maakt het een schitterende studieplek) boog zich over deze vraag in het kader van zijn doctoraatsthesis.

Terum vond dat de deelnemers aan zijn studies counterfactuals sterk anders bekeken dan werkelijke feiten. Hun ingebeelde realiteiten waren bijna altijd het tegenovergestelde van de werkelijke realiteit, en meer extreem. (Wanneer bijvoorbeeld een scenario een gebeurtenis voorstelde die goed afliep, was de counterfactual niet een beetje beter of een beetje slechter, maar een ware ramp). Wel was het zo dat ze de gevolgen van een negatieve gebeurtenis (bv. te laat arriveren voor een jobinterview) als erger beoordeelden wanneer het een counterfactual was, dan wanneer het echt gebeurde.

Je kunt je inbeelden (!) dat dit een nuttige neiging is, die ons de nare gevolgen van ondoordachte plannen levendig voor de geest brengt. Maar dat was nu net níét het geval: de ervaren emotionele intensiteit van counterfactuals was lager dan die van werkelijke gebeurtenissen.

We zien de consequenties dus wel als slechter wanneer we ze ons inbeelden, maar we geven er minder om. Dit bevestigde ook wat hij in een andere studie vaststelde: bijna-ongelukken (waar de counterfactual natuurlijk een vreselijk ongeluk is) gaven veel minder vaak aanleiding tot grotere voorzichtigheid in de toekomst, dan werkelijke ongelukken. Dit past allemaal binnen het idee dat we, zelfs als het om een ingebeelde realiteit gaat, die in de eerste plaats in ons kraam willen laten passen: het gaat er vooral om ons eigen gedrag te verklaren en te rechtvaardigen.

Groter dan u denkt

Een laatste voorbeeld van de vervormde realiteit waarin we leven zonder dat we het beseffen, is de manier waarop we de wereld letterlijk in kaart brengen. De wereldkaart hieronder is u wellicht bekend. Als u ze bekijkt, denkt u dan dat Europa groter of kleiner is dan Afrika?

De Mercatorprojectie (foto: Wikimedia CC BY)

 

De oppervlakte van Afrika is iets meer dan 30 miljoen km2, en die van Europa krap 10 miljoen – niet bepaald wat de kaart toont: Europa past namelijk drie keer in Afrika. Er bestaat een betere versie, de Gall-Peters-projectie, die relatieve groottes veel getrouwer toont, maar toch houden we vast aan de inaccurate, zwaar vervormde Mercatorprojectie. Misschien is de reden dat ze Europa en Noord-Amerika overschat?

We mogen dan wel niet bij machte zijn de alomtegenwoordige wereldkaarten te veranderen, maar kunnen we onze eigen perceptie misschien toch wat beter in de hand houden? Makkelijker gezegd dan gedaan, maar goed. In onze persoonlijke sfeer kunnen we alvast proberen niet al te snel gedragsnormen te veronderstellen bij anderen, en best eerst even checken. We kunnen ook proberen er rekening mee te houden dat ingebeelde realiteiten zo mogelijk nog meer vervormd zijn dan de echte versie.

Wat onze perceptie van de wereld rondom betreft, het advies van Bobby Duffy is te pogen onze wereld actief te ‘ontfilteren’: kritisch zijn en de feiten te verifiëren– vooral feiten die overeenstemmen met onze persoonlijke waarden, of die worden aangebracht door leden van onze eigen groep. We kunnen ook ons natuurlijke pessimisme compenseren door in te zien dat de wereld niet slechter, maar best wel beter wordt. (Het werk van Max Roser, en van wijlen de grote Hans Rosling – dat wordt verdergezet door zijn zoon en schoondochter, Ola en Anna – zijn een uitstekend antigif voor overdreven negativiteit.)

Er blijft dan vast nog genoeg pessimisme over om te zorgen dat we overleven… als alles goed gaat natuurlijk.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Koen Smets

Koen Smets is een deskundige op het gebied van organisatie-ontwikkeling, met een fascinatie voor menselijk gedrag op de grens tussen het rationele en het irrationele. Hij is op Twitter als @koenfucius.