Een stad heeft nood aan vrijplaatsen

 Leestijd: 11 minuten1

Tijdelijk ruimtegebruik heeft een steeds sterkere positie in het stadsbeeld veroverd. Het blijkt opeens een gedragen strategie te zijn voor duurzame stadsontwikkeling, om de stad van morgen vorm te geven. En dat is begrijpelijk, gezien de experimentele ruimte waarin allerlei nieuwe noden en behoeften van stadsbewoners naar boven komen in tijdelijke ruimteprojecten.

In aanloop naar de lokale verkiezingen worden memoranda op beleidsmakers afgevuurd. Met een lijst van eisen, behoeftes en noden die moeten aanzetten tot beleidsinterventie. En zoals het een responsieve overheid betaamt, leidt dat tot concrete beleidsinstrumenten. In de overtuiging dat ook “mensen de stad maken” fabriceren beleidsmakers allernlei participatieve instrumenten, zoals een handleiding voor een commonsstad, burgerbudgetten om burgers financieel touwtjes in handen te geven in stedelijke planning en ook tijdelijke invullingen.

Maar er is iets ‘unheimlich’, iets bevreemdends aan zoveel politiek voluntarisme en administratieve daadkracht wat ‘tijdelijk ruimtegebruik’ betreft. Waar de stadsvernieuwing en creatieve stadscultuur ooit bottom-up opbloeide vanuit plaatsen die geclaimd, gekraakt en bezet werden, zijn diezelfde spontane experimenten gestaag onderdeel geworden van een geijkt beleidsinstrumentarium om te sleutelen aan publieke ruimte in de stad.

Ooit begon ‘tijdelijk ruimtegebruik’ als tactische interventie om zelf de stad vorm te geven, als zoektocht en strijdpraktijk om nieuwe noden op de kaart te zetten en die tot rechten om te buigen. Maar dat mondt steeds vaker uit in een strategisch beleid van stadsontwikkeling waarbij tijdelijk ruimtegebruik voor beleidsmakers de eerste opstap is voor het opwaarderen van vacante terreinen en leegstaande gebouwen, vaak in functie van projectontwikkeling. Dat lokt een paradoxale situatie uit die tijdelijk ruimtegebruik binnen stadsvernieuwingsprojecten, de stedelijke ruimtes die onbestemd en onbepaald zijn, doet slinken.

Dat betekent een verovering van ‘het strategische’ over ‘het tactische’, naar het theoretische conceptenpaar dat Michel De Certeau (1984)(1) gebruikt.

In een strategische manier van denken over de stad wordt er gekeken naar programma’s, visies en plannen die ontwikkeld zijn vanuit een centrale (overheids)positie. Daartegenover staat een tactische manier van omgaan met de stad, zoals het werken met kleine, grassroots-gedreven interventies in stedelijke ruimte, bedoeld om stadswijken en stedelijke ontmoetingsplaatsen te verbeteren. ‘Tactical Urbanism’ wordt ook vaak aangeduid als een vorm van guerrilla-stedenbouw, waar de alledaagse toe-eigening en heruitvinding van de publieke ruimte centraal staan, volgens de alledaagse rituelen en dus helemaal niet volgens de officiële regels van stadsontwikkeling. Farone en Sartri (2008) (2) verwijzen naar ‘the intermittent city’: een tijdelijke en spontane stad waar ruimte is voor diversiteit en verschil, voor experiment en onbepaaldheid.

Terwijl we in een crisis van de openbare ruimte zitten waar alles wordt dichtgebouwd en ‘slimme verdichting’ een voortdurende zorg is, zijn er misschien wel meer mogelijkheden in het alledaagse urbanisme en een tactische omgang met de publieke ruimte.

Tijdelijke toe-eigening als tactiek

Tijdelijk ruimtegebruik is deel van een traditie aan tactische praktijken gebruikt door een stedelijke strijdbeweging die zich verzette tegen de strategische stadsontwikkeling. Ergens tussen einde de jaren 1960 en de jaren ’80 namen activisten het heft in handen. Ze mobiliseerden tegen het strategische stadsproject van autoritaire politieke elites en betonboeren; een stadsproject dat al te vaak tot een kaalslag leidde. Wijken en gebouwen werden met de grond gelijk gemaakt. Vaak voor winstbejag werd het stedelijke leven en de erfgoedwaarde van gebouwen van de kaart geveegd.

De gedeelde noemer van veel activisten en links-libertaire denkers (De Certeau, Lefebvre, de Situationisten en Italiaanse autonome beweging (“Operaismo”), maar evengoed de invloed van de Civil Rights movement en ideeën over “community organizing”) is de nadruk op autonomie en grassroots participatie, contestatie vanuit een alternatief politiek project dat zich ontvouwt in het “hier en nu”. (3)

Zowel het staatsgeleide kapitalisme als modernisme leiden aan dezelfde kwaal. Van bovenuit werd de ruimte vormgegeven en uitgetekend, in functie van een hogere levenskwaliteit van de gewone man. Wat het volk daar zelf van vond, of hoe zij medevormgever en mede-eigenaar zouden zijn en/of worden van de stad, kreeg geen plaats. Om het met de taal van filosoof Henri Lefebvre te zeggen: de abstracte ruimte koloniseerde de geleefde ruimte. Voor Lefebvre is de ruimte een sociaal product, die de dualiteit van mentale en fysieke ruimte doorbreekt. Zijn schrijfsels zijn een kritiek op de inmenging van de staat in het dagelijks leven van de burger (zie zijn ‘critique de la vie quotidienne’ uit 1947), wat zich doorzet in de strijd om het recht op stedelijke ruimte, alle openbare voorzieningen en vooral stedelijke verscheidenheid (zie zijn ‘le droit à la ville’ uit 1968).

Voor Lefebvre is de ruimte die kapitaal en staat samen vormgeven ‘abstracte ruimte’, zonder identiteit en alledaagse praktijk. Als utopische tegenhanger daarvan onderscheidt hij ‘differentiële ruimte’, een ruimte die de fragmentatie en oppervlakkige homogenisering van de abstracte ruimte overstijgt, en zich kenmerkt door het stimuleren en tolereren van verscheidenheid. Het allerbelangrijkste voor Lefebvre is de alledaagse geleefde ruimte, waar plaats is voor representatie van menselijke diversiteit. De geleefde ruimte is de ruimte die overladen is met betekenis, kwaliteit en identiteit. (Lefebvre, 1974, 2009, p. 191). Waar tijdelijk ruimtegebruik zou moeten deel uitmaken van een spontane stad die wordt vormgegeven vanuit een tactische praktijk en de geleefde ruimte, is ruimtelijk gebruik gestaag een instrument van strategische ruimtelijke planning en stedenbouw geworden.

Een geschiedenis van pauzelandschappen

Volgens de Smet (2013) geven praktijken van tijdelijk ruimtegebruik aanleiding tot zogenaamde “pauzelandschappen”. De samenleving wordt letterlijk even op pauze gezet, waardoor diverse invullingen en toekomstbeelden voor de ruimte aan de oppervlakte komen. Deze onbepaalde en onbestemde plaatsen zijn vaak ‘testbeds for change’ zoals beschreven door Shane (2005). Waar de traditionele planningsstrategieën falen, kunnen deze plaatsen en praktijken van tijdelijk ruimtegebruik uitgroeien tot voedingsbodems voor stedelijke innovatie. (de Smet, 2013)(4)
Een kenmerkend voorbeeld van een pauzelandschap is volgens de Smet de ‘trou des Halles’ in Parijs. Deze 25 hectare grote leegte bleef eind jaren ’60 – begin jaren ‘70 over na het verplaatsen van de eeuwenoude markt ‘Les Halles’ naar de buitenwijk Rungis. De reden daarvoor was dat de groeiende stroom vrachtwagens niet meer door de binnenstad kon. De herontwikkeling van deze plek had letterlijk ‘veel voeten in de aarde’ en bracht dan ook redelijk wat controverse teweeg. (de Smet, 2013) (5)

Na de verhuis van vlees en vis naar Rungis verrees in de jaren ’70 op de verlaten plek in Parijs een van de drukste knooppunten van metrolijnen in de stad, met daarbovenop een winkelcentrum. En de geschiedenis herhaalde zich. Het immense ondergrondse bouwsel bleek snel te verouderen, onaangepast aan de noden van inwoners. Voor veel Parijzenaren was het een no go-area geworden. Een gedeelde analyse van gemeente en bewoners was het startsein voor een enorme (ver)bouwoperatie.

Sinds 2010 wordt gegraven, gehakt, getimmerd en gemetseld aan een nieuw voetgangersgebied en een tuin bóven de grond, aan een complete renovatie van metrohaltes en winkelcentrum ónder de grond, én aan de aanleg van het pronkstuk dat al die elementen moet gaan verbinden: La Canopée. (6)

Een kenmerkend voorbeeld van een pauzelandschap is het kraakpand/kunstenhuis ‘Tacheles’ in Berlijn. Het bezette kunstenhuis is zowat de belichaming van een stad waar autonome creatieve praktijken floreren. Berlijn werd door dit soort autonome projecten een prototypevoorbeeld van een creatieve metropool. In het begin werd dit centrum gerund door de bekende curator Jochen Sandig. Verschillende artiesten stelden er tentoon zoals Mark Divo, beeldhouwers als Mutoid Waste Company, muzikanten Spiral Tribe, theatergroep DNTT, performance artiest Lennie Lee, danser/ choreograaf Sasha Waltz en veel anderen. (7) Het gebouw werd in september 2014 verkocht aan een firma in New York voor projectontwikkeling. (8)

In de jaren ’60 en ’70 ontstaat ook in Vlaanderen een generatie stadsactivisten die inzet op experiment met leegstaande ruimtes in de stad. In de schoot van organisaties als Lodewijk de Raet, de Brusselse jeugdraad ANBJ en de Beursschouwburg ontstond bijvoorbeeld in Brussel een emancipatiebeweging. De Elckerlyck Hogescholen en stadsactivisten stuwen de stedelijke verandering van onderuit vanuit een links-libertaire praktijk. De stad moet niet morgen maar “hier en nu” worden veranderd. Verandering is een zogenaamde ‘prefiguratieve praktijk’, die een voorafspiegeling is van een mogelijk andere toekomst in “het hier en nu”. De verbeelding is aan de macht daar waar mensen de handen uit de mouwen steken om een andere stad op mensenmaat vorm te geven.

De beursschouwburg in Brussel vandaag (Foto: flickr CC Médéric)

Daaruit vloeien allerlei acties voor het behoud van de publieke ruimte en alledaagse plaatsen zoals de Noordwijk en de Marollen in ’69. Of denk aan het stadsactivisme van de Provo’s in Amsterdam. We verwijzen ook naar “het Pandinistisch Verblijvingsfront” in Gent einde ’70, begin ’80 dat zijn strijd voerde rond wat nu het Caemersklooster is in het Patershol, of naar de bezetting van de in verval geraakte Vooruit in Gent in de jaren ’80. (9)
(foto toevoegen van Luc Emmerie’s betoging)

Ook in Brussel staken soortgelijke praktijken van tijdelijke bezetting de kop op. Comhair (2012)(10) beschrijft hoe in Brussel na de opkomst van een eerste generatie stedelijke activisten in de jaren ’70 met bijvoorbeeld ARAU (Atelier de recherche et d’action urbaines), er in de jaren ‘90 een tweede generatie opkomt met bijvoorbeeld de architecturale denktank ‘Disturb’. Sprekend is de tijdelijke bezetting van het leegstaande ‘Hôtel Central’ in 1995 aan de Brusselse Beurs waar een strijd werd gevoerd tegen speculatieve stadsontwikkeling. Deze bezetting zou de katalysator blijken voor een grondige aanpak van stadskankers in de Vijfhoek.

Deze praktische strijd heeft impact op het stedelijk beleid. Participatie werd toenemend genormaliseerd in beleidslijnen. Een voorbeeld is het herwaarderingsbeleid van de jaren ’80 en de rol van het latere opbouwwerk in wijkontwikkeling, net als de opkomst van architectuurwedstrijden en zelfs de komst van een bouwmeester van de stad.

Uit heel wat bezetting en-kraakacties vormt zich een ‘creatieve kritische massa’ die later werd herframed en/of herontdekt als ‘een creatieve klasse’ die postindustriële steden moet vormgeven (Zie Richard Florida’s ‘Creative Class’).(11) De hedendaagse kunstscene en creatieve stadsmanagers hebben de mond vol van publieke en subversieve kunst, maar vergeten de geschiedenis en ruimtes waarin dit soort culturele praktijken tot bloei kwamen. Het is dan ook problematisch dat die mogelijkheden gekortwiekt werden door de nieuwe kraakwet. Kraken kraakt letterlijk de bestaande orde, waardoor nieuw licht geworpen wordt op andere mogelijkheden in de stad. De nieuwe kraakwet kraakt letterlijk de mogelijkheid van creatief ruimtegebruik.

Heterotope plaats of geleide participatie?

Plaatsen van tijdelijk ruimtegebruik worden vaak omschrijven als ‘heterotopia’ (Foucault, 1967)(12). Deze onbepaalde en onbestemde plaatsen stralen een sfeer van vrijheid uit, van autonomie en regelloosheid. De gebruikswaarde domineert vaak naar voor door de afwezigheid van de nadruk op de ruilwaarde. Andere praktijken die tegemoetkomen aan voorheen onzichtbare en niet hoorbare noden van stadsbewoners en-gebruikers komen spontaan aan de oppervlakte. Maar “tussen droom en daad, staan vooral wetten en praktische bezwaren.” En vooral ook macht en geld.

Rond de eeuwwisseling wordt de stad herontdekt. De stadsvlucht naar suburbane gebieden wordt afgeremd en omgekeerd. De tweeverdieners, de toeristen en investeerders staan volgens beleidsmakers borg voor ‘een stedelijke renaissance’. Stadskankers worden ankerplaatsen voor de stad van de toekomst. En die toekomst heeft meer dan ooit te maken met accumulatie van kapitaal. Tijdelijk ruimtegebruik krijgt daarin een specifieke rol. Vacante terreinen en plaatsen en leegstaande gebouwen zouden het fundament vormen van een iconische stadsontwikkeling.

Denk maar aan ‘Tour & Taxis’ in Brussel-stad of ‘De Oude Dokken’ in Gent waar de creatieve werkplaats ‘DOK’ jaren gevestigd is. Ook ‘creativiteit’ krijgt een nieuwe doelstelling. Uit heel wat bezetting en-kraakacties tussen ’60 en ’90 vormt zich een ‘creatieve kritische massa’. Later werd die tegen de achtergrond van de stedelijke renaissance herframed en/of herontdekt als ‘een creatieve klasse’ die postindustriele steden moet vormgeven (Zie Richard Florida’s ‘Creative Class’).(13) De creatieve klassen staat nu in het teken van een culturele industrie die de stedelijke renaissance aandrijft.

De dokken in Gent (Foto: flickr CC Amaury Henderick)

Maar waar stedelijke innovatieve praktijken, participatieve projecten en creativiteit ooit werden gericht tégen een beleid van grootschalige stadsontwikkeling en de dominantie van ruilwaarde, worden ze nu deelachtig eraan. Autonome praktijken, vrijelijk experiment en onbepaalde creativiteit worden de principes van tijdelijk ruimtegebruik in de handen van beleidsmakers en welwillende ambtenaren. Waar bezetting en kraken ooit de praktijk bepaalden, worden nu subsidielijnen op Europees niveau uitgeschreven om tijdelijk ruimtegebruik in te schakelen binnen de bestaande orde (zie bvb REFILL in Gent) (14). In de woorden van de filosoof Jacques Rancière: de politieke orde van de jaren ’60 tot de jaren ’90 waar een autonome praktijk gestuwd werd door contestatie, is tijdelijk ruimtegebruik nu deel geworden van de bestaande orde, die Jacques Ranciére (1995).(15) benoemt als “de politie-orde”. In de politie-orde is alles vooraf bepaald. Wat gezien en gehoord wordt, is gekend.

De droom van verandering (“verbeelding aan de macht”) is deel van veranderingsmanagement geworden, waar ambtenaren de contouren van autonomie aangeven en “de tijd” in tijdelijk ruimtegebruik afstemmen op de planning van projectontwikkelaars en beleidsmakers om de gebruikswaarde van leegstaande gebouwen en vacante terreinen op te drijven. Een sluitstuk op een rijke geschiedenis van bottom-up activisme via tijdelijk ruimtegebruik, is de nieuwe kraakwet.

Terug ruimte innemen/plaatsen van hoop

Vrijplaatsen horen er overal te zijn en zeker in openbare ruimte, opdat we ons zichtbaar kunnen verbinden tot elkaar met eigen en verschillende praktijken. Deze plekken zijn belangrijk omdat ze werken als een ‘counterpublic’. Op die plekken strijden we als burgers samen tegen de dominantie van kapitaal en staat, en vooral om een alternatieve toekomst te verbeelden. Dat vraagt ruimte voor weerstand en het terug binnenbrengen van contestatie. De beheersfunctie van ruimte ligt vandaag teveel bij sturende overheden. Natuurlijk spelen lokale overheden een belangrijke rol in het behouden van de grondpositie van een stad: publieke grond moet in publieke handen blijven. Maar wel om “het politieke”, het onbepaalde en onbestemde organisch te laten groeien. En af te stemmen op reële sociale noden en behoeftes die voortvloeien uit de alledaagse ruimte van de stad.

Wil dat zeggen dat er geen kritische stedelijke praktijken meer zijn, die eer doen aan de reële oorsprong en geschiedenis van tijdelijk ruimtegebruik? Er zijn heel wat autonome praktijken van bezetting en toe-eigening die nog steeds mee de stad vormgeven, die gestut zijn op contestatie en de nadruk leggen op gebruikswaarde.

Een bekend voorbeeld is de VZW ‘Woningen 123 Logement’ die zich ent op het idee van ‘sociale integratie doorheen het wonen’ op voor al wie (omwille van financiële of andere redenen) moeite heeft met het vinden van een woning. Hiertoe worden leegstaande gebouwen in Brussel ingenomen en ter beschikking gesteld als alternatieve en sociale woonruimte, zoals bijvoorbeeld het voormalig kantoorgebouw in de Koningsstraat 123. De vereniging biedt op haar manier een – weliswaar kleine maar toch zeer symbolische – bijdrage aan herintroduceren van de woonfunctie in de stad. In Brussel leidden projecten als Logement 123 en Leeggoed zelfs tot verandering in de wooncode over tijdelijke invulling van leegstand (de Smet, 2013). Ook andere bewegingen laven zich aan die historische identiteit van de stedelijke contestatiebeweging en autonome praktijken. ‘Picnic the Streets’ is daar een recent voorbeeld van. Of wat VZW Toestand tegenwoordig doet door leegstaande ruimtes en terreinen in te nemen die nodig zijn om publieke noden te lenigen: ruimte die de politiek niet gaf, terwijl er tegelijk miljoenen vierkante meter leeg staan in Brussel.

Het tijdelijk ruimtegebruik-project “DOK” in Gent evolueerde pas na enkele jaren. Waar het eerst een project was dat sterk werd gestuurd vanuit het Gentse Stadsbedrijf SoGent, vooral om de grondwaarde op te drijven in de tussentijd tussen leegstand en invulling, zou precies die kwestie na heel wat jaren als kritiek opborrelen vanuit de organisaties op DOK. De types organisaties veranderden op het leegstaande terrein, waardoor er meer zelfreflectie kwam en meer onderlinge versterking. Autonomie van de bewoners en in programmatie heeft gewonnen en wordt ook erkend. Al 7 jaar schrijft DOK aan een maatschappelijk geëngageerd en gedeeld verhaal via coproductie. Wat er gebeurt op DOK wordt bepaald door de DOKbewoners. Hoe dan ook zal het project verdwijnen voor een grootschalig stadsproject “De Oude Dokken”, dat de wijken rondom zal transformeren.

Autonome praktijken van bezetting en toe-eigening van onderuit, door claims vanuit tijdelijk ruimtegebruik, beïnvloeden beleidsmakers. Gentse beleidsmakers zijn bijvoorbeeld pas echt alternatieve woonpraktijken beginnen ontwikkelen in leegstaande sociale woningen, nadat het Emmaüsklooster in de volksbuurt de Muide werd ingenomen door organisaties die het opnamen voor dakloze gezinnen met kinderen met precaire verblijfsstatus. Nog een voorbeeld: er is pas ruimte voor tijdelijk ruimtegebruik gekomen in de volkswijk De Brugse Poort, daar waar zich een oude fabriek bevond, door de contestatie van de buurtbeweging FC De Buurt tegen een projectontwikkelaar.

Laten we duidelijk onderscheiden waar tijdelijk ruimtegebruik moet over gaan, en niet zomaar meestappen in een taal en dito praktijk van ruimtelijke beleidsplanning van bovenuit die stedelijke besturen hebben ontwikkeld sinds de eeuwwisseling om de stedelijke bloei op te drijven. Die stedelijke renaissance brengt bloei voor sommigen, maar zorgt er vooral voor dat andere behoeftes niet geadresseerd worden en dat plaatsen die er antwoorden kunnen op bieden, ontnomen worden. Ongelijke ruimtelijke ontwikkeling heet dat.

Onbepaalde ruimtes en praktijken van tijdelijk ruimtegebruik kunnen deel uitmaken van wat de politiek geograaf David Harvey, “plaatsen van hoop” noemt. (16) De toe-eigening en bezetting van stedelijke ruimtes beantwoordt er aan de gebruikswaarde voor stadsbewoners. En staat niet in functie van tijdelijke creatieve upgrading om de plaatswaarde van toekomstige projectontwikkelaars op te drijven. Dat vraagt niet zomaar een overheid die alleen maar aanstuurt vanuit beleidsmatig voluntarisme en verstaatsting doordrukt, of zich richt op de vermarkting van tijdelijk ruimtegebruik. Maar een overheid die zijn grondpositie bewaakt en bewaart om ruimte te maken voor autonoom initiatief op vacante terreinen en leegstaande gebouwen dat tegemoetkomt aan de noden en behoeften van een stad in verandering.


(1) Michel de Certeau, The Practice of Everyday Life (1984).
(2) FARONE, C. en SARTI, A., 2008. Intermittent Cities, On waiting Spaces and how to Inhabit Transforming Cities. In: Architectural Design. 2008. Vol 78, n° 1, pp. 40-45
(3)https://antipodefoundation.org/2018/07/27/author-interview-neil-gray/
(4) & (5) Aurelie de Smet, « De rol van tijdelijk gebruik in de stedelijke (her)ontwikkeling: Brusselse voorbeelden », Brussels Studies [Online], Algemene collectie, nr 72, Online op 12 novembre 2013, geraadpleegd op 10 août 2018. URL : http://journals.openedition.org/brussels/1193  ; DOI : 10.4000/brussels.1193
(6) http://www.standaard.be/cnt/dmf20160330_02211141
(7) http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2013/04/24/kraken-symptoom-van-krakend-woonbeleid
(8) http://www.iheartberlin.de/2017/01/26/the-story-of-the-tacheles-art-house-in-berlin/
(9) Oosterlynck, S., & Debruyne, P. (2010). De strijd voor een stad op mensenmaat in Gent. Het Pandinistisch Verblijvingsfront en de herwaardering van de stad als woonomgeving [The struggle for a city at a human scale in Ghent. The Pandinistisch Verblijvingsfront and the renewal of the city as a living environment]. Brood & Rozen, 3, 24–41. https://ojs.ugent.be/broodenrozen/article/download/3432/3418/.
(10) COMHAIR, G., 2012. Activisme urbain et politiques architecturales à Bruxelles: le tournant générationnel, in: L’information géographique. 2012. Vol. 76, nr. 3, pp. 9‑23
(11) http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2010/11/18/zijn-creatieve-steden-emancipatorisch & https://www.oikos.be/tijdschrift/archief/jaargang-2009/oikos-49-2-2009/646-49-04-debruyne-citymarketing-en-gent-in-2020/file & https://www.demorgen.be/opinie/kraken-brengt-ook-creatieve-vernieuwing-in-de-stad-b4e00d8b/
(12) FOUCAULT, M., 1984. Of Other Spaces, Heterotopias. In: Michel FOUCAULT.info [on line]. Beschikbaar op het adres: http://www.foucault.info/documents/heterotopia/foucault.heterotopia. en.html
(13) http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2010/11/18/zijn-creatieve-steden-emancipatorisch & https://www.oikos.be/tijdschrift/archief/jaargang-2009/oikos-49-2-2009/646-49-04-debruyne-citymarketing-en-gent-in-2020/file & https://www.demorgen.be/opinie/kraken-brengt-ook-creatieve-vernieuwing-in-de-stad-b4e00d8b/
(14) https://stad.gent/over-gent-en-het-stadsbestuur/stadsbestuur/wat-doet-het-bestuur/gent-internationaal/europese-subsidies-en-projecten/voorbeelden-van-europese-subsidies-en-projecten/refill-een-urbact-project-rond-tijdelijke-invulling
(15) Rancière, J. (1995), On the Shores of Politics, London, Verso. Rancière, J. (1995), On the Shores of Politics, London, Verso.
(16) David Harvey, “Spaces of Global Capitalism: Towards a Theory of Uneven Geographical Developmen

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Pascal Debruyne

Pascal Debruyne is stadsonderzoeker verbonden aan MENARG (UGent) als postdoctoraal onderzoeker.

Auteur: Nathalie Snauwaert

Nathalie Snauwaert is kunstenaar/filosoof en werkt als kwartiermaker op DOK.