Economie in gedachten

 Leestijd: 5 minuten0

U rijdt langs een stadsweg, en in de verte ontwaart u een oversteekplaats met verkeerslichten. Een gestalte met een kinderwagen nadert ze en drukt op de knop. Wanneer u bij de lichten aankomt staan ze op rood, en moet u wachten. De voetganger is een oudere man die glimlacht naar u bij het oversteken, terwijl hij de buggy met een slapend kind erin voor zich uitduwt. U knikt vriendelijk terug, het licht wordt groen, en u rijdt door.

Een frequent voorkomend tafereeltje waar – zoals zo vaak in het verkeer – economische activiteit achter zit. De openbare weg is een schaarse hulpbron, die niet tegelijkertijd kan worden gebruikt door verschillende weggebruikers zonder dat dit tot onwelkome botsingen leidt. En de allocatie van schaarse middelen, dat is een economisch vraagstuk.

Regels (zoals de verplichting te stoppen voor een rood verkeerslicht) en mechanismen (zoals de drukknop bij het zebrapad) zorgen ervoor dat dit vlot gebeurt. Maar wanneer twee weggebruikers met elkaar concurreren voor hetzelfde stuk weg, betekent de baat voor de ene hoe dan ook een kost voor de andere. De man met het kind, die het exclusieve gebruik heeft van het stuk straat met het zebrapad, legt u een kost op: u moet stilhouden tot het licht groen is.

Hoe groot is deze kost? U kunt hem inschatten door een zeker uurtarief te hanteren (bijvoorbeeld uw loon), en uitrekenen hoeveel het wachten u in harde euro’s kost. Of u kunt uzelf de vraag stellen: hoeveel zou ik bereid zijn te betalen om ervoor te zorgen dat het licht pas na mijn doortocht op rood komt te staan, zodat mijn rit niet onderbroken wordt? Dit zijn conventionele economische perspectieven. Maar misschien bekijkt u het niet vanuit een eng transactiestandpunt: morgen bent u wellicht de voetganger, die de verkeersstroom kan onderbreken en een kost oplegt aan de bestuurders. Wat vandaag een kost is, is morgen een baat – een beetje geven en nemen zorgt voor efficiënte interacties.

Niet alle rode verkeerslichten zijn gelijk (foto: Matthias Ripp CC BY)

Tussen de oren

Maar daarmee is niet alles gezegd. Laten we wat doorbomen op dit gedachte-experiment. Beeld u in dat de man met de kinderwagen op de knop drukt wanneer u nog ruim 200 meter verwijderd bent, maar dan oordeelt dat het veilig is om meteen over te steken ondanks het feit dat het licht voor hem op rood staat. Wanneer u de oversteekplaats bereikt zet hij aan de overkant al lang zijn weg verder, terwijl u voor een rood licht staat – zonder goede reden. Zou dat niets veranderen aan uw ervaring? Of zou u toch wat geërgerd zijn door het nutteloze wachten? Wat als hij op de knop had gedrukt, maar zich dan plots herinnerde dat hij eigenlijk toch niet hoefde over te steken? Zou dat niet nog net iets nuttelozer en irritanter zijn?

Of stel dat het geen oudere man is die op het knopje drukt, maar twee jonge kinderen. Ze zien u van ver aankomen, wachten tot u moet stoppen en rennen dan lachend weg – natuurlijk zonder de weg over te steken. Ze hebben er duidelijk plezier in, dus de baat voor hen is er zonder meer, als is het misschien niet het soort dat u goedkeurt

We hebben inderdaad meer plezier in het vinden van een som geld op straat, dan van de overschrijving van ons salaris naar onze bankrekening.

Deze alternatieve situaties zouden geen enkel verschil maken voor iemand zonder emoties – of iets. Zelfrijdende voertuigen zijn geprogrammeerd om halt te houden voor rode verkeerslichten, zonder zich druk te maken als er niemand is die ook echt gebruik maakt van het groene voetgangerslicht. Misschien vindt u het zelf ook helemaal niet zo’n probleem wanneer u moet stoppen voor een verkeerslicht dat volgens een automatische cyclus werkt, en er is geen verkeer in de dwarsrichting. Dat is nu eenmaal hoe verkeerslichten werken.

Maar bij de oversteekplaats voelt het vast heel anders aan wanneer u gedwongen wordt stil te houden in elk van deze situaties. En dat zit allemaal tussen uw oren, in uw gedachten.

Twee soorten baten

Een tijdje geleden raakte ik betrokken in een interessante discussie op Twitter met Moshe Hoffman, een econoom aan de Harvarduniversiteit. Het begon met de volgende intrigerende vraag:

We hebben inderdaad meer plezier in het vinden van een som geld op straat, dan van de overschrijving van ons salaris naar onze bankrekening. Dat kan voor een deel worden verklaard door het feit dat we voor onze wedde hebben gewerkt, zodat er een duidelijk quid pro quo is in deze ruil. Geld vinden is wat anders – er is een baat zonder een overeenkomstige kost. Het gebeurt ook niet zo vaak, dus de verrassing draagt bij tot de vreugde.

Dit suggereert dat er in feite twee componenten aan het werk zijn. Enerzijds is er het aspect van de pure economische baat, bijvoorbeeld het gewin van 10 dollar – of dat nu deel is van ons salaris, of een vondst. Anderzijds is er het effect dat de gebeurtenis waardoor we het geld bekomen produceert. In het ene geval is dat weinig betekenisvol: we hebben arbeid geleverd, en worden daarvoor gecompenseerd. In het andere is er een specifieke blijdschap in het vinden van het geld. Elke economische transactie waarbij goederen of diensten worden verhandeld of geruild, maar ook elke menselijke interactie, en simpele gebeurtenissen zoals het vinden van geld, kunnen dus zowel een strikt economisch nut hebben (materiële winst of verlies), als een hedonistisch nut (genot of pijn).

Moshe heeft het over ‘pleasure points’, genotspunten, waarin dit tweede nut wordt uitgedrukt. Deze doen denken aan de hedons en dolors, de eenheden van genot en pijn in het hedonistische rekensysteem dat de utilitaristische filosoof Jeremy Bentham ruim 200 jaar geleden ontwikkelde. Economisch en hedonistisch nut staan in principe los van elkaar. Er zijn situaties waarin onze materiële welstand onveranderd blijft, maar die ons veel vreugde verschaffen: een glimlach van een vreemde, een onverwacht compliment van een collega, een kus van een geliefde. Maar terwijl bijvoorbeeld de maandelijkse betaling van de kinderbijslag onze koopkracht verhoogt, levert ze niet veel specifiek plezier.

Prijs: 10 dollar – of is het écht een gratis lunch? (foto: Asbjørn Sørensen Poulsen CC BY)

Eigenaardig is hierbij dat, hoewel het economische nut van een toename in welstand slechts eenmalig gebeurt, hedonistisch nut blijkbaar herhaaldelijk kan worden ervaren. Wanneer je 10 dollar vindt “stijgt onze verwachte toekomstige consumptie”, zoals Moshe het benoemt – dat is het economische nut. We kunnen dat geld één keer spenderen, en dan is het op. In parallel ondervinden we het genoegen bij de verrassing en het geluk dat we gratis geld bekomen. Maar daarbovenop kan de aankoop van een smakelijke lunch met dat gevonden geld ons ook meer plezier opleveren dan wanneer we dat met geld zouden doen waarvoor we hadden moeten werken. En het zou best kunnen dat we ook nog eens extra genot puren uit het consumeren van die gratis lunch, in vergelijking met een lunch die we met eigen zuurverdiende centen betalen.

Het geld zelf blijkt hierin nauwelijks een rol te spelen. Beeld je in dat Moshe niet dat bankbiljet had gevonden, maar een voorwerp dat waarde had voor hem – een hamer, zeg maar, of een mooie schelp tijdens een strandwandeling. Hij zou niet enkel blijdschap voelen op het moment van de vondst, maar ook later, bij elk gebruik van de hamer, of telkens hij de schelp ziet op de kast in de woonkamer. Dat plezier naderhand zou bovendien wellicht groter zijn dan wanneer hij de hamer of de schelp met zijn eigen geld had gekocht.

De zeggenschap is bij onszelf

Wordt hier dubbel geteld? Ik denk het niet. Het hedonistische nut volgt niet dezelfde mathematische striktheid als het economische nut. Het is alsof de gebeurtenis waardoor iets wat nut oplevert (geld, een werktuig, of een esthetisch voorwerp) op een of andere manier het betrokken voorwerp kan begiftigd met extra hedonistisch nut, waaruit dan onbeperkt kan worden geput.

De hoeveelheid plezier die we puren uit economische transacties, uit interacties met medemensen, en uit gebeurtenissen, die hoeveelheid plezier bepalen we eigenlijk vooral zelf.

Deze hedonistische toestanden spelen zich hoofdzakelijk af tussen onze oren, maar dat betekent niet dat er geen verband is met economisch nut. We ervaren weliswaar geen specifieke vreugde wanneer ons salaris wordt uitbetaald, maar de wetenschap dat we meer koopkracht hebben als gevolg maakt ons best wel blij (en mocht men nalaten ons te betalen zouden we zeer zeker boos zijn). Economisch nut laat ons zelden helemaal koud – en dat betekent dat we het eigenlijk als hedonistisch nut ervaren. Bovendien kunnen we nagaan hoeveel geld we nodig zouden hebben om ons te compenseren voor het verlies van de hamer of de mooie schelp, en zo een schatting maken van de grootte van het hedonistische nut.

Maar waar economisch nut objectief is van aard (een euro in uw zak of op uw bankrekening is exact een euro waard, voor u en voor om het even welke andere persoon), is hedonistisch nut dat niet. De hoeveelheid plezier die we puren uit economische transacties (wat we kopen en verkopen – inbegrepen onze werktijd), uit interacties met medemensen (wat we voor en met anderen doen), en uit gebeurtenissen (het vinden van een bankbiljet, het zien van een zonsopgang over de nevel in een veld), die hoeveelheid plezier bepalen we eigenlijk vooral zelf.

We mogen dan wel geen directe controle hebben over de hoeveelheid economische rijkdom waarover we beschikken, maar de zeggenschap over ons subjectieve, hedonistische nut ligt bij onszelf. Het is aan ons om te beslissen hoe blij het vinden van 10 dollar ons maakt, een peuter die zijn eerste stappen zet, de omhelzing van een geliefde, of een foto van onze ouders aan de muur.

In een zeer reële zin bepalen we zelf hoe rijk we zijn.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Koen Smets

Koen Smets is een deskundige op het gebied van organisatie-ontwikkeling, met een fascinatie voor menselijk gedrag op de grens tussen het rationele en het irrationele. Hij is op Twitter als @koenfucius.