Omgebogen gedachten

 Leestijd: 5 minuten0

Ons wereldbeeld wordt in belangrijke mate medebepaald door onze overtuigingen. We geloven dat deze of gene supermarkt het beste aan onze wensen voldoet, en dat is dus waar we onze wekelijkse inkopen doen. We zijn ervan overtuigd dat auto’s uit een bepaald land daarvan ook de reputatie weerspiegelen, en dat bepaalt dus de merken waarmee we (graag zouden) rijden. We geloven dat deze of gene politicus of partij het beste voor onze belangen opkomt, dus zij krijgen onze stem.

Het zou bijzonder moeilijk zijn de complexe keuzes die we de hele dag moeten maken als we elke optie rationeel zouden moeten afwegen, en we niet konden voortgaan op onze stabiele, standvastige overtuigingen. Die stellen we zelden in vraag, en we beschouwen ze meestal als waarheden. Niet vreemd dus, dat we ze niet zo makkelijk veranderen, laat staan omkeren. Daarvoor is echt wel iets buitengewoons nodig.

Een verrassende lunch

In de lente van dit jaar nam Greggs, een keten van broodjeszaken in het VK gekend voor degelijk, maar onopmerkelijk eten, deel aan een gastronomisch festival in Richmond, ten zuidwesten van Londen. Ze hadden echter hun identiteit verdoezeld, en traden aan als Gregory and Gregory. Met een aanbod waaronder een Slaatje van langzaam geroosterde tomaten met feta en pasta, en een veganistische Mexicaanse bonenwrap maakten ze zich klaar om hun zomermenu aan een behoorlijk chique publiek voor te stellen – in het geheim.

En die bezoekers moesten dus hun mening over Greggs wel herzien, althans volgens deze video. Hij is er natuurlijk in de eerste plaats om reclame te maken, en de wetenschappelijke geldigheid ervan is dus twijfelachtig. Zorgvuldig knip- en plakwerk heeft er vast voor gezorgd dat de juiste bezoekers aan het stalletje in beeld komen (dat is dan selection bias) – als ze al geen betaalde acteurs waren. Maar het illustreert wel de idee dat je, om mensen van gedachten te laten veranderen, een scherpe confrontatie nodig hebt met een verschillend verhaal. Er is heel wat nodig om diepgewortelde overtuigingen dooreen te schudden.

Maar is dat wel zo? Hoe moeilijk zou het zijn u te laten geloven dat paars eigenlijk blauw is?

Misleid door prevalentie

Recent onderzoek door Harvard-psycholoog David Levari en collega’s werpt een opmerkelijk licht op de stabiliteit van ons oordeel. Achter de wat muffe titel “Prevalence-induced concept change in human judgment” van hun paper gaan fascinerende inzichten schuil, gepuurd uit zeven studies waarin ze nagaan wat er gebeurt wanneer het relatieve voorkomen van een bepaalde stimulus wordt gereduceerd.

In de eerste reeks experimenten lieten ze de deelnemers een reeks van 1.000 gekleurde stippen achter elkaar zien, gekozen uit een continuüm van paars naar blauw (zoals in de figuur hieronder). Bij elke stip moesten de deelnemers aangeven of ze al dan niet blauw was.

Blauw of paars? (Foto: Danielgilbert.com)

Blauw of paars? (Foto: Danielgilbert.com)

Er werden twee groepen gevormd. De eerste zag stippen die willekeurig werden gekozen, zodat elke stip 50% kans had om uit de blauwe helft van het spectrum te worden gekozen – de stabiele prevalentie conditie. De tweede groep werd onderworpen aan de afnemende prevalentie conditie: voor hen werden de stippen uit de blauwe helft gekozen met een verminderende waarschijnlijkheid (50% in de eerste 200, dan respectievelijk 40%, 28% en 16% in de drie volgende reeksen van 50, en tenslotte slechts 8% bij stippen 351-1000).

In de eerste groep was er geen verschil in de beslissing of een stip al dan niet blauw was tussen de eerste 200 en de laatste 200 getoonde stippen. Maar in de tweede groep had een bepaalde stip een grotere kans als blauw te worden bestempeld in de laatste 200 (waar slechts 8% uit de blauwe helft kwamen) dan in de eerste 200. Wanneer er de werkelijk blauwe stippen minder voorkwamen, zagen de deelnemers er meer dan er echt waren.

De onderzoekers herhaalden het experiment, maar ditmaal vertelden ze de tweede groep dat de blauwe stippen gaandeweg minder zouden gaan voorkomen. Maar opnieuw verschoof hun oordeel. In verdere opvolgstudies bleek dat ook het geval wanneer ze de deelnemers specifiek de instructie gaven consistent te zijn, en zich niet te laten beïnvloeden door de prevalentie – zelfs wanneer ze daarvoor een financiële beloning zouden krijgen, en zelfs wanneer het aantal blauwe stippen abrupt, eerder dan geleidelijk afnam. Wanneer ze de prevalentie van de blauwe stippen deden toenemen, was de verschuiving in de andere richting.

Consistente resultaten, maar misschien een beetje kunstmatig en vergezocht: slechts zelden wordt iemand geconfronteerd met dit soort taak buiten een psychologielab. De onderzoekers probeerden dus met een meer realistisch opzet: ze toonden de deelnemers computer-gegenereerde gezichten uit een continuüm van ‘erg dreigend’ tot ‘niet erg dreigend’. Ook hier stelden ze hetzelfde fenomeen vast. Wanneer ze minder dreigende gezichten zagen was de kans groter dat een gelaat als dreigend werd gezien in de laatste 200, dan in de eerste 200 presentaties.

Was dat ook het geval voor niet-visuele stimuli? Hun laatste studie onderzocht of deelnemers onderzoeksvoorstellen – weerom gekozen uit een spectrum – zouden beoordelen als niet ethisch aanvaardbaar. Aan de ‘ethisch acceptabele’ kant van het continuüm waren onschuldige ideeën als “Deelnemers maken een lijst van de steden in de wereld die ze graag zouden bezoeken, en schrijven over wat ze in elk ervan zouden willen doen”.

In het midden vond je dubbelzinnige voorstellen, bijvoorbeeld “Deelnemers krijgen een plant met de mededeling dat het om een natuurlijke remedie tegen jeuk gaat. In werkelijkheid veroorzaakt de plant jeuk. Hun reacties worden opgetekend”.

Aan het ‘ethisch helemaal niet OK’-einde waren voorstellen als “Deelnemers worden gevraagd aan een bevroren stukje menselijk excrement te likken. Daarna wordt hen een mondspoelmiddel gegeven. De hoeveelheid gebruikt product wordt gemeten”.

Ook bij dit experiment werd vastgesteld dat, in de groep onderworpen aan de afnemende prevalentie conditie, dubbelzinnige voorstellen vaker werden afgewezen wegens onethisch aan het eind dan aan het begin.

Pessimisme primeert

De conclusie van de onderzoekers is dat we de neiging hebben ons concept van wat blauw, een dreigend gezicht, of een onethisch experiment, aan te passen als ze minder vaak voorkomen. Wat voorheen paars was wordt nu blauw, neutrale gezichten worden dreigend, en experimenten waarvan de ethiek bij het begin hooguit twijfelachtig was worden onethisch.

Voor de auteurs is een gevolg hiervan, dat de mensen die verantwoordelijk zijn om een sociale kwaal te verhelpen, de resultaten van hun inspanning niet zullen erkennen. Naarmate de originele mistoestanden zeldzamer worden, nemen situaties die voorheen geen probleem waren hun plaats in, en de definitie van het probleem verwijdt zich. Dit kan leiden tot frustratie, en tot het onoordeelkundig toewijzen van middelen aan het oplossen van problemen die niet langer bestaan.

Als crimineel geweld minder gaat voorkomen, dan gaan we ons niet noodzakelijk veiliger voelen. Integendeel

Maar deze bevindingen zijn ook een zorg voor diegenen onder ons, die niet zulke nobele doelstellingen hebben. We zijn sowieso al geneigd om de frequentie van dramatische gebeurtenissen als gewelddadige misdrijven te overschatten, omdat ze zo prominent zijn in de (sociale) media. Als, dankzij doeltreffende interventies, crimineel geweld minder gaat voorkomen, dan gaan we ons niet noodzakelijk veiliger voelen. Integendeel zouden we wel eens veel minder intense daden kunnen gaan zien als evidentie van aanhoudende gewelddadige criminaliteit.

Misschien is het effect op de bevolking in het algemeen nog belangrijker dan dat op de beleidsmakers en -uitvoerders. We veranderen dan wel niet echt van gedachten, maar we buigen ze wel om, wanneer de prevalentie verandert. We gaan de wereld als donkerder en slechter zien dan hij werkelijk is. En als dit gebeurt voor ons als individuen, dan wordt dat wellicht ook weerspiegeld in de publieke opinie. Max Roser en Mohamed Nagdy van Our World in Data wijdden een fascinerend artikel aan optimisme en (vooral) pessimisme. Het onderzoek van Levari en collega’s levert misschien een deel van de verklaring voor onze pessimistische natuur.

Dat pessimisme geeft zonder twijfel vorm aan onze besluitvorming. Het maakt ons angstiger dan we zouden moeten zijn – het doet ons risico’s vermijden die veel kleiner zijn dan we denken, en maakt ons gewillige toehoorders van diegenen die op onze angsten inspelen, of ze ons nu verzekeringen willen aansmeren, of hengelen naar onze stem.

Het feit dat, zelfs als de wereld beter wordt, onze gedachten zo makkelijk kunnen worden omgebogen naar het pessimisme toe is, in zichzelf, helaas een goede reden tot pessimisme.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Koen Smets

Koen Smets is een deskundige op het gebied van organisatie-ontwikkeling, met een fascinatie voor menselijk gedrag op de grens tussen het rationele en het irrationele. Hij is op Twitter als @koenfucius.