Een man met een baard: debatteren over 200 jaar Marx

 Leestijd: 7 minuten7

Marx is dood. Hij overleed te Londen op 14 maart 1883 en ligt sindsdien begraven op het Highgate-kerkhof in het noorden van de hoofdstad. Zelfs de meest devote marxist die de opperkameraad een groet wil brengen, moet daarvoor in de geldbuidel tasten. Het is niet onmogelijk dat Marx zelf daar de ironie van zou ingezien hebben. Uit zijn briefwisseling blijkt immers dat hij meer gevoel voor humor had dan velen die nadien in zijn naam spraken. Maar goed, hij is dus wel degelijk dood en wat we dit jaar herdenken is het feit dat hij tweehonderd jaar geleden werd geboren in het Duitse Trier.

Berlijnse muur

Vincent Scheltiens (Foto: Polis (c) Koen Broos)

Vincent Scheltiens (Foto: Polis (c) Koen Broos)

Zeggen dat die verjaardag niet onopgemerkt voorbijgegaan is, komt neer op een understatement van jewelste. En dat is iets om heel even bij stil te staan. Op tal van plaatsen werd Marx herdacht, zijn al bij al dramatisch leven onder de loep genomen, zijn oeuvre historisch gewikt en gewogen, de impact van zijn denken op de twintigste eeuw besproken, de actualiteit ervan voor de 21ste eeuw ingeschat…  zonder dat daar – in tegenstelling tot andere herdenkingen van notoire figuren – impulsen van bovenaf aan te pas kwamen. ‘Marx herdenken’ gebeurt van onderop, hoogstens vanuit wat we het middenveld noemen en dan nog door de kleinere, meer marginale componenten ervan. Er komen geen speeches van ministers aan te pas, er wordt niet gul of minder gul gesubsidieerd, het gebeuren wordt niet ingepast in een poging tot nationale identiteitsconstructie, er wordt ook niet mee uitgepakt als inspirator, mascotte of enige andere referentie in verkiezings- en andere campagnes.

Ooit was dat helemaal anders. Tot voor de val van de Berlijnse Muur (1989) en de implosie van de Sovjet-Unie (1991) werd Marx gecanoniseerd, gestold, ingelijfd en aan het werk gezet als legitimator en zelfs als ‘geestelijke vader’ van regimes en politieke partijen die zogenaamd zijn ideeën werkelijkheid hadden gemaakt. Het heeft de man zijn postume reputatie geen goed gedaan maar daar kom ik meteen op terug.

Niet alleen was Marx dood, ook het marxisme werd fataal en onherroepelijk als overleden gediagnosticeerd. Dat gebeurde door dokters als Francis Fukuyama en anderen die het voor een historicus afgrijzenwekkende ‘einde van de geschiedenis’ afkondigden: de ‘vrije markt’ als economisch stelsel en zijn politieke tweelingbroer, de liberale democratie, maakten een einde aan elke ideologische discussie en vormden, jawel, het eindpunt van de geschiedenis.

Veel meer quatsch kan een mens niet hebben. De dokter bleek een kwakzalver. Een overzicht van regimes waar de vrije markt teugelloos te keer mocht gaan onder dictatoriale en koloniale omstandigheden zou ons een lijvig zwartboek kunnen opleveren, maar dat is ook al voor seffens. De onverbrekelijke band tussen ‘markt’ en ‘democratie’ is dus wat we in ’t stad zever in pakskes noemen. En dat eindpunt van de geschiedenis in de vorm van – ik citeer – ‘universalisering van de Westerse liberale democratie als de uiteindelijke vorm van menselijk bestuur’? Tja. Het volstaat vandaag naar Europese landen als Polen, Oostenrijk, Hongarije, Tsjechië te kijken om een beetje ongemakkelijk te worden bij deze ‘universalisering van de westerse liberale democratie’ en om vast te stellen dat de ideologische evolutie niet zozeer een eindpunt kende als wel de neiging vertoont een aantal kwalijke elementen uit het verleden een nieuwe kans te bieden: etnisch nationalisme, racisme en xenofobie, de facto rehabilitatie van met de nazi’s collaborerende figuren en groepen, belemmering van kritisch historisch onderzoek…

‘Marx’ – na de persoon ook het ‘idearium’ –  werd dus op de drempel van de 21ste eeuw doodverklaard. Het had toen al iets geforceerd. En het was, zoals de Braziliaanse socioloog Michaël Löwy terecht opmerkte, vooral paradoxaal. Om de haverklap werd gedecreteerd dat ‘Marx dood’ was, alsof men daar niet zo zeker van was. Dat had meer iets van een bezwering, van exorcisme, dan van een bevestiging.

Resurrectie.

Na de banken- en kredietcrisis van 2011 weten we weer beter. Op de economiedepartementen van onze universiteiten krabden ze zich in het haar: hoe was dat nu allemaal mogelijk? Waarom zagen we dit niet aankomen? Om het met een voetbalmetafoor te zeggen: zelden stonden zoveel academici, itinirerende denktankers en andere chief economists hopeloos buitenspel.

We noemen het kind ook terug bij zijn naam: de vrije markt is niet vrij en de naam van het stelsel luidt kapitalisme. Dat was geen gemene taalkundige zet van een groepje radicale linksen. Nee, de toeter van het economisch liberalisme, het Britse weekblad The Economist, ging stelselmatig terug over Capitalism schrijven. Datzelfde jaar schreef de pientere Terry Eagleton: “You can tell that the capitalist system is in trouble when people start talking about capitalism”. Het bewees, aldus de marxistische literatuurwetenschapper, dat het stelsel niet meer als ‘natuurlijk’ wordt beschouwd, dat het een historisch eerder recent fenomeen betreft en, nogal onheilspellend,… ‘whatever was born can always die’. Eagleton opende een tegenaanval. Zijn uitermate bevattelijk boekje droeg als titel: Why Marx was right. Het bleek een voorafname op wat zou volgen… in de mainstream.

Wat moest je in hemelsnaam doen om dat periodiek haperend economisch systeem te begrijpen? Het antwoord luidde heel eenvoudig: Marx lezen. Twee maanden geleden, op 3 mei 2018, titelde, jawel, The Economist: ‘Rulers of the world, read Karl Marx!’ wiens diagnose van de ‘mankementen’ van het kapitalisme als ‘surprisingly relevant’ werd aanbevolen. Al zes jaar eerder, in de zomer van 2012, had de al even Britse krant The Guardian vastgesteld dat ‘het kapitalisme over de hele aardbol in crisis verkeert’. Op zoek naar een alternatief stelde het blad vast dat Karl Marx ‘mainstream’ werd en ‘goodness knows where it will end’…

Marx is dus back in da house. Hij gaat zelfs op tourné door Vlaanderen en Nederland. En hij trekt volle zalen… in de gedaante van Johan Heldenbergh en op tekst van Stefaan Van Brabandt.

Standbeeld van Karl Marx in de Duitse stad Chemnitz, tot 1990 Karl-Marx-Stadt geheten. (Foto: David Jones © Creative Commons licentie)

Drie discussiepunten

In Samenleving & Politiek van mei 2018 breekt een bevlogen Heldenbergh een lans voor wat hij de essentie acht bij de filosoof Marx:

“(…) zijn filosofie stelt vooral de menselijke waardigheid voorop, en vertoont dus geen enkele gelijkenis met het ondemocratisch, dictatoriaal experiment dat in het Oosten werd opgediend op een bedje van repressie, angst en genocide”.

Heldenbergh tracht hiermee te vermijden dat het kind – of liever: de oude man – met het badwater wordt weg gekieperd. We hebben dus drie debatten. Ten eerste. Dat over de nalatenschap van Marx, zijn oeuvre. Ten tweede. Dat over de balans van het marxisme, van wat er met Marx na Marx werd aangevangen. Ten derde dat, als de rook is opgetrokken, of we nog verder kunnen of moeten met Marx en hoe dat dan moet.

  1. Marx himself

In het eerste debat mogen we de tekstexegese en de betweterigheid best overslaan. Marx baarde vele kinderen en de geschiedenis van de communistische en socialistische bewegingen is een geschiedenis van elkaar bekampende –ismen die zich op de kwaadste momenten met citaten om de oren sloegen en brevetten van marxistische zuiverheid uitdeelden en… zo mogelijk nog erger… van ‘revisionisme’.

Het heeft iets meewarigs en het getuigt van dogmatisme en, zoals elk dogmatisme, ook van luiheid. Het is een interpretatie van de geschriften van Marx alsof die in graniet gebeitelde waarheden zijn die a-historisch zijn: ready-made elk tijdsgewricht doorkomen. Marx was van de negentiende eeuw, hij was geen voorspeller, schreef ook geen uitgewerkte strategie of organisatieschema voor maatschappijverandering uit. Het is dus zaak constant te toetsen wat vandaag nog actueel of bruikbaar kan zijn aan de analyses van Marx. Van ‘het marxisme van Marx’, zoals de Franse filosoof Raymon Aron schreef die tenminste de verdienste had erop te wijzen dat de interpretatie van die geschriften van Marx moeilijk was: omwille van de particulariteiten van het leven van Marx zelf en omwille van ‘le destin posthume’ van zijn oeuvre. Dit brengt me bij m’n tweede punt.

  1. De Marx van de marxisten

Zoals we al in het spoor van Fukuyama zagen, resideert daar the ugly face. Behalve een paar negationisten ontkent vandaag niemand meer dat er in naam van ‘hét marxisme’ vreselijke misdaden zijn gepleegd, massamoorden zelfs. Je kan dan wel een boek publiceren om daar ‘een andere kijk’ over te introduceren maar massamoord blijft massamoord. Punt. Zoals Jan Blommaert schreef: ‘Stop met daarover onnozel te doen!’. Al in 1995 trachtte, aan de hand daarvan de Franse historicus François Furet met zijn Le passé d’une illusion het kind – of beter gezegd de oude man – met het badwater weg te kieperen. Hoe slecht het marxisme wel was, moest ook gekwantificeerd worden. Dat gebeurde twee jaar later onder leiding van die andere Franse historicus Stéphane Courtois met Le livre noir du communisme.

De dogmatisering van Marx, het verkalken van zijn nalatenschap als een quasi staatsgodsdienst, als een bijbel heeft ook in de Lage Landen veel onheil berokkend. Ik verwijs ook hier naar de verschillende –ismen, waarbij de enen de anderen verweten ‘niet marxistisch’ te zijn, ‘revisionistisch’ te zijn, ‘renegaten’ of ‘afgewekenen’ te zijn. Allen waren in de veronderstelling de ‘marxistische’ waarheid in pacht te hebben, maar hoe kan je Marx-interpretaties rangschikken?

  1. Marx na Marx… en na de ‘marxisten’?

Dat werpt een prangende vraag op die Heldenbergh voor ons positief beantwoordt. En ik wil ze provocatorisch stellen. De swastika was een pacifistisch symbool uit het hindoeïsme en ook het boeddhisme, maar raakte door de nazi’s zo geperverteerd dat je er vandaag niks meer mee aankan. Geldt dat ook niet voor ‘Marx’ en ‘marxisme’ of kan je er nog mee verder? Ja. Maar welke lessen moeten er dan uit de gruwelijke geschiedenis getrokken worden?

Dit brengt me tot de volgende kwestie. De receptie van Marx in België. Die is altijd slapjes geweest. Van de Belgische Werkliedenpartij (BWP) weten we dat die zich nooit sterk marxistisch profileerde en, om het met Marcel Liebman te zeggen, als een ‘reformistische organisatie’ geboren werd. De ironie wil dat de grote, ook internationaal erkende marxisten van hier politiek-organisatorisch quasi marginaal waren: ik denk aan twee figuren, Abraham Léon die een marxistische analyse van het jodendom schreef die vandaag nog steeds als een wetenschappelijke referentie geldt. En de onvermoeibare Ernest Mandel, wiens Traité de l’Economie Marxiste en vooral zijn Spätkapitalismus internationale standaardwerken geworden zijn.

Zo de receptie van het marxisme in België historisch eerder pover was, zien we dat we vandaag nood hebben aan een grondige analyse van dat kapitalisme dat in crisis verkeert, maar dat de grote segmenten van onze georganiseerde arbeidersbeweging Marx blijven negeren of hem passé vinden. Van Kristof Calvo hoeft dat niet te verbazen. Van deze generatie sp.a-coryfeeën helaas ook niet. Maar kijk naar het ABVV, kijk naar de progressieve denktanks als Minerva. Oh wat heeft de Derde Weg met z’n sociaalliberalisme ook hier onheil aangericht.

Hier moet volledigheidshalve iets gezegd worden over het zogenaamde postmarxisme. Geen enkele communistische partij breekt vandaag in Europa door op basis van een ‘revolutionair programma’. Dag orthodoxie. Zij die vanop links electoraal hogere toppen scheren zien het heil meer in het postmarxisme. Ik denk aan inspirators als de ons onlangs ontvallen Ernesto Laclau en ook Chantal Mouffe die al midden jaren tachtig de orthodoxe marxistische stellingen verlieten om strategisch de burgerlijke democratie zo te gaan uitrekken tot we in een ander stelsel belanden. Klasse werd ingeruild voor volk en bourgeoisie voor elite of kaste. Strijden om de lege betekenaars en met de eigen invulling hegemonie verwerven…

Een spook waart door onze contreien… het cultuurmarxisme

Een uitsmijter, ten slotte, nu we toch bij die dekselse hegemonie zijn beland. Op links wordt veel geklaagd en gezeurd. We zitten in crisis heet het. En we moeten ons herpakken. Herbronnen. Met of zonder onze Marx. Maar een ander perspectief hanteren, in discussie treden met mensen die zich politiek rechts situeren, levert een ander plaatje op. We wisten al dat het kapitalisme in crisis verkeert. Wel, we leren ook dat wij – de marxisten – al meer dan drie decennia de hegemonie in cultuur, media en onderwijs hebben. Zoals de oude Marx zou zeggen: ‘De mol, hij heeft voortgegraven’. Want kijk, de ‘cultuurmarxisten’ verhullen weliswaar hun eigen gelaat én hun agenda, maar ze zitten wel overal aan de knoppen. Vooral in Nederland is dit toch wel hilarisch beeld dominant bij een nieuwe rechterzijde. En hier horen we die klacht ook.

Hoe links ook uit dit debat zal geraken, het is goed om weten dat angst snel van kamp kan veranderen.

 

Op donderdag 19 juli, van 14 uur tot 18 uur wordt, in het kader van de Gentse Feesten Debatten, in de Miry concertzaal te Gent gedebatteerd over 200 jaar Marx. Met onder meer Karim Zahidi, Meindert Fennema, Joël De Ceulaer, Jo de Leeuw, Sadie Choua, Eric Corijn en Vincent Scheltiens. Inkom is gratis.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Vincent Scheltiens

Vincent Scheltiens is doctor in de geschiedenis, verbonden aan Power in History, het Centrum voor Politieke Geschiedenis van de Universiteit Antwerpen.