Socialistische partijen: het verschil tussen theorie en praktijk

 Leestijd: 6 minuten4

Tussen theorie en praktijk gaapt er altijd een enorme afgrond. Politiek is er een mooi voorbeeld van. Ik meen dat er maar twee politieke ideologieën zijn, die in theorie streven naar een rechtvaardige wereld, namelijk het socialisme en een beleid gebaseerd op de christelijke leer. In beide stelsels wordt de solidariteit tussen mensen centraal gezet. Omdat ikzelf niet zoveel op heb met religie, gaat mijn voorkeur uit naar het socialisme.

Nu zijn wij van nature wel sociale wezens, we leven immers in groepen, maar dat betekent niet dat wij zouden uitblinken door solidariteit met onze medemensen. Soms durf ik al eens te stellen dat politiek niets anders is dan het zich bezighouden met het menselijk egoïsme. En als je de laatste verkiezingen in Europa bekijkt, kan je alleen maar vaststellen dat daar iets waar moet van zijn, omdat links zowat overal in de verdrukking zit. In dit weinig rooskleurig beeld blijft voor mij solidariteit toch nog altijd enorm belangrijk, omdat menselijke catastrofes, zoals oorlog en honger, alleen kunnen worden ingeperkt in een solidaire wereld.

Ik ben ervan overtuigd dat ik niet alleen sta met deze mening, zodat er in elke samenleving altijd wel een politieke voedingsbodem voor het socialisme aanwezig zal zijn. En als die stroming er in ons werelddeel zo slecht voorstaat, komt dit niet omdat ze oubollig zou zijn, maar wel door het vis nog vlees beleid van haar leiders.

Wat is nu een socialist? Iedereen zal daar wel een eigen mening over hebben, gaande van wereldverbeteraars met het vingertje tot profiteurs van de staatskas, maar voor mezelf…

1) is een ‘echte’ socialist altijd een uitgesproken republikein;

2) streeft een ‘echte’ socialist er altijd naar om de kloof tussen rijk en arm zo klein mogelijk te houden;

3) is een ‘echte’ socialist altijd een uitgesproken voorstander van de scheiding religie – overheid;

4) streeft een ‘echte’ socialist altijd naar een rechtvaardige wereld;

5) kijkt een ‘echte’ socialist altijd met een anarchistische blik naar het ‘establishment’.

1) Een echte socialist is altijd een uitgesproken republikein

Socialisten, trouwens zoals alle ‘volbloed’ democraten, degenen van wie het wereldbeeld is gebaseerd op de gelijkwaardigheid van mensen, kunnen nooit voorstanders zijn van koningshuizen, zelfs niet in de vorm van een constitutionele monarchie, omdat die zijn gebaseerd op het geboorterecht, een van de laatste bestuurlijke relicten uit het feodale tijdperk.

Nu hebben onze koningshuizen zich wel aangepast aan de moderne tijd, en de absolute vorst, tenminste in West-Europa, vind je alleen nog in geschiedenisboeken, maar het is en blijft een instelling, waar de koning of de koningin wordt opgevolgd door de oudste zoon of dochter.

Wellicht zijn er ook argumenten pro, die pleiten voor een monarch als staatshoofd, maar ik meen dat er geen enkele belangrijk genoeg is, omdat uitgesproken geboorteprivileges haaks staan op een zuivere democratie.

2) Een ‘echte’ socialist streeft er altijd naar om de kloof tussen rijk en arm zo klein mogelijk te houden.

Dit is niet alleen een vorm van rechtvaardigheid, maar zo wordt ook het democratische draagvlak van een samenleving versterkt. Dictaturen maken zich gemakkelijk meester van de situatie in landen, waar er een enorme kloof gaapt tussen arm en rijk.

Ik ben geboren in 1949 en behoor tot de generatie die is opgegroeid in de gouden jaren zestig. Na de rampzalige Tweede Wereldoorlog floreerde in West-Europa de economie als nooit voorheen en deze economische groei lag aan de basis van de verzorgingsstaat. Je kunt hier voor of tegen zijn, en er waren en zijn zeker uitwassen, maar het gaf aan de werkende bevolking wel een gevoel van veiligheid. Tegenwoordig is het tij echter gekeerd en de verzorgingsstaat wordt van alle kanten onder vuur genomen. Er is bij de man en de vrouw in de straat een beeld ontstaan dat deze ontmanteling een niet omkeerbaar omen is en het moedeloze gevoel dat ‘de kleine man weer het kind van de rekening zal zijn’, begint bij heel veel mensen te overheersen. De aftakeling van de meeste West-Europese socialistische partijen is hier waarschijnlijk het gevolg van.

In een democratisch land wordt er van onze politici-ministers verwacht dat ze het land zouden besturen als een goede huisvader, maar daar is sinds de gouden jaren zestig nooit veel van in huis gekomen. De belangrijkste reden is dat politici, anders dan bijvoorbeeld de ouders van een gezin, nooit hoofdelijk verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor een staatsschuld. Er moet geen tekening worden bij gemaakt om aan te tonen dat zo de deur breed wordt opengezet voor megalomane uitwassen. Zo is dat ook in ons land gebeurd. Op de website mijn kapitaal.be staat in een artikel van Carl De Ridder te lezen dat de Belgische staatsschuld in april 2017 426 879 568 129 EUR bedroeg (39 567 EUR/inwoner). Het is er vandaag de dag niet beter op geworden.

Ook de socialistische partijen hebben graag deelgenomen met het over de balk gooien van belastinggeld. Sommige rechtse politici zijn maar al te gretig om hen hoofdzakelijk de schuld te geven van de hoge staatsschuld, maar de enige waarheid is dat ze van de eerste tot de laatste allemaal boter op hun hoofd hebben.

De rol van de socialistische partijen is in deze materie vooral noodlottig voor hun eigen kiespubliek. Je moet niet veel kaas van geschiedenis hebben gegeten om te weten dat de hierboven aangehaalde woorden: ‘de kleine man is altijd het kind van de rekening’, een historische wetmatigheid is. Het is altijd gemakkelijker om de veren van een kip te plukken dan de maanharen van een leeuw uit te trekken

Met andere woorden: als een linkse partij deelneemt aan een beleid waarbij de staatsschuld groeit, ze op lange termijn in de eerste plaats haar eigen kiespubliek benadeelt, omdat die in verhouding de grootste last zullen ondervinden van de terugbetaling.

Het mooiste voorbeeld hiervan is Griekenland. Het besparingsprogramma dat dit land werd opgedrongen door de Europese Unie, vooral onder invloed van Jeroen Dijselbloem, een sociaaldemocraat, treft de gepensioneerden en de ambtenaren het sterkst. Als de zo geschapen ruimte van ontevredenheid in een land te groot wordt, dan ligt het voor de hand dat ‘andere’ partijen op de loer liggen om er hun voordeel mee te doen.

In een samenleving zullen er altijd burgers zijn die leven met het credo van meer, meer en nog eens meer. Maar ik blijf ervan overtuigd dat de meeste mensen ervoor te vinden zijn om de kloof tussen arm en rijk zo klein mogelijk te houden. Hoe is het dan mogelijk dat uit vele studies blijkt dat deze kloof met de dag groter en groter wordt? Er is maar een antwoord mogelijk. Partijen dienen meestal andere belangen dan die van hun kiezers. En altijd is ‘de kleine man, die man met zijn confectiepakje aan,’ er het slachtoffer van.

3) Een ‘echte’ socialist is altijd een uitgesproken voorstander van de scheiding religie – overheid.

Heel veel problemen zouden kunnen verdwijnen, door het trekken van duidelijke gedragslijnen. In onze westerse wereld zou de onwrikbare scheiding tussen religie en overheid er zo een moeten zijn. Er zou niet de minste discussie mogen zijn over het feit dat de burgerlijke wetgeving ‘altijd’ prevaleert op een godsdienstig gebod. Godsdienstvrijheid kan nooit absoluut zijn.

Nu blijkt dat de georganiseerde monotheïstische godsdiensten daar nog altijd moeite mee hebben. Zo lees ik in het ledenblad van Gaia dat joodse en islamitische organisaties bij het Grondwettelijk Hof een reeks verzoeken hebben ingediend om het Waals en Vlaams verbod op onverdoofd slachten nietig te laten verklaren. Met andere woorden: ‘Ze willen het nog altijd niet begrijpen.

Zo zou het ook nooit mogen dat iemand in overheidsdienst door zijn kleding of versierselen kenbaar maakt, dat hij of zij neigt naar een religieuze overtuiging. Ook kan een ambtenaar nooit religieuze gewetensnood inroepen om aan een bepaalde plicht te verzaken. Een voorbeeld dat ik me nog altijd herinner is de discussie bij onze noorderburen in verband met het homohuwelijk. Er was toen grote heibel over het feit of Nederlandse ambtenaren van burgerlijke stand op religieuze gronden al of niet mochten weigeren paren van hetzelfde geslacht in het huwelijk te verbinden.

Aan de woorden van de D66 politica Pia Dijkstra hoeft niets te worden toegevoegd: ‘Ambtenaren moeten neutraal zijn en zich te allen tijde houden aan de wet en mogen geen onderscheid maken op grond van hetero- of homoseksuele gerichtheid. Iedereen mag gewetensbezwaren hebben, maar als ambtenaar moet je in de eerste plaats de wet uitvoeren. Gelijke behandeling is een belangrijk recht en moet voor iedereen gelden.’

4) Een ‘echte’ socialist streeft altijd naar een zo rechtvaardige wereld.

In het geopolitieke spel tussen de machtsblokken is België niet veel meer dan een kleine garnaal. Er zullen weinig landen wakker liggen van welke positie ons land inneemt in internationale conflicten. Maar voor onszelf blijven er altijd de nodige ethische vragen. We mogen ons gerust afvragen of wij niet medeschuldig zijn aan talrijke oorlogsconflicten, omdat wij altijd braafjes hebben meegelopen aan het handje van de Verenigde Staten onder de vleugels van de NAVO.

In de Jaren ’70 gaf Henry Kissinger, de toenmalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, deze ongezouten mening: ‘The United States should not and will not respect the electoral process or sovereignty of another country if the results do not please us’. Een zienswijze die tegenwoordig nog altijd als richtsnoer geldt in de buitenlandse politiek van de Amerikanen.

Ik ben een grote voorstander van het opheffen van deze militaire verdragsorganisatie en zou graag de buitenlandse politiek van ons werelddeel in Europees verband te zien.

De meeste oorlogsconflicten brengen altijd een vluchtelingenstroom op gang. Dit heeft tot gevolg dat de tegenstellingen tussen links en rechts in Europa nog groter worden.

Socialistische partijen dienen er rekening mee te houden, dat hun traditioneel kiezerspubliek ook hier het kind van de rekening zal zijn. Om een klein voorbeeld te noemen: langere wachtlijsten voor sociale woningen.

5) Een ‘echte’ socialist kijkt altijd met een anarchistische blik naar het ‘establishment’.

Ik heb nooit een hoge pet opgehad van het misleidende woord ‘rechtsstaat’, omdat je zou kunnen denken dat ‘recht’ hier staat voor ‘rechtvaardigheid’. Dat is natuurlijk een schromelijke vergissing. Rechtsstaat is gewoon een ‘template’, om een moderne term te gebruiken, om een staat te organiseren. Niets meer, maar ook niets minder.

Een socialistische politicus zal zich nooit verschuilen achter het woord ‘rechtsstaat’, maar de wettelijke beslissingen van die rechtsstaat altijd beoordelen op de rechtvaardigheid ervan. En als die beslissingen zouden botsen met dat rechtvaardigheidsgevoel, moet er onmiddellijk iets worden gedaan aan de wetgeving. Hoe kan het bijvoorbeeld nog altijd dat criminelen de dans ontspringen door procedurefouten? En zo zijn er nog veel voorbeelden te vinden. Hoe is het mogelijk dat dronken chauffeurs bij dodelijke ongevallen nog altijd niet zwaarder worden gestraft.

Maar er is nog een zesde punt en dat is waarschijnlijk het belangrijkste. Een ‘echte’ socialist is wars van enige vorm van eigendunk.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Francois Thijs

(1949) is een man van twaalf stielen en dertien ongelukken, maar heeft altijd geprobeerd om te leven naar de regel: ‘Noch meester, noch knecht’.