De gracht aan de macht

 Leestijd: 9 minuten8

Komt links nu aan de macht in Amsterdam of komt de gracht aan de macht en is dat hetzelfde? En, wat belangrijker is, zijn de Nederlanders nu geholpen met de nieuwe machtsgreep in Amsterdam?

Op 27 juni 2018 besluit de gemeenteraad van Amsterdam om bij de benoeming van een nieuwe burgemeester de voorkeur te geven aan mevrouw Femke Halsema. Als we onszelf tooien met alle normen die de discussies van de laatste jaren ons opleggen, horen we wellicht een gat in de lucht te springen. Een vrouw als burgemeester, een voorstander van verdraagzaamheid, politica die er een sport van maakt leiders van extreemrechts als Thierry Baudet en Geert Wilders de boom in te jagen, wat wil een ware progressief nog meer? De site van haar partij, Groen links, zegt er dit over:

Groen links is zeer verheugd met deze voordracht. Zij zal een krachtig boegbeeld worden van onze stad en zich, met alles wat zij kan bieden, “inspannen om een burgemeester van alle Amsterdammers te zijn”.

Opbouw

Femke Halsema (Foto Arno Van den Tillaart – Wikimedia Commons)

Let op de aanhalingstekens, want die staan er niet voor niks. Groen links zegt het niet zelf, maar haalt het aan als een uitspraak van een ander, waarschijnlijk Halsema zelf, die met reserve bekeken mag worden. Niet zozeer vanwege de handtekeningen actie met 7.000 ondertekenaars die Halsema uit de Stopera (het Amsterdamse stadhuis) wilden houden, maar eerder om datgene waarvoor ze staat, en dat is een heel specifieke stroming in het Nederlandse politieke landschap.

Om te begrijpen wat die stroming is, moeten we even terug in de tijd, terug naar het tijdperk waar de Nederlandse politiek zich begon te hervormen en het stijve opbouw denken van na  de oorlog definitief werd verlaten.

De grote bewegingen zijn bekend: in een Amsterdams café richtten enige liberalen en onafhankelijken een feitelijke afsplitsing van de VVD op die D66 ging heten. In de PVDA brak een opstand uit die cumuleerde in het grijpen van de macht door Nieuw Links. In het CDA vielen de progressieven uit het conservatiever wordende schip der kerk, en vormen de Politieke Partij Radicalen (PPR).

Minder bekend is wat er ter linkerzijde, dit wil zeggen links van deze stromingen gebeurde. In Rotterdam, van oudsher een broeinest van politiek-radicaal links vond je het OVB, een verlate voortzetting van het anarchistische NAS. Je vond er ook Trotskistische groepen, en er vestigde zich daar in 1964 een afsplitsing van de CPN die in allerlei varianten een strengorthodox en stalinistisch marxisme begon te prediken, het Marxistisch-Leninistisch centrum, later KEN-ML., het eerste politieke onderdak van ene Paul Rosenmöller en de basis van de latere SP.

In het Centrum en westen van het land, Amsterdam en het Gooi,  waar de onvrede na de ondergang van linkse organisaties als EVC, RSAP en OSB groot was, vestigde zich een radicaal socialistische maar ook pacifistische groep, onder de banier van het Ban de Bom teken, die zich Pacifistisch socialistische partij(PSP) ging noemen.

PSP en PPR gaan een grote rol spelen in de grote maatschappelijke revoltes van de jaren ’60, ’70 en ’80. En daar is een specifieke reden voor. Want hun aanhang bestond vooral uit die specifieke intellectuele generatie die het eerste resultaat was van de massificatie van de universiteiten in de jaren ’60, ’70 en ’80.

De grote groepen studenten , die meest uit gezinnen kwamen die niet gewend waren van gewicht te zijn in de samenleving, roerden zich in een uitbarsting van emancipatiestreven, niet zozeer van hun sociale groep, als wel van zichzelf. Ze braken de oude maatschappij, waar alleen kansen bestonden voor een elite van bestuurders en oude ondernemers, open en aanvaardden niet langer een rigide status quo.

En, zoals dat in de politiek nu eenmaal gaat, wie aan de uiteinden begint te trekken beweegt het midden. Het linkse burgerradicalisme van deze linkse politieke vleugel beroerde het centrum zeer, zodat de politieke beleidslijnen veel meer werden verlegd dan je uit de omvang van deze twee relatief kleine groepen zou kunnen afleiden.

Nederland werd progressief, en de progressiviteit trok aan mensen en groepen. Als eerste ging de CPN van dogmatisch naar open communisme, en verbond zich met de twee. Vervolgens volgde een sterke verlinksing van de PVDA, en de met de beweging gepaard gaande ontkerstening in het land dwong de oude confessionele partijen (na de uittreding van de EVP) tot samenbundeling in het CDA.

Maar ook de liberale vleugel van de politiek paste zich aan, niet wat betreft het belang waar ze voor staan maar wel voor wat betreft de stijl, zodat een jongensachtig elan, met een vrijheid-blijheid ideologie succesvol zijn intrede deed. Wiegel was hip, en Ed Nypels helemaal.

In de botsing van de 70-er en 80-er jaren bleek dat tegenover het rechtse blok van liberalen en CDA  echter geen echt linkse doorbraak kwam. Om het met dat prachtige Nederlandse woord aan te duiden: links sneefde.

Rosenmöller

Maar de vraag was wat er precies sneefde. Zeker was dat het links ontbrak aan een specifiek eigen economisch plan. Den Uyl kon geen alternatieve politiek  waar maken en al snel drongen de geluiden van het derde weg-socialisme de PVDA binnen, die onder Kok de PVDA zouden ombouwen naar een centrum-liberale partij, vergelijkbaar met de Engelse Blairites.

En was dat het enige probleem? Nee, het bleek al in de tachtiger jaren dat er een fundamentele verdeeldheid op links bestond, niet zozeer door het bestaan van zoveel partijtjes (waarvan er 4 in 1989 zouden opgaan in Groen links), maar vooral omdat binnen  links de massa van halfhoog geschoolden, die uit de universiteiten en hogescholen waren gekomen, niet of nauwelijks op een lijn te brengen waren met de traditioneel arbeidersaanhang van CPN en deels de PSP.

Het bleek al in de tachtiger jaren dat er een fundamentele verdeeldheid op links bestond

Het denken in maatschappelijke termen botste scherp met het geleidelijk aan groeiende narcisme van de nieuwe intellectuelen: de individuele bevrijding, het eigen beleven, de vrijheid en culturele verrijking overwoekerden de traditionele solidariteit en het zorgdenken.  Een aloud verbond tussen intellect en arbeid ging geleidelijk ten onder. Het is dit gevecht waarvan La Halsema, als leider van de zich liberaal noemende vleugel in Groen links, het product is.

Hoe ging die overgang in zijn werk? Het begon allemaal met een brief, geplaatst in Bevrijding, het blad van de PSP in 1988. Onder de ondertekenaars Paul Rosenmöller, vakbondsactivist. Zij hadden het plan m aan machtspolitiek te gaan doen, wat door de verdeeldheid van klein links niet mogelijk was. Daarom moest ‘klein’ links verenigd en moest de koers om, weg van het ‘utopisch’ denken.

Rosenmöller zou dat later betitelen als ‘van negatief-kritisch naar constructief’. De principiële pacifist Van der Spek was al geloosd, en het partijkader van de PSP bleek, zoals hierna zou blijken zeer dirigeerbaar. De eerste move was de fusie, doorgedrukt ondanks krachtig verzet van voormalige ideologen. Daarna volgde een vijftal jaren van interne strijde om richting en leiderschap die in 1994 beslecht werd doordat de voor haar linkse koers verkozen lijsttrekster Ine Brouwer na een electorale nederlaag aftrad waardoor de groep Rosenmöller haar kans kreeg en greep.

Na zijn greep verstevigd te hebben in 1998 begon Rosenmöller  geestverwanten binnen te halen waaronder ene Femke Halsema, sociaaldemocraat, lid van de PVDA en medewerker van het studiebureau van de PVDA, de Wiardi Beckmanstichting. Rosenmöller had haar gevraagd, ze was niet gekozen, en ze werd eenvoudig geparachuteerd.

Fortuyn

En wie was die Halsema dan wel? In 1966 geboren deed ze de pedagogische Academie om daarna geschiedenisleraar te willen worden, iets wat ze na 3 jaar opgaf. Na een jaar in een Utrechts café in 1988 begint ze aan de Universiteit een studie sociale wetenschappen criminologie met de gebruikelijke stages en assistentschappen waarna ze ook werkelijk afstudeert en bij de WBS gaat werken in 1993.

Daar leerde ze het essayistisch schrijven, kwam er figuren als Paul Scheffer en Paul Kalma tegen. WBS was bepaald geen studiecentrum van links, eerder een denktank van de derde weg (het was de tijd van de regeringen Kok), en dat verklaart deels de opvattingen die Halsema ontwikkelde.

Toen Rosenmöller uitvoerders van zijn nieuw gekozen lijn zocht, kon hij ze bij WBS wel vinden. Halsema bleek loyaal zolang Rosenmöller er was, en dat was niet lang, want onder druk van de vele bedreigingen na de dood van Fortuyn, een voormalige CPN-er die het tot demogoog had gebracht,  trok hij zich in 2001 terug uit de politiek en had Halsema het rijk voor zich alleen. En waarover ging haar rijk dan?

In 2001 was Groen links  voor de onderste lagen van de bevolking opgehouden een begrip te zijn. Die kozen voor de demagogie van Fortuyn of het arbeiderisme van Marijnissen en de Rotterdamse Remy Poppe. Wat overbleef was de massa van het intellectoraat. En dat explodeerde  in omvang alsmaar sneller vanaf 1960: de groei tussen 1995 en 2017 was maar liefst 70% , en de aantallen Hbo-studenten stegen tot het indrukwekkende getal van 560.000 studenten in 2017.

Het intellectoraat is groot en groeiende zodat het nu naar schatting circa 60% van de bevolking beslaat. Halsema groeide mee, haar aanhang steeg in de verkiezingen en daarmee, zoals bij haar voorganger, haar macht. Verkiezingen worden alleen niet gewonnen door pure machtsuitoefening, maar door het verkondigen van denkbeelden die kiezers mooi vinden. Rosenmöller en Halsema begrepen heel goed dat de golf nieuwkomers van het intellectoraat het niet prettig vond door hun partijsympathie recht tegenover de maatschappelijke verhoudingen te komen te staan. Dus zei Rosenmöller dat de partij constructief was, en nu zei Halsema dat ze een ‘linkse liberaal’ was en dat haar Groen Links de laatste linkse liberale partij was. In 2005 kwam ze met een manifest ‘Vrijheid en eerlijk delen‘, waarin en passant gepleit werd voor een soepeler ontslagrecht, een laatste natrap tegen alles wat er aan  progressieve onderklassen was overgebleven. Ze kreeg er van de JOVD, de jongerenorganisatie van de VVD, de prijs van de Liberaal van het jaar voor.

Liberaal

Maar langzamerhand begon het toch tot de partijachterban door te dringen dat ze in hun zelfvoldaanheid een groep aan boord hadden gehesen die heel iets anders voorstond dan de rank and file van de partij. De idealen werden stomweg opgeheven, en er klonk nu alarm. Van 2006 tot 2010 werd er hevige interne strijd geleverd, maar toen er in 2010 bij de verkiezingen voor het partijleiderschap ostentatief alleen gekozen kon worden tussen Halsema en Halsema was de maat vol. December 2010 was het einde van haar leiderschap.

Maar nog niet van haar fractie. Jolande Sap werd in allerijl in het zadel gehesen. Die kondigde prompt de nieuwe vluchtweg van de factie aan: een fusie tussen D66, PVDA en Groen links. Aanvankelijk lieten de leden haar begaan, maar toen bleek dat zij een principieel totaal onaanvaardbare deelname aan een militaire missie naar Afghanistan had doorgedrukt door te dreigen met haar partijleiderschap tegenover een unaniem opponerende Kamerfractie was het gedaan: een liberale Groenlinkskoers zou niet meer publiekelijk bestaan.

Het tegendeel blijkt nu bij de verkiezing van de Amsterdamse burgemeester, en ook worden weer dezelfde handigheden van stal gehaald die ook in het verleden door deze groep gebruikt werden om de partij in de hand te houden. Rutger Groot Wassink  installeert een, zoals hij zegt, ‘super links college en gemeenteraad’ in Amsterdam, waarna het begint te zoemen in Amsterdam dat ‘dan wel Halsema in het zadel geholpen zal worden’.

Daarna stilte met een Halsema die half giechelend verkondigt dat ze nog niet weet of ze burgemeester wil zijn. Dan een eerste verkiezing, waarbij blijkt dat allerlei kandidaten om mistige reden worden weggebonjourd, maar waarbij kennelijk nog niet de overtuiging bestaat dat nu al moet worden toegegeven aan de eisen van de liberale factie.

En dan de tweede ronde waar plots als een duveltje uit een doosje Halsema tevoorschijn tjoept en roept: ‘Ik ben de nieuwe burgemeester’’. Geen publieke campagne, geen voorstelronde, geen openbare afweging, etc. , net zoals bij vorige gelegenheden. Dezelfde beroerde bestuurscultuur, waar haar partijleider Jesse Klaver zo graag vanaf zegt te willen komen, heeft hier weer een beslissende slag geslagen en wel in dat ‘super linkse’ gemeentebestuur.

Halsema laat weten alle Amsterdammers te willen verenigen. Over zondaars met berouw niets dan goeds, maar spreekt hier berouw?

En dan laat ze weten alle Amsterdammers te willen verenigen. Over zondaars met berouw niets dan goeds, maar spreekt hier berouw? Want wat bedoelt ze? Een aanwijzing zou kunnen zijn haar optreden bij De Correspondent, waar ze na haar Kamer-carrière enkele jaren fungeerde. Verenigen deed ze daar niet zoveel. Enkele citaten uit die periode, reacties van haar  op mensen die commentaar op haar stukken hadden:

12-11-2013:’’ Politici die zich misdragen kunnen niet genoeg worden gecontroleerd. Maar graag met de feiten, niet met amateur psychologisch dedain.’’

En: ‘’Jij schiet in de overbekende kramp als er kritiek op de critici wordt geventileerd. Bovendien, oppositie is machtscontrole, dat is niet aan jou als don Quichote voorbehouden.’’

14-1-2014: ‘’Maar blijkbaar @ Sjonk lees je slecht, wellicht om je vooroordelen niet te verliezen.’’

21-3-2014: ‘’Voordat je in je zoveelste oeverloze tirade tegen mij vervalt, google gewoon eens mijn naam ……’’

1-4-2014: ‘’Loop eerst eens oude debatten na, check wat ik gedaan heb, voor je iets roept.’’

Echt verenigend kun je die toon niet noemen. Niet raar dat de NRC op 27 juni 2018 kopt: ‘’Femke Halsema, raspolitica met een stekelig karakter.’’ Zijn het alleen stekeligheid en handigheid in politieke manipulaties die een mens kenschetsen?

Nee, er is wel wat meer. La Halsema werpt zich ook op als de ontwerpster van een nieuwe ideologie, eentje die past bij haar streven het jonge  intellectoraat te ontdoen van belastende schuldgevoelens tegenover de verlaten onderklasse van de samenleving. Die zet ze onder meer uiteen in een artikel in de Groene van 17 mei 2017.

Identiteit

Voor haar gaat de recente politieke geschiedenis om het vraagstuk van de identiteit, paradoxaal genoeg omdat ze identiteitspolitiek ongerechtvaardigd vindt. Ze start eigenhandig een nieuw historisch paradigma, waarin de jaren zestig draaiden om identiteitspolitiek. Leuzen uit die tijd  als ‘’ het persoonlijke is politiek’’ en ‘’wij eisen geluk nu’’ worden door haar geherformuleerd tot identiteits-eisende stellingen in plaats van de vraag om maatschappelijke  kansen en ontplooiing die ze waren.

De geschiedenis wordt een geschiedenis van de strijd om de identiteiten en dat is, onderwijst ze wijs, geen goede strijd want identiteit zou niet bepalend moeten zijn. Dan volgt een schets van hoe zeer de frustratie van het onbereikbare vanaf de zeventiger jaren toesloeg, met onmiddellijk weer een uithaal naar die vervelende lieden uit de zestiger en zeventiger jaren, die eenmaal zelf volwassen hebben moeten vast stellen dat het allemaal niet zo’n rozengeur en maneschijn is en daarom maar met hun door frustratie gestuurd gedrag Trump (en Fortuyn en zo) veroorzaakt hebben.

In een handomdraai zijn zo haar opponenten binnen links als eigenlijke veroorzakers van Trump benoemd. Het komt niet in haar op om eigenlijk eens na te gaan wie de mensen zijn die echt op Trump stemden, want daar zaten niet veel leden van het intellectoraat bij. Ze gaat de identiteitspolitiek eenvoudigweg omdraaien: niet het streven naar erkenning van identiteit en opkomen voor de rechten ervan vormen de geschiedenis maar juist het omkeren ervan, namelijk het niet meer door en in je identiteit beperkt zijn. Geen identiteit als gevangenis, maar juist je los maken van het vraagstuk van de identiteit is bevrijding.

Het zou mooi zijn als dat het probleem van Nederland was. Maar het is alleen het probleem van de grachtengordel. Amsterdam is, zoals het heet , gegentrificeerd. Het betekent dat de stad voor de Gentry (=lage adel) van het intellectoraat is ingericht en omgebouwd. De normen en cultuur van de gracht worden door de rest van het land niet gedragen en herkend. Debatten over zwarte piet, gender en allochtoon bewustzijn, zijn grotendeels Amsterdamse debatten. Huizenbouw en – inrichting in Amsterdam wordt afgestemd op de smaak van de Gentry, die het ook als enige kan betalen. Sociale woningbouw zit in de verdrukking en het prijspeil beperkt de toegang tot de binnenstad voor de lagere klassen. Halsema preekt ook niet voor hen, zij preekt voor de midden en hogere inkomens, voor de mensen met een goede opleiding, voor hen die het zich kunnen permitteren om te zeggen dat het allemaal om hun vrijheid en identiteit gaat.

De nieuwe burgemeester is nog niet eens in functie en de hoffelijkheid gebiedt ons haar een kans te geven. Maar dat het er met het democratisch gehalte van de stad op vooruit zal gaan, om dat te geloven moet je toch wel een heel liberaal denkend mens zijn.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Maarten van den oever

Maarten van den oever is schrijver-cultuurcriticus en uitgever. Hij is voorzitter van de stichting Dubitatio Liberat.