Eureka: een transitkamp!

 Leestijd: 6 minuten0

Even leek het “Eureka!” voor Europa. Wat aanvankelijk het plan-Tusk heette, ontstond vanuit hoogdringendheid. Italië leek wel een Viségradland te zijn geworden, door te weigeren nog langer boten met migranten in haar havens te ontvangen. Ondertussen plaatste de Duitse minister van Binnenlandse Zaken Ernst Seehofer (CSU) dynamiet onder de nog prille Duitse regering Merkel IV door te pleiten voor het sluiten van de nationale grenzen en een strikte toepassing van het fameuze Dublinakkoord. In eigen land pleit staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken (N-VA) om de haverklap voor ‘pushbacks’.

Hoezeer de woordenschat en handelswijze van elk land ook verschilt, over één ding zijn ze het allemaal eens: er zijn legale en illegale migranten. Die moeten worden gesorteerd – “getrieerd” – opdat illegale – economische – migranten de Europese Unie niet langer binnenkomen. Er is immers geen toekomst voor hen: ze ontvluchten geen oorlog en maken dus geen kans op asiel. Ondertussen leven ze echter wel in Europa, maar door hun staatloze natuur hebben ze rechten, noch plichten. Het is dit verschil dat niet alleen de betrokkenen zelf in de problemen brengt, maar ook het land dat over hun aanwezigheid wil beslissen.

Syrisch vluchtelingenkamp aan de Turkse grens (Foto: Wikimedia Commons)

Mensenrechten

Landen beroepen zich op hun soevereiniteit om te beslissen over het lot van hun burgers, zij die toegelaten worden om een bijdrage te leveren aan de politieke ruimte waarin ze vertoeven. De (economische) vluchtelingen die in Europa, maar ook elders zich al dan niet permanent vestigen, verblijven dan wel in een politieke ruimte, maar zonder burgerrechten. Alleen mensenrechten resten hen.

Hoewel alle landen binnen de Europese Unie de mensenrechten bijna als een evidentie erkennen, is de toepassing ervan niet noodzakelijk gewaarborgd. Het heeft bijvoorbeeld enkele veroordelingen door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens gekost vooraleer de Belgische regering een einde maakte aan het opsluiten van kinderen in gesloten asielcentra.

Het recente, voorlopige migratieakkoord dat een einde wil maken aan de instroom van vluchtelingen in Europa stelt twee centra voor waar vluchtelingen kunnen worden vastgehouden in afwachting van een eventuele asieltoekenning. Binnen Europa zouden bereidwillige landen op enkele plekken vluchtelingen gaan ‘sorteren’, terwijl bereidwillige landen uit Noord-Afrika vluchtelingen zouden opvangen vooraleer ze de Middellandse Zee oversteken. Europa zou ter compensatie logistieke en financiële steun leveren. Ondertussen houdt Angela Merkel haar minister en kartelpartner Seehofer zoet door hem ‘transitcentra’ te beloven op de grens tussen Duitsland en Oostenrijk. Een kamp meer of minder, het lijkt de nieuwe pasmunt te zijn geworden om bevriend te blijven in Europa.

Binnen versus buiten

Het idee om mensen van hun vrijheid te beroven en hen vast te houden, terwijl hun lot onduidelijk is en er ook geen duidelijke aanklacht tegen hen loopt, druist in tegen de mensenrechten. Maar welke kracht dwingen die af? Want hoe definieer je een mens die als illegaal wordt bestempeld? Wat heb je aan mensenrechten als de plek waar je bent, je niet ten volle erkent? De plek waar migranten worden vastgehouden – welke naam ze ook krijgt – is bij uitstek een ‘liminaal’ gebied: soms letterlijk, maar altijd figuurlijk op de grens tussen ‘binnen’ en ‘buiten’. Iemand wordt binnen een land ergens buiten gehouden.

Dit principe wordt door de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben – in navolging van Michel Foucault – de ‘insluitende uitsluiting’ genoemd. Het is ook het principe van de ban en wordt door Agamben zelfs het fundamentele constituerende politieke element genoemd.

Taal werkt eveneens op die manier: elke betekenisafbakening bepaalt ook wat buiten die betekenis valt. Het klinkt als een evidentie, maar het heeft verstrekkende gevolgen. Het heeft immers, in de westerse politieke geschiedenis ervoor gezorgd dat er sprake kon zijn van burgers die tot de staat behoren en zij die erbuiten vallen.

Waar voorheen het recht van de geboortegrond (ius soli) en het recht van het bloed (ius sanguinis) een evidentie waren voor het burgerschap, is men sinds de Franse revolutie beginnen morrelen aan die bepalingen.

Paradoxaal genoeg, betoogt Agamben, is het de instelling van de ‘Déclaration des droits de l’homme et du citoyen’ – de titel spreekt boekdelen – uit 1789, die ervoor gezorgd heeft dat er een mogelijk interpretatieverschil kan ontstaan tussen ‘het naakte natuurlijke leven’ en ‘het burgerschap’. Burgerschap wordt zo een dubbelzinnig begrip, dat als ‘lidmaatschap van de soevereine macht’ kan afgezet worden tegen het natuurlijke leven.

Heilige mens

Reeds in de Griekse oudheid was er sprake van een onderscheid tussen het (gereproduceerde) leven an sich, de ‘zoè’ en het politieke leven, de ‘bios’, waarin mensen streven naar een deugdzaam bestaan binnen de polis. Deze opdeling tussen een privaat leven en een ‘burgerlijk’ leven is sindsdien steeds meer diffuus geworden. Volgens Foucault ligt de wortel daarvan in het instrumentaliseren en ‘managen’ van het biologische leven, een nieuwe manier van omgaan met het leven binnen een politiek bestel na het ancien régime, waarin een soevereine vorst besliste over leven en dood.

De focus verschuift van de willekeur van de dood naar een controle over het leven, dat zich steeds weer laat corrigeren op het al dan niet naleven van normen. Waar er oorspronkelijk nog een natuurlijk leven was dat zich ten goede moest laten gelden binnen de polis, is er vandaag al sprake van een controle over dat natuurlijke leven of beheer van mensen, nog voor die daar zelfs maar enig autonoom beslissingsrecht over heeft kunnen uitspreken.

Het wegvallen van het onderscheid tussen een dierlijk, natuurlijk leven en het politiek gekwalificeerde leven en de inbezitname van het eerste door het tweede, is voor Agamben reden om de positie van de hedendaagse mens te kwalificeren als ‘homo sacer’.

Deze ‘heilige mens’ – letterlijk en figuurlijk een randfiguur uit het oude Romeinse recht – bestond als verpersoonlijking van de ban. Ook haar oorsprong en betekenis is in nevelen gehuld. Al lijkt het te verwijzen naar het oude, religieuze gebruik om zijn leven aan de goden te wijden, door middel van een eed.

Normaal gezien bewerkstelligt de dood het verdwijnen uit de gemeenschap, maar soms is er ook een andere reden, terwijl de persoon in kwestie wel nog leeft. Deze onnatuurlijke verwijdering van de ‘homo sacer’ zorgt ervoor dat deze mens alleen nog een virtueel teken wordt, als een rechteloze dubbelganger van zichzelf. Uitgesloten van de samenleving en alleen nog verbonden door een band met de fysieke dood, als in de verwijdering, en zonder toe te behoren aan de wereld van de afgestorvenen die via de religie een onvoorwaardelijke band met leven en dood hadden. Hij kan gedood worden, maar niet geofferd.

Ongelijke strijd

Het is deze ogenschijnlijk bizarre dubbele eigenschap die de ‘homo sacer’, het naakte leven verbindt met de uitzondering. Agamben betoogt dat deze heiligheid in de huidige uitoefening van biopolitiek steeds meer gaan samenvallen is “met het biologische leven van de burgers zelf.” Er is geen echte ‘homo sacer’ meer, maar alleen nog een gemeenschap van allemaal potentiële ‘homines sacri’.

Door als soevereine macht niet alleen te kunnen beslissen over het politieke leven, maar ook over het natuurlijke – denk maar aan de uitzonderingstoestand die ingrijpend het natuurlijke leven aan banden kan leggen, maar ook aan allerlei andere controlemechanismes zoals bijvoorbeeld camerabewaking – is er met andere woorden een onevenwicht bewerkstelligd waartegen een loutere verdediging van mensenrechten niet is opgewassen. Zij voert immers steeds weer een ongelijke strijd tegen de actoren van de macht, die zich beroepen op haar soevereiniteit.

Hannah Arendt schreef over het failliet van de mensenrechten wanneer die niet konden worden gegarandeerd door naties die zeiden erin te geloven. Agamben schrijft terecht dat het natuurlijke leven pas echt gepolitiseerd werd eens het via de Verklaring van de Rechten van de Mens (en de burger) uit 1789 op de voorgrond trad. Met de opkomst van de natiestaat en het natieve element, dus het lidmaatschap door geboorte, werd dit leven plots zowel “bron als drager van het recht”.

Crisis van de soevereiniteit

De zogenaamde Wereldoorlogen en vandaag ook het globale kapitalisme hebben vele mensen op de vlucht gedreven en staatloos gemaakt. De bevolkingsgraad van heel wat landen groeit aan met mensen die er niet zijn geboren en geen feitelijk ‘lid’ of burger zijn. Het zorgt voor een crisis van de soevereiniteit die zich wil beroepen op de insluiting van de mensen die op haar grondgebied leven.

Op deze toestand vinden natiestaten tot op de dag van vandaag geen antwoord en elke poging ertoe onderwerpt steeds weer de vluchteling aan een beroving van diens vrijheid.

Dat leidt tot paradoxale systemen waarin personen in transit worden vastgehouden in ‘transitcentra’. Wie eenmaal wel asiel krijgt, ondergaat in feite een soort tweede geboorte, door zich in te schrijven als burger en een contract als bijvoorbeeld de ‘Nieuwkomersverklaring’ in België te ondertekenen.

Maar ook de verdedigers van de mensenrechten kunnen door hun scheiding van het politieke aspect nooit meer bewerkstelligen dan “het reproduceren van de afzondering van het heilige leven, waarop de soevereiniteit berustte”. Agamben pleit er dan ook voor om de mensenrechten los te koppelen van het statuut van de vluchteling, want dat komt nooit in de buurt van de burgerrechten. De vluchteling is een grensbegrip dat de fictie van de soevereiniteit op scherp stelt. Daarom moet het fundament ervan, de band tussen geboorte en natie, radicaal herdacht worden. alleen zo kan de uitsluiting van het naakte leven een halt worden toegeroepen.

Alle kampen of centra ten spijt, ze bevinden zich steeds in een hybride wereld tussen feit en recht. Ze worden namelijk uitzonderingen op de regel, maar door ze te installeren, worden ze deel van het recht dat de uitzondering toevoegt. Ingesloten via uitsluiting. De uitzondering wordt normaal.

De uitzonderingstoestand wordt niet erkend, maar gecreëerd. Het huidige dromen van centra in binnen- of buitenland lijkt op het eerste gezicht realistisch, maar het is alleen realistisch door het droomkarakter werkelijkheid te laten worden. En steeds meer zoeken naties de oplossing voor hun probleem buiten de eigen natie, ofwel via de uitzondering binnen de grens ofwel via de uitzondering buiten de grens via een bilateraal verdrag.

Geen enkele vluchteling kan op zo’n plek burgerrechten laten gelden en hun verblijf hangt af van de goodwill van de uitvoerders van de wet die buiten de normale orde opereren. En de mensenrechten, die binnen Europa afdwingbaar zijn, worden voor de hardliners in de Europese politiek liefst helemaal buitenspel gezet door de loutere verblijfstatus illegaal te willen maken of het probleem te verplaatsen naar een land buiten de Europese Unie.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Lieven Van den Weghe

Freelance journalist