De problematische conclusies van Ico Maly


In zijn boek ‘Nieuw rechts’ biedt Ico Maly een originele kijk op internetfenomenen die mee het politiek debat vormgeven aan beide zijden van de Atlantische Oceaan. Op twee vlakken vergist Maly zich: enerzijds in verband met het Amerikaanse politiek landschap en anderzijds – en in mijn ogen problematischer – over de redactionele verantwoordelijkheid van technologiebedrijven.

Voor zij die een eerste keer de presidentiële verkiezingscampagne in de Verenigde Staten volgden en hun nieuws vooral via de sociale media haalden, biedt ‘Nieuw rechts’ een unieke inkijk. ‘Nieuw rechts 2.0’ verovert de sociale mediasfeer. Het doet dat met doelgerichte, online communicatie, met memes, met een trollenleger, met een discours van antiverlichting en occasioneel fake news.

Donald Trump heeft de techniek onder de knie; de succesvolle campagne van 2016 was daarvan het sluitstuk – of slechts de aftrap? Dit ‘nieuw rechts’ is een internationaal fenomeen – van Trump over AfD en Marine Le Pen tot Geert Wilders en de N-VA – zowel op vlak van inhoud als van stijl.

Donald Trump (Foto Gage Skidmore – Flickr)

‘Ruk naar rechts’

Mijn kritiek op Maly’s werk is tweeledig. Enerzijds oppert hij enkele misvattingen over het Amerikaanse politieke landschap. Anderzijds vind ik zijn conclusie over de redactionele verantwoordelijkheid van technologiebedrijven problematisch.

Het boek stoelt op de premisse dat de politiek internationaal een “ruk naar rechts” maakt. De verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten is het symbolisch orgelpunt van die evolutie. Maar bestaat die ruk naar rechts wel? Een Republikein in het Witte Huis – ook al is die van het kaliber-Trump – betekent nog geen algemene maatschappelijke verrechtsing.

Illustratief hiervoor is de ‘popular vote’, de verdeling van het totaal aantal stemmen onder de twee belangrijkste presidentskandidaten in de VS, zonder het ingewikkelde systeem van het kiescollege in acht te nemen. Hillary Clinton haalde bijna drie miljoen stemmen meer dan haar tegenstander, wat Maly ook vermeldt. In de VS gebeurt het wel vaker dat de kandidaat met minder stemmen achter zijn naam uiteindelijk president wordt.

Hierbij komt dat al tijdens de campagne – vooral bij de Democratische voorverkiezingen onder impuls van Bernie Sanders, een zelfverklaarde democratische socialist – maar vooral ook daarna, het debat ter progressieve zijde aanzienlijk herleeft. Universele gezondheidszorg was één van de speerpunten van de campagne van Bernie Sanders. Meer dan een jaar nadat hij de duimen moest leggen tegen Hillary Clinton, blijkt dat 62 procent van de Amerikanen voorstander is van universele gezondheidszorg voor iedereen. Zelfs meer Republikeinen zijn vóór een dergelijk systeem dan tegen. Verder lijken onder meer de campagnes voor strengere wapenwetten en voor betere lonen de wind in de zeilen te krijgen.

Amerikanen identificeren zich niet noodzakelijk als links of rechts, als liberal of conservative. Wanneer los van alle labels gepeild wordt naar de issues, dan blijken ze vaak progressiever (en linkser) dan algemeen wordt aangenomen. Hierbij merken we op dat de Amerikanen tot tweemaal toe Barack Hussein Obama, een Afro-Amerikaan met een Midden-Oosters klinkende naam, tot president kozen. Werd de VS in minder dan een decennium opeens zoveel rechtser of racistischer? Of is de “ruk naar rechts” eerder een gevoel als gevolg van enkele bijzonder opzichtige mediafenomenen?

Ideologie

‘Nieuw rechts’ leert de lezer te weinig over de ideologie van dat ‘nieuw rechts’. Migratie en racisme worden aangehaald, maar op economisch vlak blijft de lezer op zijn honger zitten. Als lezer verwachten we ook meer over de overeenkomsten tussen Trump en bijvoorbeeld de N-VA in Vlaanderen, Geert Wilders in Nederland of Marine Le Pen in Frankrijk, op communicatief vlak maar ook op inhoudelijk, ideologisch vlak.

Trump heeft geen ideologie, maar wel een verhaal. De Democraten hadden ideologie noch verhaal

Een verklaring voor het gebrek aan ideologische duiding van de politieke ideeën, zou kunnen zijn dat Donald Trump helemaal geen ideologie hééft. Hij draait met de wind, verandert van mening nog voordat hij een zin kan uitspreken en lijkt het altijd eens te zijn met de laatste persoon die hij sprak. Trump is geen ideoloog, maar wel een rijkeluiszoon en een opportunist. Zijn kiescampagne stond bol van de tegenstrijdigheden. De linkerzijde werd gepaaid met een protectionistisch discours. Vrijhandelsakkoorden waren volgens Trump verantwoordelijk voor de economische malaise waarin grote delen van het land zich bevinden. Hij sprak zich al vroeg uit tegen het Trans-Pacific Partnership (TPP).  Trump deed zich ook voor als anti-oorlogskandidaat. Hij zou de troepen terugtrekken uit Afghanistan en al die verspilde miljarden besteden aan de heropbouw van de VS.  Hij stuurde aan op detente met Rusland, hetgeen een nucleaire confrontatie minder waarschijnlijk maakt. Hij sprak zich in een interview zelfs uit voor universele dekking in de gezondheidszorg, tot grote ontsteltenis aan conservatieve zijde. Neoliberalisme was geen “cruciaal element in Trumps discours”, zoals Maly zegt, maar net opvallend afwezig in zijn campagneretoriek.

Hier tegenover stonden de Democraten met Hillary Clinton, die na een twijfelachtig proces van voorverkiezingen de presidentiële nominatie binnenhaalde ten koste van de progressieve Bernie Sanders. Clinton – die helemaal niet “startte als radicale feministe”, zoals Maly beweert, maar als voorstander van de oerconservatieve Republikein Barry Goldwater in de aanloop naar de presidentsverkiezingen van 1964 – kon niet op tegen Trumps economisch populisme met een racistisch sausje. Clinton was bijvoorbeeld tot ver in de campagne voorstander van het TPP, tot ze op de valreep van mening veranderde. De campagne was een aaneenschakeling van identiteitspolitiek en platitudes als ‘stronger together’, ‘break down the barriers’ en ‘love trumps hate’, waar geen politieke aantrekkingskracht (meer) vanuit gaat, na de ontgoocheling van acht jaar Obama. De Democraten waren de anti-Trump, en verder niets …

Trump heeft geen ideologie, maar wel een verhaal. De Democraten hadden ideologie noch verhaal.

Mediamix

Dan komen we bij de sociale media, een sleutelingrediënt in de Trumpiaanse mediamix. De polemiek en de dagelijkse verontwaardigingsindustrie werden aangevuld met sociale media, in de eerste plaats Twitter, waar Trump vrijuit zijn doelpubliek kon bereiken. Op die sociale media werd hij gesteund door een heel leger MAGA-activisten (Make America Great Again) en andere aanhangers. Eerder obscure rechtse en soms nazistische websites als The Daily Stormer en Breitbart werden volop gedeeld door deze online warriors, aangevuld met memes, Pepe the Frog en fake news-verhalen.

Maly’s verdienste is dat hij een originele inkijk biedt in deze internetfenomenen. Wie maar weinig surft, of enkel naar de Vlaamse en Nederlandse mainstream media kijkt en luistert, had allicht nog nooit gehoord van Breitbart of Pepe the Frog. Of van 4chan en darkweb.

De vraag die we ons kunnen stellen is in hoeverre gebruikers worden beïnvloed door memes en grappige afbeeldingen op internet, ook al hebben die een groot bereik. Is het niet denigrerend voor het grote publiek om de invloed van internettrollen te overschatten? Gaan sociale mediagebruikers plots voor Trump stemmen omdat ze een slecht gephotoshopte meme van Hillary Clinton te zien krijgen in hun Facebook-tijdlijn? Hetzelfde geldt voor het Vlaamse online medialandschap. Maly haalt de Facebook-groep Schild & Vrienden aan, met een paar duizend volgers. Of Generatie Identiteit, met 1.700 likes. Dit zijn bescheiden cijfers, waardoor we ons toch vragen kunnen stellen bij de invloed ervan.

Antidemocratie

Problematisch in mijn ogen is wanneer Maly sociale media- of andere online activiteit, van welke politieke strekking dan ook, op een hoopje gooit met antidemocratie. Twitter en vooral Facebook maken gebruik van ingewikkelde algoritmes om te bepalen wat iemand wel of niet te zien krijgt. De exacte werking ervan is een goed bewaard geheim, zoals het recept van Coca-Cola. Bovenop die algoritmes grijpt Facebook-personeel ook redactioneel in, zo erkent Maly. Beeldmateriaal dat door Facebook als aanstootgevend wordt ervaren, zal worden geweerd. Dit is een redactionele interventie.

Maly stelt echter tegelijk dat grote mediabedrijven hun “redactionele en maatschappelijke verantwoordelijkheid ontlopen”, hetgeen ertoe “bijdraagt dat antidemocratische stemmen via de sociale media en via zoekmachines een gigantisch publiek kunnen bereiken”.

Maar zouden we willen dat een handvol miljardairs in Silicon Valley bepaalt wat we wel of niet te zien krijgen, wat democratisch is en wat niet, wat valt onder de vrije meningsuiting en wat niet? Dit is nu al het geval – vandaar het “redactioneel ingrijpen” waar Maly over spreekt – maar hier lijkt het alsof Maly pleit voor een doorgedreven censuur van zogenaamd “antidemocratische” stemmen. Maar wie bepaalt wat antidemocratisch is? Vandaag kunnen we alt-right of extreemrechtse websites in die categorie onderbrengen. Morgen is het misschien de linkerzijde die gecensureerd en gecriminaliseerd wordt.

‘Kwaliteitsjournalistiek’

“Algoritmes bepalen welk nieuws we te zien krijgen en welk nieuws verborgen blijft. De bedrijven wijzen echter elke redactionele verantwoordelijkheid daarvoor van de hand”.

Dat is enigszins misleidend. Grote mediabedrijven, Facebook en Twitter, kloppen zich op de borst dat ze wel degelijk bepaalde inhoud op hun platforms censureren. Zowel Facebook als Twitter lieten hun gebruikers al weten zogenaamde Russische propaganda te verwijderen.

Verder lezen we: “Vanuit het perspectief van de kwaliteitsjournalistiek is fake news een te bekampen fenomeen”. Hiermee zijn er twee problemen: ten eerste bestaat er geen definitie van kwaliteitsjournalistiek. Ten tweede bestaat er ook geen definitie van fake news. Maly raakt dit al kort aan als het gaat over de rariteitenkabinetten in de (extreem)rechtse periferie, zoals InfoWars van Alex Jones of complottheoreticus Mike Cernovich.

De misvatting hier is dat fake news bijna uitsluitend uit rechtse of anti-establishment-hoek komt, of van kleine blogs of alternatieve media aan linker- of rechterkant. Maar de zogenaamde kwaliteitsmedia bezondigen zich hier eveneens aan, en dat op regelmatige basis. De New York Times deed in 2002 volop mee met de hype van de massavernietigingswapens in Irak.

De zogenaamde kwaliteitsmedia bezondigen zich eveneens aan fake news. De New York Times deed in 2002 volop mee met de hype van de massavernietigingswapens in Irak

Fake news, met honderdduizenden doden als gevolg. De Washington Post sloeg ruim een jaar geleden alarm omdat “de Russen” zogezegd het elektriciteitsnet in de staat Vermont hadden gehackt.  Er was niets van waar, het was fake news. Maar de schade is er wel, ondanks de rechtzettingen die doorgaans onder de radar blijven.

CNN moest onlangs nog op enkele uren tijd meermaals van positie veranderen omwille van e-mails die een samenzwering tussen Trump en “de Russen” moesten bewijzen.  Het was allemaal fake news, en de gevolgen zijn bijzonder ernstig. Waarom zouden we de zogenaamde ‘kwaliteitsjournalistiek’ – en we gaan er gemakshalve van uit dat Maly doelt op de hier aangehaalde ‘gevestigde waarden’ in nieuws – vertrouwen om lezers en kijkers te beschermen tegen welke vorm van vals nieuws dan ook?

Democratische controle

Maly heeft een punt als hij het heeft over de quasi-hegemonie van rechtsconservatief gedachtegoed in het intellectueel debat. Met allerlei denktanks slagen ze erin de opiniepagina’s van de zogenaamde kwaliteitskranten te vullen. De groep opiniemakers van de New York Times is zo hard naar rechts opgeschoven dat zelfs de redactie erover begint te klagen.

Grote mediabedrijven dragen een verpletterende verantwoordelijkheid voor de opkomst van Trump omdat er nu eenmaal grof geld aan verdiend wordt. Zijn overwinning was een voorlopig hoogtepunt (of eerder dieptepunt) van een doorgedreven carnavalisering van de politiek, waarin nog amper over inhoud wordt gesproken en alles vervelt tot een populariteitspoll.

Iemand die democratie en vrijheid van meningsuiting hoog in het vaandel draagt, zou nooit mogen pleiten voor censuur – want dat is waar het in feite op neerkomt – vanuit de zogenaamde kwaliteitsjournalistiek of vanuit grote mediabedrijven. Helaas is dat de richting waar we vandaag naartoe evolueren. In plaats daarvan moeten we pleiten voor transparantie of zelfs democratische controle (door een soort van nationalisering) op de algoritmes die onze dagelijkse informatieconsumptie sturen. Grote bedrijven hebben slechts één bottom line: winstmaximalisatie, en net dit maakt hen ongeschikt om op te treden als gatekeeper.

Ico Maly’s boek heeft de verdienste – bij mijn weten als eerste in het Nederlandstalig gebied – een inkijk te bieden in de internetfenomenen die de afgelopen jaren het politiek debat mee hebben vormgegeven, in de wisselwerking tussen alt-right en nieuwe informatietechnologie. Zijn remedies doen de slinger echter doorslaan en vormen op termijn een gevaar voor links én rechts, en voor de vrijheid van meningsuiting in het algemeen.

 

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Geeraard Peeters

Er is geen biografische informatie beschikbaar voor deze auteur.


Over dit artikel

BronApache [https://www.apache.be]
TitelDe problematische conclusies van Ico Maly
Auteur(s)Geeraard Peeters
Permalinkhttps://www.apache.be/?p=86021
Gepubliceerd 05 juli 2018 @ 15:41. Met update op 05 juli 2018 @ 15:45
Opgevraagd27 september 2020 @ 14:46
Klik hier om te printen