Overheid loopt miljoenen mis door sjoemelsoftware gokmachines

 Leestijd: 13 minuten0

Vandaag stellen we vast dat er naar schatting twaalfduizend zogenaamde 3.3 toestellen in cafés staan waar door middel van sjoemelsoftware de gokindustrie samen met de café-uitbaters de kansspelwet en richtlijnen van de Kansspelcommissie overtreden.

Deze toestellen bevatten software waardoor het gemiddeld uurverlies per toestel oploopt tot op het niveau van de automatische goktoestellen in casino’s. Zo worden minderjarigen blootgesteld aan gokverslavende toestellen van het hoogste niveau.

Door de overtreding op de Kansspelwet valt het toestel onterecht onder een gunstiger fiscaal regime waardoor er de laatste tien jaar naar schatting tussen de 300 en 800 miljoen euro belastingen werd ontweken.

Geschiedenis

Als sinds mensenheugenis balanceren de gokindustrie en de wetgever tussen wetgeving, controle en maximalisatie van de winsten. Eind vorige eeuw toen de eerste mechanische goktoestellen in de Verenigde Staten verschenen, vijlden de producenten en/of uitbaters na controle van de toestellen de tandwieltjes af om het winst- en uitbetalingsregime illegaal aan te passen.

Toen de gokkasten door de overheid bij wet verboden werden, probeerde de gokindustrie de ‘anti-gokwet’ te omzeilen door de kasten ‘verkoopautomaten’ te noemen. Ze werden aangepast om prijzen in natura zoals snoep en sigaren uit te betalen.

De geschiedenis herhaalt zich 100 jaar later in België. Hoewel gokken in België bij wet verboden is, wordt het in de praktijk gedoogd. Toen eind vorige eeuw, onder meer door de wildgroei van bingo’s (elektrische biljarts) en slots (elektronische fruitmachines) in cafés, een wettelijk kader zich opdrong, werd op 7 mei 1999 de Kansspelwet ingevoerd.

Begin 2000 volgde dan de oprichting van de Kansspelcommissie (KSC). De commissie moet de wetgever adviseren en samen met de parketten, politie, de dienst Metrologie, de cel voor Financiële Informatieverwerking en Federale Overheidsdienst (FOD) Financiën de gokindustrie aan banden leggen en controleren.

Door een juridisch vacuüm kunnen producenten en exploitanten de wet omzeilen en minderjarigen blootstellen aan gokverslavende effecten gelijk aan die van casino’s. (Foto: (c) Shutterstock)

De Kansspelwet

Net zoals begin vorige eeuw springen uitbaters en producenten van goktoestellen uiterst creatief om met de wetgeving. Zo maakte men gebruik van een uitzondering in de Kansspelwet voorzien in artikel 3.3.

Dit artikel werd voorzien om eendjesvissen, muntschuivers in lunaparken, de lokale kippenbillenkaartwedstrijd, pronostieken en dergelijke meer buiten de Kansspelwet te houden.

Onder artikel 3.3 lezen we:

‘Kaart- of gezelschapsspelen, uitgeoefend buiten de kansspelinrichtingen klasse I en II, alsook spelen uitgebaat door pretparken of door kermisexploitanten naar aanleiding van kermissen, handelsbeurzen of andere beurzen onder soortgelijke omstandigheden, alsook spelen die occasioneel en maximaal vier keer per jaar worden ingericht door een plaatselijke vereniging ter gelegenheid van een bijzondere gebeurtenis of door een feitelijke vereniging met een sociaal of liefdadig doel of een vereniging zonder winstgevend oogmerk ten behoeve van een sociaal of liefdadig doel, en die slechts een zeer beperkte inzet vereisen en aan de speler of gokker slechts een materieel voordeel van geringe waarde kunnen opleveren’

Bij een wetswijziging van 1/01/2010 werd daarna volgende passage toegevoegd:

‘De Koning bepaalt in toepassing van de punten 2 en 3 de nadere voorwaarden van het soort inrichting, het soort spel, het bedrag van de inzet, het voordeel dat kan worden toegekend en het gemiddeld uurverlies.’ (toegevoegd bij wetswijziging van 1 januari 2010)

3.3 toestellen

Tot op heden verscheen geen Koninklijk Besluit (KB) die de nadere voorwaarden hierboven beschreven, vastlegt. Er ontbreekt dus een sluitend wettelijk kader die de voorwaarden bepaalt, waardoor een zekere rechtsonzekerheid ontstaat.

De circulaire 8/2004 van het College der Procureurs-generaal stelde wel voorop dat onder een zeer beperkte inzet maximaal 0,22 euro per spel en onder een geringe winst per spel maximaal 6,20 euro verstaan moet worden.

Het College van de Procureurs-Generaal besloot in 2012 om de inleg per spel op te trekken naar 0,50 euro.

Sinds 2008 verschenen 3.3 toestellen in de cafés en kregen ze voorlopig en onder voorbehoud een goedkeuring van de KSC. Het betrof op 3 september 2008: Red Hot Hi/Lo, 5 november 2008: Matrix 21, Mastercard en op 3 december 2008: Hot jokers, Triple Ace, Funny xlots 2Acite en Hilo poker.

Met de informatieve nota van 14 januari 2009 verdween de toestemming onder voorbehoud en worden kaart- en dobbelsteenmachines conform artikel 3.3 ratio legis in cafés en wedkantoren toegelaten. We spreken vanaf dan over 3.3-toestellen voor cafés (bijlage 1).

De informatieve nota werd beschouwd als tussenstap naar een wettelijke regeling via een KB of wetswijziging van de Kansspelwet. In 2011 werd aan artikel 3 toegevoegd: ‘De Koning bepaalt in toepassing van de punten 2 en 3 de nadere voorwaarden van het soort inrichting, het soort spel, het bedrag van de inzet, het voordeel dat kan worden toegekend en het gemiddeld uurverlies’.

Tot op heden nam de regering of het parlement geen initiatieven om een en ander via een KB wettelijk te regelen. Dit wordt recent nog formeel bevestigd in de richtlijnen van ‘Weddenschappen met een beperkte inzet en een beperkte winstmogelijkheid’ van 9 mei 2018. 

De belangrijkste protocollen waren, geen gelijkenissen met soortgelijke toestellen, gemiddeld uurverlies niet hoger dan 5 euro, maximale muntinworp munten van 1 euro, geen ‘autostart’ of ‘autoplay’

Op 15 oktober 2009 vaardigde de KSC conform art 52 en 53 van de Kansspelwet een technisch protocol uit die in detail de technische voorwaarden en vereisten van dergelijk toestellen vastlegde (bijlage 2)

De belangrijkste protocollen waren, geen gelijkenissen met soortgelijke toestellen in Klasse I,II,II inrichtingen, gemiddeld uurverlies gemeten op 2000 spelen niet hoger dan 5 euromaximale muntinworp munten van 1 euro, geen ‘autostart’ of ‘autoplay’.

Na een aanvraag bij FOD Financiën (dienst Directe Belastingen, Belasting op Automatische Ontspanningstoestellen), wordt een toestel door de dienst Metrologie FOD Economie gekeurd.

Toen in 2012 de maximale inzet van 0,22 euro opgetrokken werd tot 0,50 euro, moesten de toestellen niet opnieuw gekeurd worden maar volstond een verklaring op eer dat de nieuwe software conform de technische protocollen was

De technische evaluatie van kansspelmachines gebeurt sinds 2011 door de Dienst Technische evaluaties van de Kansspelcommissie, maar er wordt nog steeds nauw samengewerkt met de metrologische dienst van de FOD Economie.

Wanneer een toestel aan alle technische vereisten van een 3.3 toestel voldoet, wordt het als ‘niet-kansspel’ toegelaten. Toen in 2012 de maximale inzet van 0,22 euro opgetrokken werd tot 0,50 euro, moesten de toestellen niet opnieuw gekeurd worden maar volstond een verklaring op eer dat de nieuwe software conform de technische protocollen was.

De KSC kon zich echter niet vinden in het door de FOD Financiën optrekken naar 0,50 euro, waarna ze nog weigerde nieuwe type 3.3 toestellen goed te keuren.

Tot 2010 was naar mij mening de situatie duidelijk. De KSC legt de technische ondergrens op voor toestellen die niet als goktoestellen mogen beschouwd worden en na goedkeuring door de dienst metrologie (later de dienst technische evaluatie) wordt dat toestel toegelaten voor uitbating.

Uiteraard wordt dat toestel illegaal wanneer 1 van de technische protocollen door wijziging van de software overtreden wordt. Het besluit van de KSC van 14 januari 2009 heeft het over een tijdelijk maatregel en een tussenstap naar een definitief wettelijk kader.

Het uitblijven van een KB die alles wettelijk regelt brengt de 3.3 toestellen in een juridisch vacuüm terecht waarvan de sector breed gebruik/misbruik maakt

Naar mijn bescheiden mening is alles wat de KSC tot dan toe oplegt juridisch sluitend en wordt de 3.3 afdoend afgeschermd voor minderjarigen.

Maar vanaf 2010 wordt de Kansspelwetgeving gewijzigd en zal het soort inrichting, het soort spel, het bedrag van de inzet, het voordeel dat kan worden toegekend en het gemiddeld uurverlies niet langer door de KSC via technische protocollen beslist worden maar enkel via een KB.

Het uitblijven van een KB die alles wettelijk regelt brengt de 3.3 toestellen in een juridisch vacuüm terecht waarvan de sector breed gebruik/misbruik maakt. Het frappantste voorbeeld is uiteraard het gemiddeld uurverlies.

Vanaf 2011 moeten producenten zich niet meer houden aan het in het technisch protocol omschreven uurverlies want de KSC mag dat niet bepalen enkel de koning is bevoegd.

Momenteel staan naar schatting ongeveer twaalfduizend van deze 3.3 toestellen in de Belgische cafés

Het is met andere woorden de politiek die de KSC buitenspel zette en door het nalaten om een KB uit te vaardigen de sector gedurende 8 jaar vrij spel geeft om spelers (incluis minderjarigen) bloot te stellen aan gokverslavende effecten gelijk aan automatische gokautomaten in casino.

Momenteel staan naar schatting ongeveer twaalfduizend van deze 3.3 toestellen in de Belgische cafés. Hoewel we geen officieel cijfer kennen, baseren we onze schatting op het feit dat de diverse federaties BAGO (Belgian Association of Gaming Operators) BGA (the Belgian Gaming Association), BNGO (the Belgian National Gaming Organisation) de UBA, (Unie van de Belgische Automatenbranche) en VOES (Vereniging van Onafhankelijke Exploitanten Speelautomaten) in 2016 spraken over 8500 3.3 toestellen in de cafés.

Koppel dat aan het feit dat er volgens de officiële lijst van de KCS (04/2018)  er in België in +/- 6000 cafés bingotoestellen staan en vermits er gemiddeld twee 3.3 toestellen aanwezig zijn in cafés waar bingo’s staan en je komt uit op een realistisch cijfer van twaalfduizend toestellen (we houden hierbij geen rekening met toestellen in wedkantoren en in cafés waar geen bingo’s staan).

Hoewel een van de voorwaarden een uitbetaling in natura is, betalen nagenoeg alle café-uitbaters de winsten op het toestel gewoon contant uit

De 3.3 toestellen werden echter van meet af aan nooit of heel zelden correct uitgebaat en werden daardoor in de feiten omgevormd naar goktoestellen. Hoewel een van de voorwaarden een uitbetaling in natura is, betalen nagenoeg alle café-uitbaters de winsten op het toestel gewoon contant uit.

Erger is het plaatsen van sjoemelsoftware door de uitbaters of producenten van het toestel. Zo staat op alle toestellen die ik tot op heden in cafés al checkte (een 100-tal) de ‘autoplay–functie’ actief.

Samen met aangepaste uitbetalingspercentages kon een deurwaarder vaststellen dat bepaalde toestellen een gemiddeld uurverlies van 70 euro en meer hebben. Volgens experten zou 95% van alle toestellen de grens van 70 euro uurverlies vlot overschrijden.

Dit staat gelijk aan een winst- en uitbatingsregime van de elektronische spelen van casino’s en overstijgt zelfs ruimschoots het toegelaten maximaal gemiddeld uurverlies van 12,50 euro van de strenger gecontroleerde en hoger getaxeerde bingotoestellen (elektrische biljart) in cafés.

Op 3.3 toestellen geldt geen leeftijdsbeperking. Daardoor worden minderjarigen blootgesteld aan verslavende gokeffecten gelijk aan deze van een casino

Voor bingotoestellen geldt een beperking van maximaal 2 toestellen per café. Hoewel er in de informatieve nota van 14 januari 2009 sprake was van maximum één 3.3 toestel per inrichting, staan er in de praktijk soms 3 tot 4 en zelfs meer 3.3 toestellen in cafés.

Op 3.3 toestellen geldt ook geen leeftijdsbeperking. Daardoor worden minderjarigen blootgesteld aan verslavende gokeffecten gelijk aan deze van een casino. Ze kunnen zo op een heel jonge leeftijd slachtoffer worden van een gokverslaving.

Overtreden producenten sinds 2010 de wet met hun 3.3 toestellen en de nieuwe software? Het is voor debat en interpretatie vatbaar en ik ben heel benieuwd of een rechter zou oordelen dat het volledige technische protocol verworpen dient te worden door de toevoeging van die bewuste zin in de wetgeving in 2010.

Er is naast de letter van de wet ook nog de geest van de wet. Het is voor mij duidelijk dat toestellen die tot het zevendubbele uurverlies kunnen leiden dan de door de wet gereglementeerde bingo’s niet kunnen of mogen beschouwd worden als ‘niet-goktoestellen’ waar minderjarigen mogen op spelen.

Of een rechter zou beslissen dat de term ‘beperkt materieel voordeel opleveren’ kan en mag omzeild worden door de toestellen premiebons te laten uitprinten en die vervolgens door cafébazen te laten uitbetalen is ook bedenkelijk.

Want dit wordt volgens hetzelfde artikel 3.3 niet in de pretparken toegelaten waarom zou het dan wel gelden voor cafés?

Fiscale fraude

Los van de misleiding van hun klanten door sjoemelsoftware en het blootstellen van kinderen aan gokverslavende effecten is er nog de fiscale fraude.

De belasting op automatische ontspanningstoestellen conform art 73 tot 96 WIGB (Wetboek van de met de Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde Belastingen) worden aan de gewesten toegewezen in functie van hun lokalisatie (fiscaal zakboek 2017).

Minister Bart Tommelein besliste om taksen van het type E voor bepaalde toestellen af te schaffen, we nemen aan dat hij daar niet de 3.3 toestellen mee bedoelde.

De naar schatting twaalfduizend 3.3 toestellen in de Belgische cafés zijn voorzien van een fiscaal vignet van het Type E ten bedrage van 150 euro (Vlaanderen), 163,2 euro (Brussel) en 167,01 euro (Wallonië) of gemiddeld 160,07 euro.

Vermist ze een maximaal gemiddeld uurverlies van 70 euro halen, zouden ze echter onder het fiscaal regime moeten vallen van de elektronische gokautomaten in casino’s en deze betalen ongeveer 10.000 euro taks per toestel per jaar.

Maar mochten we van de veronderstelling uitgaan dat niet alle toestellen een maximaal gemiddeld uurverlies van 70 euro halen dan halen ze minimum wel evenveel dan het maximaal toegestane gemiddeld uurverlies van 12,5 euro voor bingo’s in de cafés.

Bingotoestellen betalen een fiscaal vignet van het type A ten bedrage van 3570 euro (Vlaanderen), 4852 euro (Brussel) en 3075,16 euro (Wallonië) per jaar, gemiddeld is dat 3892,38 euro taks per toestel per jaar.

Op 10 jaar dat deze toestellen in de cafés staan zou de overheid zo makkelijk tussen de 300 miljoen en 800 miljoen euro aan inkomsten mislopen hebben

We spreken zo voor 2018 over een fiscale ontwijking van minimaal 45 miljoen euro (in vergelijking met de bingotaks) en maximaal 118 miljoen euro (in vergelijking met de casinotaks).

Op 10 jaar dat deze toestellen in de cafés staan zou de overheid zo makkelijk tussen de 300 miljoen en 800 miljoen euro aan inkomsten mislopen hebben.

Bij de berekening van de fiscale fraude gingen we voorzichtig te werk en hielden we rekening met een trage groeimarge van het aantal toestellen in de cafés.

We hielden geen rekening met het feit dat nogal wat bingotoestellen verdwijnen in cafés en vervangen worden door 3.3 toestellen die winstgevender zijn omdat ze geen strikte controle hebben op de ontvangsten en een groter gemiddeld uurverlies genereren

We hielden ook geen rekening met eventuele ontduiking van belastingen. Want de BAGO en andere federaties spreken over amper 4300 euro winst per toestel per jaar, wat geenszins overeenstemt met een gemiddeld uurverlies van meer dan 70 euro per toestel.

We hielden ook geen rekening met 3.3 toestellen in cafés waar geen bingo’s staan en in wedkantoren.

De fiscale vignetten worden aangekocht bij de FOD Financiën doch toegewezen aan de diverse Gewesten. Daardoor rijst de vraag wie verantwoordelijk is voor de controle op de naleving van de WIGB.

De bijlage bij de omzendbrief ‘belastingen op de automatische ontspanningstoestellen’ van 30 juni 2004 met richtlijnen voor alle ambtenaren van de sector invordering en taxatie stipuleert:

‘Toestellen die onder de toepassing vallen van voormeld artikel 3,3° en waarvan de inzet meer bedraagt dan 0,50 euro of de maximale winst per spel minstens 6,20 euro bedraagt, moeten als verboden kansspeltoestellen worden beschouwd.’ (zie bijlage 3)

Vermits de Gewesten taxeren en de FOD Financiën invorderen, zou je kunnen besluiten dat het een gedeelde bevoegdheid van Gewesten en Federale Overheid betreft.

De kansspelcommissie (KSC)

De KSC heeft drie in de Kansspelwet omschreven opdrachten:

1. Een adviesfunctie: de commissie geeft op verzoek van de betrokken ministers of van het parlement advies over wetgevende of regelgevende initiatieven met betrekking tot de Kansspelwet.
2. Het toekennen van vergunningen: het uitgangspunt van de Kansspelwet is dat kansspelen verboden zijn, behalve voor de wettelijk bepaalde uitzonderingen. De commissie regelt deze uitzonderingen door vergunningen te verlenen.
3. Een handhavingsopdracht: deze opdracht bestaat in het toezicht op de naleving van de wet en de controle op de toegekende vergunningen.

Daarnaast is de KSC ook nog verantwoordelijk voor de bescherming van de
spelers en gokkers. De bepalingen daarover zijn opgenomen in een afzonderlijk hoofdstuk VI van de Kansspelwet.

Adviesfunctie: wat betreft de 3.3 toestellen voldeed de KSC mijns inziens aan hun wettelijke opdracht. Reeds in 2010 adviseerde de KSC om alle 3.3 toestellen te verbieden.

Ook in 2015 was het advies aan de regering om de toestellen te verbieden en onder het toezicht van de KSC te plaatsen. (Het meest recente advies uit 2015 bevindt zich als bijlage 4).

Later wordt die stelling afgezwakt naar het onder toezicht brengen van de KSC en het toevoegen van een elektronische identiteitskaartlezer die de leeftijd van de speler controleert (min 18 jaar) en nagaat of de speler niet op de EPIS-lijst (Excluded Persons Information System) staat, zeg maar de zwarte lijst voor spelers staat.

Toekennen vergunningen: De KSC legde technische protocollen op en controleerde de toestellen op hun conformiteit met artikel 3.3 van de Kansspelwet. Ook hier voldeed het aan zijn opdracht.

Handhavingsopdracht: Naar mijn bescheiden mening is de interpretatie die de KSC hanteert betreft de handhavingsopdracht in casu de 3.3 toestellen te eng. Ze gaan ervan uit dat de toestellen sinds 2010 niet meer onder de controle van de KSC vallen.

Nochtans bestaat hun opdracht erin om toe te zien of de Kansspelwet wordt nageleefd. Het lijkt mij dan ook logisch dat deze toestellen die door het overtreden van de Kansspelwet een gevaar vormen voor de volksgezondheid onder hun verdere controle vallen. Ze controleerden onlangs immers wel de lootboxen van videospelletjes op hun conformiteit.

De horeca

Hoewel horeca-uitbaters door hun uitbetalingen in cash meewerken aan het illegaal en verslavend karakter van de 3.3 toestellen wordt er stevig gelobbyd voor het behoud van de 3.3 toestellen in cafés. Zowel Horeca Vlaanderen, Wallonië, Brussel, als Unizo en Voka lobbyden bij de KSC om de toestellen onder bepaalde voorwaarden te behouden (zie bijlage 5).

Opmerkelijk is dat ze met geen woord reppen over het overschrijden van het gemiddeld uurverlies van 70 euro en over de uitbetalingen in cash, terwijl je geen raketgeleerde moet zijn om dit vast te stellen.

De horeca-federaties volgden het advies van de beroepsfederaties, BGA, UBA, BNGO, VOES die op 22 april 2015 volgende consensus voorstelden (zie bijlage 6):

  1. Uitzondering op de wet van de kansspelen maar onder exclusieve controle van de Kansspelcommissie
  2. Alleen uit te baten door E-licentiehouders
  3. Enkel uit te baten in drankgelegenheden
  4. Maximum 2 toestellen te plaatsten naast maximum 2 bingo’s per locatie
  5. Aanwezigheid van een ID-lezer om de leeftijd van de spelers na te gaan (verboden voor minderjarigen)
  6. Aanwezigheid van een GPRS module die dagelijks de cijfers doorstuurt naar de server van de E-vergunninghouder
  7. Maximum inzet van 50 cent per spel
  8. Maximum winst kleiner dan 6,20 euro per spel
  9. Minimum uitbetalingspercentage van 84 %
We mogen van cafébazen niet verwachten dat ze dit juridisch technisch kluwen kunnen ontwaren. Van de horeca-federaties mag je dat wel verwachten’

De horeca kreeg een witte kassa, maar kreeg van de overheid tezelfdertijd wel enkele zwarte kassa’s onder de vorm van 3.3 toestellen. Ik ben ervan overtuigd dat cafébazen niet op de hoogte zijn van het verwerpelijk circuit waar ze in zijn terecht gekomen en de exploitanten oprecht geloofden in hun argumentaties.

Ik denk dat we van de cafébazen niet mogen verwachten dat ze dit juridisch technisch kluwen kunnen ontwaren. Van de horeca-federaties zou je dat echter wel mogen verwachten.

De politiek

De KSC is een orgaan met vele politieke tentakels waardoor de verantwoordelijkheid ook gedeeld is. Hoewel de KSC strikt genomen onder justitie valt, zetelen er in de commissie vertegenwoordigers van diverse kabinetten.

In de KSC zetelen er twee vaste en twee plaatsvervangende vertegenwoordigers van de minister van Justitie, Financiën, Economie, Volksgezondheid, Begroting en Overheidsbedrijven en Binnenlandse Zaken.

Adviezen van de KSC zijn dus politiek breed gedragen want ze worden gesteund door twaalf vertegenwoordigers van zes ministers. Het is dan ook opmerkelijk dat de adviezen uit 2010 en 2015 voor het verbod op 3.3 toestellen nooit geen wetgevende gevolgen kenden.

Wat betreft de 3.3 toestellen werden er sinds 2015 verschillende parlementaire vragen (zie bijlagen 11 tot 14) gesteld die zich hoofdzakelijk toespitsten op de bescherming van minderjarigen en het ontbreken van de controle door de KSC.

Sinds 2015 lezen we in antwoorden op parlementaire vragen van minister van Justitie Koen Geens en ook in het jaarverslag van de KSC van 2016 dat er sprake is van de voorbereiding van een KB voor het onder toezicht plaatsten van de KSC van de 3.3 toestellen, de beperking van twee toestellen per café, het toevoegen van elektronische identiteitskaartlezer en een verbod voor het spelen op de toestellen onder de 18 jaar.

Maar tot op vandaag, 8 jaar na het eerste advies van de KSC voor verbod op de 3.3 toestellen en na de aanpassing van de Kansspelwet, is het wachten op enig concreet parlementair wetgevend initiatief.

Wie ging in de fout?

Primair zijn de spelproducenten die de illegale software leveren en de amusementstoesteluitbaters die de 3.3 machines in cafés uitzetten, en de horeca-uitbaters die cash uitbetalen diegenen die de wet en richtlijnen van de KSC overtreden.

De KSC faalt in hun handhavingsbeleid en bescherming van minderjarigen en spelers. KSC laat steeds blijken dat ze geen controlebevoegdheid hebben omdat de toestellen geen gokspelen zijn, maar zoals ik reeds aanhaalde dat zijn videospelletjes ook niet en toch controleerde men daar de lootboxen om spelers en minderjarigen te beschermen.

Ook hier dient opgemerkt te worden dat het ontbreken van de verdere richtlijnen door de Koning binnen artikel 3.3 geen juridisch excuus kan of mag zijn om oogluikend toe te laten dat de basiswaarden van artikel 3.3 van de Kansspelwet en de richtlijnen van de kansspelcommissie met de voeten getreden worden.

De Federale en Gewestelijke overheidsdiensten falen in het niet uitvoeren van degelijke fiscale controles. De fiscale controles op de 3.3 toestellen staan nochtans duidelijk omschreven in een omzendbrief van 2004.

De politiek faalde door het onbegrijpelijk uitblijven van wetgevende initiatieven op federaal niveau. Desondanks duidelijke adviezen van de KSC, en signalen van de nationale loterij, en de sector zelf, nam de politiek geen concrete wettelijke initiatieven. Er is hoogstens sprake van een KB in opmaak. Minister van Justitie Koen Geens, maar hij niet alleen, draagt hierbij de grootste verantwoordelijkheid.

Zowel de horeca-federaties en de federaties van de amusementstoestellen gaan in de fout door oogluikend toe te laten dat de richtlijnen van de KSC en de Kansspelwet overtreden worden. De consensus die ze voorstellen biedt slechts een beperkte oplossing voor het probleem en pakt het probleem niet ten gronde aan. Bovendien zijn voorstellen of akkoorden voor een toekomstig strenger beleid geen excuus, noch een gratie voor de huidige fiscale fraude en overtreding van de Kansspelwet en de richtlijnen van de KSC.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Ignace Vandewalle

Ignace Vandewalle is auteur van ‘De illegale Ghelamco Arena’. Hij was kabinetsmedewerker van minister Marc Verwilghen en staatssecretaris Vincent Van Quickenborne, parlementair medewerker van Boudewijn Bouckaert en Jean-Marie Dedecker. Sinds 2014 is hij zaakvoerder van het onafhankelijk politiek adviesbureau BFELT.