Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Politiehervorming loopt in de soep

5 juni 2018 John Buelens
Flickr Eoghan OLionnain (1 van 1)

Op 1 april 2001 vond een - voor die tijd disruptieve - hervorming van ons politiebestel plaats en daarmee werd de toen heersende 'guerre des flics' en andere malversaties op politioneel gebied begraven. Voorgoed, althans volgens de toen aan de macht zijnde politici.

De commissie 'Dutroux': aanzet tot algehele politiehervorming? (Foto © Wp-content)
De 'commissie Dutroux' moest de aanzet worden van een algehele politiehervorming. (Foto © Wp-content)

Die politieoorlog heerste destijds overwegend tussen de voormalige rijkswacht en de andere toen bestaande politiediensten. Toch ging het hoofdzakelijk tussen twee nationale recherchediensten, met name de Bewakings- en Opsporingsbrigade (BOB) dat een onderdeel was van de rijkswacht, en de Gerechtelijke Politie bij de parketten (GPP), een autonome politie-instantie onder rechtstreeks gezag van het Openbaar Ministerie.

Zaak Dutroux

Vooral eerstgenoemde dienst bleek geblunderd te hebben in een gerechtelijk onderzoek over de ontvoering, het misbruiken en het vermoorden van minderjarigen, beter bekend als de 'zaak Dutroux'.

De Commissie Dutroux kwam tot de vaststelling dat er heel wat 'disfuncties' waren op justitieel en politioneel vlak, wantoestanden die specifiek werden benoemd

De publieke verontwaardiging was dusdanig groot dat de politiek globaal ter orde werd geroepen, wat de aanzet was voor de oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie met die naam. Die commissie kwam tot de vaststelling dat er heel wat 'disfuncties' waren op justitieel en politioneel vlak, wantoestanden die specifiek werden benoemd.

Als gevolg hieraan werd de regering, als uitvoerende macht, gedwongen tot handelen. Daarbij ging zij voor een eventuele politiehervorming meer dan overijverig, en vooral overhaast, aan het werk. Want in plaats van eerst de werking van de twee genoemde recherchediensten te herzien, werd beslist om in één klap het hele politiebestel te herschikken. Dat resulteerde in de wet tot 'organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus'.

Zo ontstond een lokale politie, wat inhield dat de gemeentelijke politie werd samengevoegd met de plaatselijke rijkswachtbrigades in lokale politiezones, en een federale politie, wat grosso modo een samenvoeging was van het grootste deel van de rijkswacht met de overige bestaande politiediensten, waaronder de gerechtelijke politie bij de parketten.

Federale politie

Bij het creëren van die federale politie springen twee markante feiten in het oog. Ten eerste: de twee nationale recherchediensten - GPP en BOB, elkaars tegenpolen op werkvlak en (bedrijfs)cultuur - werden zonder de minste overgang, maatregel of zelfs ondersteuning gefuseerd. Van de ene op de andere dag waren ze gedoemd tot samenwerken. Hiertoe werd de afdeling gede-concentreerde gerechtelijke diensten (wat nu de Federale Gerechtelijke Politie of FGP) opgericht.

Ten tweede: het merendeel van de rijkswachtofficieren werd ondergebracht bij de federale politie, omdat weinigen onder hen met de plaatselijke rijkswachtbrigades mee overgingen naar de lokale politiezones.

Men kan stellen dat bij de politiehervorming in 2001 de rijkswacht gewoonweg van naam veranderde

Op die manier werd een moderne versie van een zogeheten Mexicaans leger gecreëerd. Daarbovenop werd nog eens de logge organisatiestructuur overgenomen die de rijkswacht zo typeerde en er een verlammende werking had.

Men zou kunnen stellen dat bij de politiehervorming in 2001 de rijkswacht gewoonweg van naam veranderde. Dit korps slorpte een aantal kleine politiediensten op, die al nationaal optraden, en dit ter compensatie van het afstaan van hun brigades die in de regel toch al op lokaal niveau actief waren.

Rijkswacht

Een paar bemerkingen bij de normen en waarden gangbaar bij de bij wet opgeheven rijkswacht.

Tot 1992 behoorde de rijkswacht tot het leger. Na de aanslagen van de Bende van Nijvel werd het koprs 'gedemilitariseerd'. (Foto RV)
Tot 1992 behoorde de rijkswacht tot het leger. Na de aanslagen van de Bende van Nijvel werd het koprs 'gedemilitariseerd'. (Foto © RV)

Tot 1992 was dat korps naast de land-, lucht- en zeemacht de vierde pijler van het Belgisch leger. Theoretisch gezien was zij het onderdeel dat moest toezien op het naleven van de wetgeving door de burgers.

De officieren werden, samen met de andere legerofficieren, meerdere jaren gedrild achter hoog ommuurde kazernes - sommigen zelfs sinds hun jeugd - waaruit ze wereldvreemd en blakend van arrogantie tevoorschijn kwamen.

Een rijkswachtofficier was dus meer een sabelsleper dan een politieman

Een rijkswachtofficier was dus meer een sabelsleper dan een politieman. Ondanks het verplicht behalen van het universitair diploma (Licentiaat in de Criminologie) aan een universiteit, of extern aan de Koninklijke Militaire School, bracht dat bij de meesten niet echt werkelijkheidszin op het politioneel vlak bij, al zeker niet in een gerechtelijk onderzoek.

Een opmerkelijke bevinding van de parlementaire onderzoekscommissie Dutroux spreekt in dit verband boekdelen:

Vaak ontbreekt bij rijkswachtofficieren de nodige terreinervaring. Ze zijn in dit opzicht dan ook soms slecht geplaatst om, vanuit hun gezagspositie en leidinggevende functie, echt sturing te geven aan een onderzoek. Men kan niet naast de vaststelling dat ze te ver af staan van het werkveld.

Waarin zij zich dan wel onderscheidden: in het uitvoeren van allerhande bewakingstaken en in ordehandhaving (domeinen die aanleunden bij wat hun was bijgebracht tijdens hun militaire studies), en in verkeershandhaving.

Ambtelijke cultuur

De federale politie bleef vastzitten in van de rijkswacht overgeërfde ambtelijke cultuur en procedures. Heel wat van hun departementen bleven onveranderd verder werken zoals in hun (rijkswacht)verleden. Daarbij legden ze hun wil en 'hun' cultuur op aan de toegevoegde diensten.

Voor de politici was de politiehervorming van 2001 'uitermate geslaagd', toch kreeg ze na zes jaar een eerste aanpassing voor de federale politie en in 2014 een tweede

Een logisch gevolg was dat na zes jaar de door politici 'als uitermate geslaagde' bejubelde politiehervorming van 2001 een eerste aanpassing voor de federale politie kreeg en in 2014 een tweede. Maar echt doortastende maatregelen voor een toekomstgerichte operationele functionering bleven uit.

Een zoveelste gelegenheid voor een grondige hervorming diende zich recent nog aan tijdens de parlementaire onderzoekscommissie naar de aanslagen van 22 maart 2016. Maar ook die bleef toen uit, ondanks de algemene verwachtingen. Meer nog, ze werd eenvoudig niet nodig geacht. De voorzitter van deze onderzoekscommissie Patrick Dewael verwoordde het als volgt:

Er zit wel zand in de (veiligheids)machine. Met onze aanbevelingen willen we dat uit de machine halen, waar nodig een onderdeel aanpassen en toevoegen, en tot slot het hele raderwerk smeren.

Wie begrijpt dan dat enkele maanden later naar aanleiding van enkele rellen diezelfde Dewael schreeuwde om in het Brussels hoofdstedelijk gewest een ééngemaakte politiezone in te voeren? Maar achtte hij dat dan niet nodig als antwoord op de terreuraanslagen?

Lokale politie

Laat het wel duidelijk zijn dat, op het Brussels probleem na, de hervorming van de lokale politie wel geslaagd kan worden genoemd. Deze politiedienst stond én staat dicht bij de bevolking en paste zich aan de nieuwe situatie aan door in te spelen op verwachte veranderingen en door zich flexibel op te stellen.

Vooral in Vlaanderen verliep dit op voorbeeldige wijze. Na de noodzakelijke inlooptijd om orde op zaken te stellen, verenigden zich intussen negen van de bij de hervorming ontstane politiezones op vrijwillige basis tot grotere zones en is de wil aanwezig om nog meer van die fusies te realiseren.

De bijkomende fusies ging telkens uit van die gemeentebesturen die zelf de noodzaak inzagen dat de werking van hun zones in het algemeen belang hierdoor verder werd geoptimaliseerd

Die beslissing voor deze bijkomende fusies ging telkens uit van de respectievelijke gemeentebesturen die, onafhankelijk van een hogere overheid, zelf de noodzaak inzagen dat de werking van hun zones in het algemeen belang hierdoor verder werd geoptimaliseerd. Ze lieten daarbij hun partijpolitieke formatie een ondergeschikte rol spelen.

Ook op het vlak van aanwerving van personeel bewijst een pilootproject bij de lokale politie Antwerpen dat er efficiëntere procedures bestaan dan de logge bureaucratische die worden gehanteerd door de federale politie.

SAT Binnenlandse Zaken

De Federale Politie heeft het hele Belgische grondgebied als werkterrein en zou wettelijk 13.500 personeelsleden moeten tellen. Momenteel zijn ongeveer 11.000 plaatsen ingevuld. Dit korps staat onder het gezag van de federale regering, met name van de ministers van Binnenlandse Zaken én Justitie.

In grote lijnen neemt de minister van Binnenlandse Zaken het algemeen beheer van de federale politie waar, met uitzondering van de werking van de federale gerechtelijke politie. Die staat wegens haar specifieke geaardheid onder toezicht van de minister van Justitie.

De korpsleiding van het SAT bestaat tot op heden nog steeds uit vele gewezen rijkswachtofficieren

Door de omvang en de structuur van dit politieapparaat zijn beide ministers afhankelijk van de feedback die zij krijgen van de diensten van de commissaris-generaal, met andere woorden van de grote baas. En ook nog: bij elk ministerieel kabinet gaat dit via een verbindingsdienst, SAT genoemd.

Opmerkelijk daarbij is dat SAT Binnenlandse Zaken (Administratief en Technisch Secretariaat, Secrétariat Administratif et Technique) voornamelijk bevolkt wordt door hoge politiefunctionarissen uit die Federale Politie. En uitgerekend de korpsleiding bestaat tot op heden nog steeds uit vele gewezen rijkswachtofficieren.

De nauwe rechtstreekse band met dit kabinet zorgt voor een bijna hypnotische beïnvloeding. Dat getuigt onder meer het interview van minister Jan Jambon in het Radio1-programma De Ochtend van 23 oktober 2017: hij verklaarde daar kordaat dat “de rijkswacht sedert 1999 – 2000 niet meer bestaat” en dat “er vandaag een totaal andere cultuur bij de politie is”.

Een verwijzing naar de memoires van Wilfried Martens, getiteld Luctor et Emergo, is hier wel op zijn plaats, meer in het bijzonder naar hoofdstuk 19: Golf van terreur over ons land, met volgend fragment:

Tot dan toe was ik altijd geneigd geweest de rijkswacht te beschouwen als een elitekorps. Dat ideaalbeeld was mij ergens opgedrongen door de rijkswachttop, die er alles aan deed om het blazoen van haar korps in regeringskringen op te poetsen. Zo werd ik meermaals uitgenodigd op bezoeken bij verschillende operationele rijkswachteenheden, waaronder het Speciaal Interventie Eskadron, dat telkens met indrukwekkende oefeningen zijn kunnen tentoonspreidde.

Als minister Jambon zelfs ontkent dat op zijn minst het lobbywerk van de rijkswacht is blijven bestaan, dan verloochent hij de geschiedenis. Want hoe moet dan zijn eerste werkbezoek van 5 maart 2015 aan de diensten van de Federale Politie in Brussel worden begrepen, al enkele maanden na zijn aanstelling als minister, waarbij een soortgelijke demonstratie werd tentoongespreid?

Federale Gerechtelijke Politie

Dat die invloed van de rijkswacht ook een rol speelt bij het uitstellen van een doortastende aanpak van de federale gerechtelijke politie, lijkt voor de hand te liggen. Immers, waarom blijft deze afdeling verder deinen? Wordt haar bestaan enkel geduld? Mag ze enkel bij een mediatieke gebeurtenis opdraven?

Wettelijk werd vastgelegd dat deze dienst, die ongeveer één derde van het personeelsbestand van de Federale Politie uitmaakt, gespecialiseerde opdrachten van de gerechtelijke politie moet uitvoeren - in hoofdzaak gespecialiseerd recherchewerk.

Is het niet bizar dat een verlaging van studieniveau werd doorgevoerd en wordt gehandhaafd, om deel te kunnen uitmaken van een hedendaagse gespecialiseerde recherchedienst?

Is het dan opportuun dat bij deze dienst een basiskader thuishoort? Bij de politiehervorming van 1 april 2001 was een diploma hoger secundair onderwijs een toelatingsvoorwaarde voor het basis- en middenkader van de gehele politieorganisatie.  Bij de toenmalige gerechtelijke politie bij de parketten, waar geen basiskader bestond, was een huidig bachelorsdiploma of hoger al sedert 1992 een voorwaarde.

Is het dan niet bizar dat een verlaging van studieniveau werd doorgevoerd, en nog steeds wordt gehandhaafd, om deel te kunnen uitmaken van een hedendaagse gespecialiseerde recherchedienst?

Het was aanvaardbaar dat als overgangsmaatregel de leden van de voormalige bewakings- en opsporingsbrigade van de opgeheven rijkswacht werden opgenomen in deze nieuwe opgerichte dienst.

Het is evenwel onverdedigbaar dat nadien nieuwe aspirant-leden, die nog hun volledige opleiding moesten doorlopen, konden toetreden zonder dat hogere diplomavereisten werden gesteld. Een niet zo onbereikbare doelstelling, omdat men op alle niveaus, ook op de politieke, ervan op de hoogte was dat tijdens de periode 2010 – 2019 twee derde van het toen aanwezige potentieel met pensioen zou gaan.

Controlerend aan de zijlijn

Een ander pijnpunt is het onderlinge verband tussen het aantal (hoofd)commissarissen tot de (hoofd)inspecteurs, dat zich wettelijk verhoudt als 1 op 7,8. Terecht kan men zich afvragen wat de relevantie hiervan is, als men rekening houdt met het gegeven dat deze commissarissen zich (nog steeds) weinig tot niet actief bezighouden met het verrichten van gerechtelijk werk. Zij blijven eerder obsessief controlerend aan de zijlijn staan.

In deze context is het opmerkelijk dat een commissaris bij de recherche van grote zones van de lokale politie de leiding heeft over een veelvoud van (hoofd)inspecteurs; bij kleine(re) zones is deze politieafdeling meestal een bijkomende bevoegdheid van één van de commissarissen.

En wat te denken over de toepassing van de doelstelling van deze regering om de economische, financiële en sociale fraude te bestrijden én om geldstromen inzake terrorisme droog te leggen?

En wat te denken over de toepassing van dé doelstelling van deze en vorige regering(en), om de economische, financiële en sociale fraude te bestrijden én om geldstromen inzake terrorisme droog te leggen.

De Centrale Dienst voor de bestrijding van de Georganiseerde Economische en Financiële Delinquentie (CDGEFID), een eminent gespecialiseerde dienst, werd gedecentraliseerd en de leden werden verspreid over het hele land; er blijft nog een tiental over. Deze dienst reduceerde in het verleden de BTW-carrouselfraude van ruim 1 miljard euro tot enkele tientallen miljoenen.

De Centrale Dienst voor de Bestrijding van Corruptie (CDBC), die alle vormen van corruptie, fraude bij overheidsopdrachten en subsidiefraude bestrijdt, telt nog nauwelijks twee derde van de voorziene getalsterkte. Geenszins een overbodige dienst, omdat jaarlijks vier miljard euro opgaat aan corruptie bij openbare werken, met als gevolg een meerkost van 20% bij de aanbestedingen.

Kunst en antiek

De Cel Kunst en Antiek, die onder meer de trafiek in illegale kunstwerken onderzoekt - deze handel vormt onder meer een belangrijke financieringsbron voor het terrorisme - is zo goed als opgedoekt, in weerwil van verzoeken van de internationale politieorganisatie Interpol.

Kenmerkend is dat al deze diensten afstammen uit de toenmalige gerechtelijke politie bij de parketten. Deze regelingen voelen dan ook als minderwaardig aan wegens niet voortkomend vanuit de gewezen rijkswacht. Anderzijds was het nooit een geheim dat de rijkswachttop weinig hoog opliep met financiële onderzoeken.

Hoeft het nog verder betoog dat dit structuurniveau van de geïntegreerde politie meer nodig heeft dan het verwijderen van wat zand uit zijn raderwerk en daarna wat smeerwerk?

Dient dit land weeral een ernstige erbarmelijke gebeurtenis mee te maken opdat men eens 'volledig disruptief' te werk zou gaan, zoals minister Jan Jambon beloofde op het congres Veilig 2020 van 30 juni 2016 in Gent?

Men zou er haast om smeken.

LEES OOK