Hugo Claus en ‘onze’ Congo


Even stak een stormpje in theaterland op, over de opvoering van ‘Het leven en de werken van Leopold II’ in de KVS, naar een tekst van Hugo Claus.

Het stuk, in een regie van Raven Ruëll, lokte hevige reacties uit wegens wat critici de racistische inslag van de voorstelling noemden.

Uit protest tegen de vertoning verbood de Keniaans-Nederlandse artiest Ogutu Muraya de opvoering van zijn Fractured Memory, die al lang was ingepland.

De stadsdramaturg van de KVS Tunde Adefioye verontschuldigde zich in De Standaard voor wat er op de bühne te zien was (13 maart). Hij slaat zich op de borst voor

“een voorstelling waar de meeste mensen lachten telkens als Leopold II kokhalzend ‘zwart’ zegt. Ze zien hoe een moordzuchtige maniak in 2018 een forum krijgt. Ze worden aangemoedigd om empathie te voelen met hem en met ‘zijn baard waarop je een muziekje zou kunnen tokkelen’. En de slachtoffers van de genocide van Leopold II krijgen geen vertegenwoordiger op de planken, tenzij een zwarte ‘groot geschapen’ acteur of een zwart geschminkte acteur meetelt.”

Nog afgezien van het veelbetekenende feit dat het theaterpubliek – vrijwel 100% white middle class – lacht met de racistische streken van de opgevoerde monarch, en kennelijk op weg naar empathie met de tirannieke monarch wordt gezet, is weinig gezegd over de insteek van de auteur van het stuk, Hugo Claus.

In dat verband merkt Lucas Catherine in een bijdrage op DeWereldMorgen terecht op dat de tekst en de regie-aanwijzingen van Claus ons leren dat hij ondubbelzinnig het schrikbewind van Leopold II in Congo Vrijstaat – 3 tot 6 miljoen doden – op de hak nam, en dat dit ook het politieke doel van zijn werk is.

In zijn theatertekst integreerde Hugo Claus een pantomine die het stuk moet openen en afsluiten, zo schrijft Catherine:

“Het stuk begint als Leopold dood is en opgebaard ligt in een lijkkist versierd met bloemen. Bongo gaat pissen, eerst op de bloemen, dan op de kist zelf. Geen woorden, maar daden. De rest van het stuk is een lange flash-back, behalve dan weer op het einde. In dit deel draaft Bongo telkens op als een soort boy, net als in de koloniale periode. De zes andere Congolezen dienen als decorstukken: dode en opgezette lijken. Op het einde van de flash-back worden ze levend, ze slaan en schoppen het lijk van Leopold en hangen hem daarna op met een katrol. Bongo laat hem weer zakken en steekt hem definitief in zijn lijkkist en sluit het doek.”

Deze contextualiserende pantomine komt in het opgevoerde stuk niet voor, waardoor het interpretatiekader van Claus is weggeslagen.

Besluit van Catherine: “Blijkbaar is vooral Raven Ruëll de neokoloniale toer opgegaan, meer dan Hugo Claus. En dat werd hem ook al indertijd met Missie verweten.” (L. Catherine, ‘De KVS en Congo: is het foei Hugo Claus of foei Raven Ruëll?’, DWM, 14/3/2018).

Hieronder maak ik van de gelegenheid gebruik om op de antikoloniale kijk van Hugo Claus in te zoomen. Claus heeft immers doorheen zijn hele schrijverscarrière het kolonialisme en neokolonialisme van de Belgische elite aan de kaak gesteld.

Hugo Claus in 1984 (Foto: (c) Michiel Hendryckx – Wikimedia commons)

1965

Claus schreef ‘Het leven en de werken van Leopold II’ in 1970, maar dat was niet zijn eerste uithaal naar ons Afrikaans verleden.

Eind 1965 vroeg De Standaard hem om zijn visie op het afgelopen jaar te verwoorden. Hij deed dat in de vorm van een gedicht, onder de titel ‘Negentienhonderd vijfenzestig’.

Het was het jaar waarin de CIA, met Belgische aanmoediging, Mobutu aan de macht bracht. Kort voordien had een Belgische-Amerikaanse interventiemacht, geleid door 330 Belgische officieren en met een luchtmachtje van de CIA en huurlingen als speerpunten, een nationalistische opstand in Congo in bloed gesmoord. (Zie daarover Ludo De Witte, ‘Huurlingen, geheim agenten en diplomaten’, 2014)

Negentienhonderd vijfenzestig

Jaar van de gruwel, jaar van het amechtig blazen
Tussen beeldbuis en beursbericht,
Jaar van melk en honing als je slaapt,
Jaar dat op je maag blijft als je waakt,

Geleerden zullen het verklaren,
Ministers zullen het in beloften wikkelen
‘Het jaar was zoet, het jaar was goed voor onze belangen.’

Juist, mijne heren, het was weer een jaar voor slaapwandelaars,
Zij fokken zich stom, zij vreten zich laf,

Het jaar dat men in dit land 25 miljard aan de NATO gaf
Voor vlaggen en tanks en vliegtuigen die muggen zullen zijn
Straks in de grenzeloze wolken van de dood,

Het jaar dat Moboetoe om hulp vroeg, hoera,
Wij zullen hem centen zenden en assistenten
Die zullen ontbloeien tot procenten,

Het jaar dat men de Voerstreek voor een taal wilde redden
Die men anders alleen in advertenties leest

Het jaar dat men dwars door de Markt van Oudenaarde
Een autoweg heeft gepland voor het haastig vee,

Jaar van de zwam in de Belgische schedelpan,
Jaar dat likte aan de trog van vergane folklore,
En, gelukkig verweg van onze spaarkous en onze volksdans,
Het jaar van de escalade daar waar
De kinderen zich grauw van de vrees in de moerassen graven,
‘Geef hen heden onze dagelijkse napalm,
en later onze conserven en later onze gebeden!’

Het jaar dat de lach vervriest
Als men zijn regeerders ziet scharrelen op rentevoeten,

Het zoveelste zevende vette jaar
(…)
(Geciteerd in Geert Buelens, ‘Van Ostaijen tot heden. Zijn invloed op de Vlaamse poëzie’, pp. 888-889)

1968

In 1968 voerde Claus in het stuk ‘Masscheroen’ (een bewerking van Mariken van Nieumeghen) de Heilige Drievuldigheid op als drie naakte mannen.

Het leverde hem een proces op, maar dat deerde hem niet:

“Ik zal dit herbeginnen. Ik zie liever een naakt meisje, of zelfs een naakte jongen, dan een wuivend defilé van Belgische parachutisten die in Afrika onze belangen verdedigen.”

(Geciteerd in de Canvas-documentaire ‘Hugo Claus, dichter, minnaar, rebel’, 18/3/2018)

1992

In 1992 verscheen het boek ‘Abo’, van de hand van Ludo Martens. Het boek vertelt het levensverhaal van Leonie Abo, vrouw van Pierre Mulele, een oud-minister in de regering-Lumumba, en vanaf 1964 leider van een opstand tegen het neokoloniale regime waarin generaal Mobutu een almaar belangrijker plaats innam.

Claus was getroffen door het boek, dat inderdaad prachtig is. Hij schrijft de uitgever:

”Een boek dat meesleept (…) De chaotische verteltrant die schommelt tussen lyriek en bitterheid, vol verrassende wendingen en verbluffende inzichten, weerspiegelt op een zeer effectieve manier de wanhopige en heroïsche strijd van Mulele, die dagelijks bedreigd door honger, verraad, lafheid en dood, uiteindelijk geveld wordt. Abo is de noodzakelijke correctie op de misdadige manipulatie van de geschiedenis door de Zaïrese tiran.”

(Gecit. in Kevin Absillis (red.), ‘De plicht van de dichter. Hugo Claus en de politiek’, De Bezige Bij, Antwerpen, p. 127)

Claus viseerde de tiran Mobutu, die Mulele en zijn metgezel Bengila op beestachtige wijze had laten afmaken. Maar Claus keek ook verder. Korte tijd later verscheen zijn dichtbundel ‘De sporen’, waarin het gedicht ‘Lumumba’ staat. Met op het eind een machtige uithaal naar “de God van de Albino’s”:

De vermoorde Congolese premier Patrice Lumumba.

Lumumba

De voedster schrok toen je geboren werd
want je schreide niet,
het teken van een goed geweten.

Je studeerde in Leuven, een bleke vesting.
Je leerde er Eendracht maakt Macht.
De God van de Albino’s aan zijn kruis
zei dat zijn liefde mateloos was
ook in de verre technicolor-tropen.

Bebrilde dief en dromer. Je naam werd
een scheldwoord op de Belgische voetbaltribunes.
Je wou het kind van je voorvaderen niet zijn,
de Oudste niet, en niet de Stichter,
dit werd je niet vergeven.
De stammen verkochten je aan Mobutu
voor een telefoonaansluiting,
een autonummerplaat, een girorekening.
De makelaars stapten in de modder,
op je naamloos kadaver.

De God van de Albino’s heeft zich
op jouw lijk gezet als op een toilet.

(Hugo Claus, ‘Gedichten 1948-1993’, De Bezige Bij, p. 1099)

1993

In het blad Schamper betwistte Hugo Claus dat zijn sociaal engagement verdwenen was:

“Het is er wel, maar anders. Een geëngageerd gedicht hoeft niet altijd de klanken van een straatlied te hebben. Het hoeft niet altijd te zijn alsof je het declameert voor de barricades. (…) Lumumba is ietwat vergeten; niemand spreekt er nog over. (…) Ik beschouw het dan als mijn plicht om te zeggen: ‘Kijk, er is toen een revolutionair denker geweest, en aan die geef ik een hommage’.”

(Schamper, 13/2/1993, geciteerd. in Kevin Absillis (red.), ‘De plicht van de dichter. Hugo Claus en de politiek’, p. 128.)

Toen enkele maanden later koning Boudewijn overleed, had Claus wel meer dan één reden om afstand te nemen van de beate aanbidding van de aflijvige.

Een vorst die op onafhankelijkheidsdag in een paternalistische speech Patrice Lumumba en zijn regering als kinderen de les had gespeld, maar lik op stuk kreeg van de Congolese premier.

In Knack zei Claus over de uitvaart van Boudewijn:

“Ik heb de hele dag op de tv naar de begrafenis gekeken. Woedend. Die gemijterde kardinaal, die uitstalling van gezag en macht, het kwalijke gebruik van de triviale mythe. Daar word ik helemaal irrationeel van. Die onderdanige massa tegenover een man die toch het symbool van de ongelijkheid is en in 40 jaar niet één interessante zin gezegd heeft. Dat Filippijnse hoertje in de kathedraal, hoogst gênant. Will Tura erbij, de zogenaamde band met het volk. Ik riep: geef me een bazooka.”

(Knack, 6/10/1993)

1997

Medio mei 1997 zat Hugo Claus in de studio van TerZake toen dictator Mobutu op de vlucht sloeg voor de oprukkende rebellen van Laurent-Désiré Kabila.

Commentatoren lijstten de uitwassen van het regime op die zijn ineenstorting helpen verklaren. Claus aanhoorde het allemaal, wachtend tot ‘zijn’ onderwerp ter sprake kwam, maar hij kon toch niet nalaten fijntjes dit op te merken – en nu parafraseer ik, zijn precieze woorden en ook de datum van uitzending kan ik me niet voor de geest halen: “heel goed om dat te horen, maar dit soort commentaren hadden al veel eerder mogen geuit worden.”

Voor de slechte verstaander: op een moment dat het er nog toe had gedaan…

1999

In zijn Clauslezing, uitgesproken in Het Toneelhuis, noemde Jeroen Olyslaegers Claus “de ramskop die deuren heeft opengebeukt”. (Jeroen Olyslaegers, ‘Vergeet niet wie gij zijt’, De Morgen, 18/3/2018). En deuren heeft hij opengebeukt.

In 1999 publiceerde ik ‘De moord op Lumumba’, waarin wordt uiteengezet hoe de Belgische politiecommissaris Gerard Soete het lichaam van de Congolese premier in stukken sneed en in een vat zwavelzuur vernietigde.

Kort nadien liep ik in Brugge bij Soete langs, met de bede de resten van Lumumba die hij als een trofee had bijgehouden (twee tanden en een vingerkootje) aan de familie terug te geven. Vergeefse moeite, en even later gaf hij in een uitzending van TerZake lucht aan zijn ongenoegen over mijn bezoek en de media-aandacht voor zijn rol in de misdaad.

Twee dagen later reageerde Hugo Claus, met een gedicht in De Standaard (8/11/1999). Op dat moment was het nog erg onzeker hoe het establishment op mijn boek zou reageren.

Zou men het negeren, ondanks de media-aandacht en het ophef erover in Congo? Zoals men ook mijn eerste Congoboek, in 1996, had genegeerd?

Maar Claus aarzelde niet en nam stelling in, met een aanval in regel op Gerard Soete. Hier volgt het gedicht:

Lumumba’s gebit

“Lumumba,
de god van de Albino’s heeft zich
op jouw lijk gezet als op een toilet”
schreef ik dertig jaar geleden in een gedicht
en nu pas komt aan het trage licht
hoe Lumumba vernietigd werd.
Hoe de Belgische politie-inspecteur Gerard Soete
het lijk bewerkte
met een zaag en zwavelzuur.
‘Tot er niets meer overbleef,’ zegt hij.
Niets overbleef? Hij wrikte twee vergulde
snijtanden los en bewaarde ze.
‘Als souvenir’ zegt hij. Toen hij tachtig werd
zwierde hij ze in de Noordzee.

Niets overbleef?
Soete, ongeletterde, vleeshouwende huurling,
denk aan de Argonauten
die in de Middellandse Zee zeilden
op zoek naar het Gulden Vlies.
Ze rukten de tanden uit de muil van de Draak
en zaaiden ze in het zand
en de tanden verwekten
honderd krijgers met bijlen en speren
en die hebben zich op een rij gezet.
Een dezer nachten komen zij krijsend naar je bed.

Kaakslag

Politici, academici en journalisten: decennialang keken ze weg van de Belgische misdaden in Congo.

Politici, academici en journalisten: decennialang keken ze weg van de Belgische misdaden in Congo.

Hun prestige en status in leidende kringen, en toegang tot onderzoekskredieten en inreisvisa waren belangrijker dan de zoektocht naar de waarheid.

Is het niet tekenend dat vrijwel alle doorbraken in het historisch onderzoek kwam van ‘buitenstaanders’?

Van mensen zoals antropoloog-leraar Daniël Vangroenweghe en oud-diplomaat Jules Marchal, die de gruwel van Leopold II’s Congo Vrijstaat (1885-1908) tot op het bot analyseerden, terwijl Marchal ook diepgaande studies over de vreselijke dwangarbeid in Belgisch Congo (1908-1960) publiceerde.

Het werk van Vangroenweghe en Marchal zijn kaakslagen voor onze beroepsintellectuelen, zo verknocht aan de elite.

Hugo Claus keek het monster wél in de ogen, getuige zijn virtuoze uithalen hierboven.

Een andere ‘buitenstaander’, romancier Jef Geeraerts, deed dat ook. Geeraerts verzamelde voor zijn boek ‘De goede moordenaar’ (1972) getuigenissen van para’s over hun interventie in 1964 in Kisangani, dat in handen van rebellen was.

“Een groot aantal ongewapende Congolese burgers, mannen, vrouwen en kinderen” werd gedood”, schrijft Geeraerts.

En dat niet altijd als collateral damage, zo vertelde een ex-para aan de schrijver:

“Ik heb met m’n eigen ogen gezien dat zwarten, vooral jonge kinderen en vrouwen, kwamen aanlopen en met de armen zwaaiden om zich over te geven. Geen enkele was gewapend. Mannen van het Bravopeloton [van de 11e Compagnie commando’s] begonnen lachend op die mensen te schieten tot er geen enkele meer bougeerde.”

(J. Geeraerts, gecit. in L. De Witte, ‘Huurlingen, geheim agenten en diplomaten’, p. 188)

Artiesten als Claus en Geeraerts deden wat wetenschappers nalieten te doen: de vinger leggen op zwarte bladzijden uit onze geschiedenis.

Artiesten als Claus en Geeraerts deden wat wetenschappers nalieten te doen: de vinger leggen op zwarte bladzijden uit onze geschiedenis.

Hugo Claus speelde graag verstoppertje met de media. Hij was, aldus de website van het Letterenhuis, dichter, schrijver, tekenaar, schilder, scenarist en regisseur, maar ook poseur, acteur en dandy. En alles tegelijk.

In Elsevier zei hij in dat verband: “Ik leef achter vele maskers. Daarachter schuilt alles wat je maar kunt invullen van schaamte, kwetsbaarheid en verdriet.”

Maar op geregelde tijdstippen barstte door die maskers zijn penetrante politieke kijk. Te weinig? Misschien. Maar in de politieke woestenij van ons neokoloniaal stilzwijgen schitteren zijn spaarzame oprispingen als edelstenen.

Ze zullen ons blijvend herinneren aan wat onze taak is: lachen noch huilen, maar begrijpen, tegen de alomtegenwoordige verdwazing in.

Op Claus’ uitvaartplechtigheid zei Cees Noteboom: “Lieve vriend, vaar wel. En ik vraag je maar één ding: kom vooral spoken.”

Nou, spoken doet Hugo Claus nog steeds.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Ludo De Witte

Ludo De Witte is auteur van o.m. ‘Crisis in Kongo’ (1996), ‘De moord op Lumumba’ (1999) en ‘Huurlingen, geheim agenten en diplomaten’ (2014). Hij publiceerde ook ‘Als de laatste boom geveld is, eten we ons geld wel op’ (2017) en ‘Wie is bang voor moslims?’ (2004).


Over dit artikel

BronApache [https://www.apache.be]
TitelHugo Claus en ‘onze’ Congo
Auteur(s)Ludo De Witte
Permalinkhttps://www.apache.be/?p=81337
Gepubliceerd 29 maart 2018 @ 08:00. Met update op 29 maart 2018 @ 08:33
Opgevraagd25 juni 2019 @ 19:30
Klik hier om te printen