Geen blanco cheque voor Europese partijen

 Leestijd: 4 minuten0

“Partijen doen zichzelf 17 miljoen cadeau”, kopte De Standaard vorige week. Concreet gaat het over een verhoging van de subsidies voor de Europese politieke partijen voor 2019.

Deze aanklacht is echter wat voorbarig. We staan immers nog maar aan het begin van de budgetcyclus. Er moeten nog verschillende horden worden genomen vooraleer alle bedragen hun finale beslag zullen krijgen. Het Bureau van het Europees Parlement, de parlementaire begrotingscommissie, de plenaire vergadering, de Europese Commissie, de Raad van Ministers: allemaal zullen ze hun kritisch licht nog laten schijnen over de verschillende bedragen in de begroting en aanpassingen voorstellen. De kans bestaat dus dat de verhoging van 17 miljoen nog zal worden aangepast, zoals dat ook in de voorbije jaren het geval is geweest.

‘Spitzenkandidaten’

De 17 miljoen euro extra vertolkt in de eerste plaats het standpunt van de Secretaris-Generaal van het Europees Parlement, Klaus Welle. Als hoofd van de parlementaire administratie doet hij elk jaar het eerste voorstel van de begroting.

Het is geen geheim dat Welle de Europese politieke partijen erg genegen is. Hij was bijvoorbeeld één van de architecten van het systeem van “Spitzenkandidaten” tijdens de vorige Europese verkiezingen in 2014.

Het Europees Parlement in Brussel (Foto: Apache (c) Kaja Verbeke)

De grote Europese partijen gingen toen met hun kandidaat-voorzitter voor de Europese Commissie de campagne in: zo nomineerden de Europese liberalen Guy Verhofstadt als hun topkandidaat en was Martin Schulz het boegbeeld van de Europese Socialisten. Uiteindelijk werd de centrumrechtse Europese Volkspartij de grootste kracht in het Europees Parlement en werd hun kandidaat – Jean-Claude Juncker – de nieuwe voorzitter van de Europese Commissie.

De Spitzenkandidaten maakten de stembusgang ongetwijfeld Europeser, al bleef de impact eerder beperkt, onder meer omdat de Europese Partijen hun campagne met relatief bescheiden middelen moesten voeren.

Geen exuberante bedragen

In 2014 spendeerden alle Europese politieke partijen ongeveer 3,5 miljoen euro aan hun campagnes. Voor alle duidelijkheid, dit is het totaalbedrag dat de 13 Europese partijen samen besteedden aan hun campagnes in alle 28 lidstaten.

De campagne-uitgaven van de Europartijen kunnen moeilijk exuberant genoemd worden.

Ter vergelijking: de Vlaamse partijen gaven bij de laatste verkiezingen 6,3 miljoen euro uit aan hun campagnes (de financiële steun van de partijen aan hun kandidaten niet eens meegerekend). Dan gaat het over 8 partijen voor een grondgebied van een halve lidstaat. En dat zou zelfs nog meer geweest zijn als er in België geen uitgavenplafond van 1 miljoen euro per partij bestond. Met andere woorden, de campagne-uitgaven van de Europartijen kunnen moeilijk exuberant genoemd worden.

Ook naar aanleiding van de vorige Europese verkiezingen in 2014 werd het totale subsidiebudget voor de Europese partijen verhoogd: in 2013 ging het bedrag van 18,9 miljoen euro naar 21,8 miljoen euro en in 2014 werd het verder verhoogd naar 27,8 miljoen euro.

Ook dan werd de stijging gemotiveerd door te wijzen op de extra campagnekosten van de partijen. Het klopt inderdaad dat de partijsubsidies zowel gebruikt moeten worden voor de lopende kosten – personeel, accommodatie, vergaderingen en congressen, administratie, etc. – als voor de uitgaven van de campagnes.

Zonder subsidieverhoging zou de dagelijkse werking van de Europese partijen in verkiezingsjaren dus onder druk komen te staan. Te meer omdat zij – in tegenstelling tot de Belgische partijen bijvoorbeeld – geen “oorlogskas” mogen aanleggen.

Op Europees niveau kunnen partijen maar een beperkt bedrag sparen; de rest moet meteen worden uitgegeven of teruggestort. Een tijdelijke verhoging in verkiezingsjaren is dus gerechtvaardigd. Alleen is die verhoging niet tijdelijk.

Het zou veel beter zijn om te voorzien in een aparte subsidie die alleen aan campagnes mag worden besteed en die enkel wordt toegekend in verkiezingsjaren.

In 2015 bijvoorbeeld werden de subsidies voor Europese partijen niet verlaagd, maar zelfs nog lichtjes verhoogd. Het zou daarom veel beter zijn om te voorzien in een aparte subsidie die alleen aan campagnes mag worden besteed en die enkel wordt toegekend in verkiezingsjaren.

De verhoging van 17 miljoen euro zou het totale subsidiebedrag aan de Europese politieke partijen voor 2019 op 50 miljoen euro brengen. Dat totaalbedrag wordt dan vervolgens verdeeld over alle erkende politieke partijen.

Meer voor de grote partijen

Vorig jaar werd die erkenning voor het eerst toegekend door een Onafhankelijke Autoriteit. De procedure verliep veel strenger dan in de voorgaande jaren, toen het Europees Parlement zelf nog instond voor de registratie.

Verschillende Europartijen verloren daardoor hun erkenning: in plaats van 16 politieke partijen in 2016, werden in 2017 maar 10 Europese partijen erkend. Het valt nog af te wachten of de andere partijen erin zullen slagen om hun erkenning binnen te halen. Zo niet, zal het totaalbedrag voor 2019 worden verdeeld over minder partijen, wat resulteert in een hoger potentieel subsidiebedrag per partij.

De Europese financiering is echter geen blanco cheque: er zijn wel degelijk voorwaarden aan verbonden. Zo kunnen Europese partijen enkel hun subsidiebedrag ontvangen als ze daar voldoende eigen inkomsten tegenover kunnen stellen. Die halen ze uit de bijdragen van hun leden, aangesloten nationale partijen of organisaties, en giften.

Hoe lager hun eigen inkomsten, des te lager ook hun subsidiebedrag zal zijn. Als het totale subsidiebedrag wordt verhoogd, moeten de partijen zelf dus ook op zoek naar meer eigen middelen. En daar wringt vaak het schoentje. De voorwaarde om zelf inkomsten te verwerven was bedoeld om de Europese partijen maatschappelijk sterker te verankeren, maar voorlopig (?) is de inbedding van de meeste partijen relatief beperkt.

Voor verschillende Europese partijen is het daarom een hele uitdaging om eigen inkomsten te verkrijgen. Zoals onder andere Apache in het verleden al berichtte, nemen sommige partijen het daarom niet zo nauw met de regels en proberen door “creatief boekhouden” toch zoveel mogelijk van hun Europese partijsubsidies te ontvangen.

Beperkte controle

De controle op de boekhoudingen van de partijen is in het verleden echter al verschillende keren ontoereikend gebleken en moet daarom verder worden opgevoerd. De Onafhankelijke Autoriteit telt bijvoorbeeld maar drie medewerkers, en ook de mogelijkheden van de eenheid in het Europees Parlement die zich bezighoudt met de Europese partijen zijn beperkt.

Daarnaast moeten de partijen een externe audit laten uitvoeren, maar ook die is er niet in geslaagd om de rekeningen van de partijen steeds afdoende te controleren.

Zeker met de campagnes voor de Europese verkiezingen volgend jaar in het vooruitzicht is dat een probleem. Europese politieke partijen mogen hun subsidies namelijk niet gebruiken om – direct of indirect – hun nationale lidpartijen te ondersteunen. Ook deze regel werd in het verleden niet door alle partijen strikt nageleefd.

De verkiezingscampagnes van de Europese en de nationale partijen gescheiden houden, is in de praktijk geen sinecure. Denk bijvoorbeeld aan de Spitzenkandidaten van de Europese partijen die samen met de kandidaten van hun nationale partijen op campagne trekken of gemeenschappelijke activiteiten organiseren.

Op zo’n momenten is het risico op indirecte financiering niet gering. Een goede controle in alle (dan) 27 lidstaten bij de Europese verkiezingen van volgend jaar is met de huidige capaciteit echter onwaarschijnlijk.

Daarom zou het goed zijn dat de toegenomen partijsubsidies hand in hand gaan met extra middelen voor de controle van de partijen. Helaas is daar voorlopig nog niet veel van te merken.

 

Lees ook:

 

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Wouter Wolfs

Is onderzoeker aan het Instituut voor de Overheid, KU Leuven.