Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

De ‘vercommercialisering’ van de welvaart- en rechtsstaat

19 december 2017 Walter De Smedt
Le Palais de Justice d'Anvers sous les nuages (Photo: Roger Price/ Août 2008/ Flickr-CC)
Le Palais de Justice d'Anvers sous les nuages (Photo: Roger Price/ Août 2008/ Flickr-CC)

Hoe komt het dat het parlement zich, in de Kazachgate, vragen stelt over de wijze waarop het zelf de afkoopwet heeft gestemd, dat een gewestelijk parlement onderzoekt hoe een constructie als Publifin, die het zelf heeft mogelijk gemaakt, tot zoveel misbruiken kon leiden?

Waarom kwam er in de Gentse gemeenteraad zoveel poeha over Optima, waarin meerdere raadsleden zelf betrokken waren, en waarom werd er in Antwerpen klacht neergelegd bij de deontologische commissie voor een ogenschijnlijk onschuldig etentje van schepenen met een bouwpromotor?

In de Kazachgate gaat het in aanvang om de verkoop van helikopters. In het Publifin-schandaal ligt de oorzaak in de buiten het openbaar toezicht gegroeide activiteiten van een in de oorsprong intergemeentelijke samenwerking.

In Gent was de aanleiding de verhouding tussen plaatselijke politieke mandatarissen en een failliete privé-bank. In Antwerpen gaat het om een onbehoorlijke samenwerking tussen bouwpromotoren en het stadsbestuur.

Dat tegelijk en over het gehele land grote vragen gesteld worden over samenwerkingsverbanden tussen overheidsbesturen en privé-ondernemingen kan geen toeval zijn: het zet aan om na te gaan wat er problematisch aan is.

Welvaartstaat

Ons land was er na de tweede wereldoorlog snel terug bovenop. Dat lag niet enkel aan het Marschallplan. Dat er in dit land goed wordt geleefd, komt omdat er hard werd gewerkt, aanvankelijk spaarzaam werd uitgegeven, en er ernstig werd gestudeerd.

Le Palais de Justice d'Anvers sous les nuages (Photo: Roger Price/ Août 2008/ Flickr-CC)
Het Antwerpse justitiepaleis onder de wolken (foto: Roger Price - Flickr-CC)

Het komt ook omdat er een goed evenwicht werd gevonden tussen de vereisten van een nieuwe economie en de noden van de bevolking. Dit evenwicht tussen de sociale en economische factoren noemen wij de welvaartstaat: een staat waarin het beleid zorgt voor de billijke verdeling van de welvaart tussen al wie er aan deelneemt en zelfs voor wie er afvalt.

In dit beleid was het openbaar belang een vast gegeven. Het was een algemene maatstaf waaraan het leven in de gemeenschap werd gemeten. Het zorgde eveneens voor een scheiding tussen wat van openbaar en wat van privé-belang was.

Deze scheiding tussen het openbaar bestuur en het privé-initiatief belette niet dat er tussen de twee werd samengewerkt, het zorgde enkel voor de behoorlijkheid van die synergie. In het begrip 'openbaar bestuur' staat de omschrijving 'openbaar' borg voor de behoorlijkheid, want openbaarheid is de beste garantie dat het ook fatsoenlijk gaat.

Samenwerking

De samenwerking tussen de openbare en de privé-sector kreeg een nieuwe vorm: de publiek-private samenwerking (PPS). Het opzet was om daarin, met behoud van de eigen identiteit en verantwoordelijkheid van iedere sector, gezamenlijk een meerwaarde te realiseren. Die meerwaarde kon financieel, maatschappelijk of operationeel zijn.

In een eerste evolutie werden intergemeentelijke samenwerkingverbanden gecreëerd, voornamelijk in de energiesector, waarvan de activiteiten een eigen bestuur verkregen. Uit die intergemeentelijke samenwerking ontstonden verder afgesplitste, autonome gemeentebedrijven, waarin de band met de gemeente steeds verder werd afgebouwd.

Zoals nu blijkt, zijn vele van die autonome bedrijven te autonoom geworden, is de openbare factor er geheel in verdwenen om plaats te maken voor zowel een doel als een werkwijze die de vereisten van het openbaar bestuur zijn voorbij gestoken.

Hoe meer het privé-karakter werd benadrukt, hoe minder het toezicht, eigen aan de openbare instelling, er in verdween.

Eigen, louter commerciële activiteiten, die in niets meer verschillen van een enkel privé-bedrijf hebben de zorg voor het algemeen belang ondergeschikt gemaakt aan het privé-commerciële doel: winst maken.

Hoe meer het privé-karakter werd benadrukt, hoe minder het toezicht, eigen aan de openbare instelling, er in verdween. Deze evolutie eindigde met wat het normale doel van een privé-activiteit is: persoonlijke verrijking.

Geen wonder dat het verschijnsel in alle nu gereveleerde schandalen aanwezig is: de hoge vergoeding van bestuurders en zelfs de vergoeding voor niet uitgevoerde toezichtsopdrachten.

Toezicht

De regelgever heeft van bij het begin het gevaar van een verzelfstandiging en een commerciële ingesteldheid onderkend en gezorgd voor striktere voorschriften voor instellingen die een beter toezicht moesten garanderen: codexen en deontologische codes, integriteitsbureau's en deontologische commissies.

Deze bestuurlijk instanties hebben intussen hun onwerkdadigheid bewezen. Het Gentse Optimaschandaal is er een voorbeeld van: terwijl de deontologische commissie een tekort aan voorzichtigheid vaststelde, gingen de wanpraktijken in de bouwsector gewoon verder.

De verregaande verzelfstandiging van Publifin verhinderde daadwerkelijke maatregelen tegen bestuurders die zich met beschermingsvoorzieningen uit de privé hadden gewapend.

Daardoor moet niet alleen de uit de hand gelopen vormen van privaat-publieke samenwerking maar ook het onwerkdadig toezicht en het daarmee samengaande gebrek aan sanctionering worden herbekeken.

Maar ook de klassieke vorm van toezicht door de gerechtelijke overheden, lijkt, minstens, te aarzelen. Terwijl de verantwoordelijken van het Optimaschandaal in Gent werden vervolgd, kregen zij in Halle de rechterlijke steun om hun activiteit verder te zetten.

Dat kon gebeuren omdat in de nieuwe wet op de continuïteit der ondernemingen de 'goede trouw' geen referentie meer is: de commerciële kredietwaardigheid heeft de menselijke, de goede trouw, vervangen!

Waarom dat is kunnen gebeuren, ligt aan hetzelfde fenomeen: ook in de gerechtelijke aanpak heeft de 'vercommercialisering' toegeslagen. Dat is alweer in het Kazachgateschandaal het best zichtbaar. Er werd een wet gemaakt die toeliet de verdachten van megafraude aan de strafrechter te onttrekken om een commerciële deal over de verkoop van gevechtshelikopters, en dan nog tussen twee vreemde staten, mogelijk te maken.

Hoever de grenzen van het toelaatbare daarin werden overschreden, toont de ernst van de wantoestanden. Daarin vergaten twee procureurs-generaal hun plicht tot vervolging, paste de éne een nog niet gestemde wet toe en lobbyde de andere stiekem met de advocaten van de verdachten die hij verondersteld werd te vervolgen: marchanderen staat haaks op controleren.

En alweer ligt de oorzaak van de 'disfunctie' in de voorrang van de commerciële aanpak. De afkoopwet is zelfs het ultieme middel om de sanctionering van de excessen te ontlopen: een afgeschermd geldelijk en vertrouwelijk compromis in plaats van een publiek uitgesproken straf.

Dat de vercommercialisering zich ook in de gerechtelijke benadering heeft doorgezet, heeft tot gevolg dat niet enkel de welvaartstaat maar ook de andere naoorlogse verworvenheid, de rechtsstaat, ernstig werden ondermijnd.

Het gevolg daarvan is voor iedereen zichtbaar. In de Kazachgate werden de drie grondwettelijke machten op het hoogste niveau ondergraven.

Zakenadvocaten

De afbraak van beide, meest waardevolle staatrechtelijke verworvenheden, is niet uit zichzelf gekomen. De rol van meerdere grote kantoren van zakenadvocaten is er niet in te ontkennen.

Nogmaals is de Kazachgate daarin een voorbeeld. De voorbereiding van de afkoopwet gebeurde door zakenadvocaten die zelfs met hoge magistraten vertrouwelijk overlegden om de politieke besluitvorming te beïnvloeden.

Bij de bespreking van de afkoopwet werd de senaat op het verkeerde been gezet door een zakenadvocaat-professor-expert die voorhield dat een compromis niet mogelijk was zonder voorafgaande schulderkenning, wat de senatoriale ongerustheid suste. Nadien bleek dezelfde expert voor de diamantsector te zijn opgetreden en er ook door te zijn betaald. Van schulderkenning bleef niets meer over.

De rol en de tussenkomst van dergelijke zakenadvocaten als adviseurs van grote fraudeurs, ministeriële kabinetten of verzelfstandigde, autonome gemeentebedrijven, is in alle schandalen merkbaar.

De financiële crisis was het gevolg van de door zakenadvocaten bedachte rommelkredieten en dezelfde kantoren bedachten de techniek van het compromis om er de vervolging van af te kopen.

De massale fraude in de Panama- en de andere Papers was niet mogelijk zonder de tussenkomst van de zakenkantoren. In het Antwerpse Land Invest dossier kon het stadsbestuur de verplichting tot openbare verkoop van gronden ontlopen op advies van twee grote zakenkantoren die beweerden dat een verhandeling van het opstalrecht ook onderhands kon gebeuren.

De door deze kantoren geadviseerde werkwijze is niets meer dan de manier waarop zij zelf functioneren. Zakenadvocaten beperken hun activiteiten niet enkel tot het recht op verdediging wanneer een geschil gerechtelijk moet worden opgelost.

Zij zijn reeds nadrukkelijk aanwezig bij de tot standkoming van de nieuwe vormen van bestuur, geven daarbij advies of schrijven zelfs de wet. Wat daaruit volgt is een kopie van hun eigen werkwijze: niet in de openbaarheid van een proces maar in de beslotenheid van een kantoor, en niet om de rechter te helpen het geschil te beslechten, maar om deze te ontwijken of te ontlopen.

Dat deze benadering, 'la justice de marchandage', de rode draad doorheen de lopende hervorming van justitie vormt, het ius vigilantibus, het recht van de wakkere, voorrang krijgt op dat van de zwakkere, is een verregaande ontkenning van de rechtsstaat, en even zeer van de welvaartstaat, want beide zijn op gelijke wijze voor iedereen bedoeld.

Wat nu?

Het is duidelijk dat de nieuwe vormen van bestuurlijk toezicht niet volstaan om de excessen van de autonome werking van gemeentelijke bedrijven terug op het goede spoor te brengen. Daarom moet vooreerst de verregaande autonomie worden ingeperkt zodat de werking opnieuw binnen de grenzen van het openbaar bestuur en het daarmee samengaande openbaar toezicht kan worden gebracht.

Ook de tussenkomst van de gerechtelijke overheden moet hierbij opnieuw worden geëvalueerd. Best zou het begrip 'goede trouw' opnieuw langs de wet op de continuïteit de nu enkel geldende overweging van 'commerciële kredietwaardigeheid' aanvullen: want “fraus omnia corrumpit”, bedrog ondermijnt alles.

Ook de opdracht van de parketten mag in deze maatschappelijk erg schadelijke evolutie niet worden vergeten: de huidige houding, 'too big to prosecute', is zoveel als een blanco cheque om de evolutie te kunnen verder zetten.

De deontologie van de zakenadvocaten is ook aan overdenking toe. Een advocaat wordt verondersteld binnen de wet te werken: het bedenken van mogelijkheden om de wet te overtreden is zoveel als medeplichtigheid, er bij de uitvoering aan meewerken wordt mededaderschap.

Dat de wet die alle nefaste elementen in zich verenigt, de afkoopwet, moet verdwijnen, moet niet herhaald worden. Dat zal iedereen intussen al begrepen hebben.

De voornaamste door te voeren wijziging ligt evenwel in het veranderen van een intussen diepgewortelde mentaliteit: het openbaar belang moet opnieuw in ere worden hersteld zodat het de excessen van de vercommercialisering kan terug dringen.

Dergelijke mentaliteitswijziging zal niet vanzelf komen: het zal moeten worden afgedwongen.

Dat kan door de openbare diensten en de ambtenaren die er deel van uitmaken de mogelijkheden en de kracht te geven om hun opdracht naar behoren uit te voeren. Maar evenzeer kan het niet bij de vaststelling van de eeuwige 'disfunctie' blijven.

Dit leeg begrip moet opnieuw worden vervangen door de begrippen 'fout' en 'nalatigheid' die wél tot sanctionering kunnen leiden.

Je kan er ook van uitgaan dat meer fatsoen uit zichzelf het exces zal verdringen, het een normale reactie is in de cyclus van de geschiedenis. Daar zit echter een groot gevaar in. Dezelfde geschiedenis toont dat wanneer dergelijke evolutie aan zichzelf wordt overgelaten er een kantelmoment komt waarop het éne exces het andere kan vervangen: het snel groeiend succes van extreem-rechts toont dat een dergelijk kantelmoment niet ver af is.

Tijd dus om er zelf wat aan te doen zo niet zijn wij het grote naoorlogse geschenk, de welvaartstaat en de rechtsstaat, de werkelijke overwinning op het andere exces snel weer kwijt.

LEES OOK