Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Is Optima 'too big to fail'?

12 december 2017 Walter De Smedt
Schermafbeelding 2016-07-18 om 16.26.56
Jeroen Piqueur, Optima (Foto: ID (c) Emy Elleboog)

Het drietal werd nadien aangehouden. Binnen de vijf dagen zal de raadkamer beslissen of de drie aangehouden blijven (De Standaard, 12 dec. 2017). Veelal worden verdachten bij het begin van een onderzoek opgepakt, op een ogenblik dat het onderzoek start. Dat het pas na maanden onderzoek gebeurt, wijst ofwel op de ernst der feiten, het gevaar voor ontvluchting of de tegenwerking van de verdachten.

Het laatste element roept evenwel vragen op naar de onderscheiden gerechtelijke behandelingen van één zelfde dossier: enerzijds het gerechtelijk onderzoek naar mogelijke strafbare feiten en anderzijds de voortzetting van de activiteiten onder de vorm van een WCO, onder de bescherming van de wet op de continuïteit der ondernemingen.

Continuïteit

Nadat de Optima bank door de rechtbank van koophandel te Gent failliet werd verklaard en terwijl de onderzoeksrechter te Gent een onderzoek voert over mogelijke strafbare feiten in het Optima dossier, werd de Nederlandstalige rechtbank van koophandel in Brussel gevat met een vraag tot voortzetting van de activiteiten van de Optima-vastgoedpoot Optima Global Estate.

Een moeilijke oefening kan dat worden genoemd. Verschillende activiteiten van dezelfde personen worden uit elkaar gehaald en afzonderlijk bekeken: of het éne niets met het andere te zien heeft.

Juridisch kan het wel: de wet op de voorzetting continuïteit ondernemingen heeft tot doel een bedrijf in nood te redden eerder dan het zonder meer failliet te laten gaan. Een doorstart onder toezicht van de rechtbank is immers beter zowel voor de economische activiteit als voor de schuldeisers.

Er zit evenwel een niet onbelangrijke tegenspraak in: in het gerechtelijk onderzoek te Gent gaat het om met opzet gepleegde feiten van kwade trouw, om misdrijven, in Brussel is dat element niet relevant.

Deze verschillende benadering is bij de bespreking van de wet op de continuïteit niet onopgemerkt gebleven. Toon Lysens, voorzitter van de rechtbank van koophandel van Tongeren, wees op het gevaar:

Het blijft spijtig dat men die tweede kans nooit duidelijk heeft laten afhangen van de manier waarop handel werd gedreven. De rechtbanken van koophandel hebben de wet van 8 augustus 1997 wat betreft de verschoonbaarheid eng geïnterpreteerd uit eerlijke overtuiging dat vele handelaars geen tweede kans verdienden. De wetgever heeft van de verschoonbaarheid de regel gemaakt. Op grond van art. 80 Faill.W. kan de verschoonbaarheid slechts geweigerd worden om gewichtige redenen of indien de gefailleerde te kwader trouw is. Het gevolg is natuurlijk dat de continuïteit van de onderneming van de natuurlijke persoon-handelaar veel minder belangrijk is geworden. Faillissement houdt in de huidige stand van de wetgeving quasi-automatische kwijtschelding van schulden in. De persoonlijke relatie en de goede trouw zijn in het handelsverkeer vervangen door de kredietverzekering.

Kredietverzekering

Optima Global Estate vroeg bescherming tegen zijn schuldeisers en de rechtbank van koophandel kende dat begin oktober toe tot 15 november. De rechtbank van koophandel verlengde die bescherming al twee maal en vrijdag werd de stemming gehouden over het reorganisatieplan van de vastgoedpoot.

Een grote meerderheid van de schuldeisers stemde voor het reorganisatieplan. De Nederlandstalige rechtbank van koophandel in Brussel heeft die beslissing maandag gehomologeerd, waardoor de doorstart definitief is.

“Het reorganisatieplan kan worden uitgevoerd”, zegt Jeroen Piqueur. “Bijna alle schuldeisers stemden in met het voorgelegd reorganisatieplan waarmee de credibiliteit van het doorstartplan wordt bevestigd.” (Belga, 14 februari 2017)

Openbaar belang

Naast het commercieel belang van de onderneming en van de schuldeisers, is er ook een ander belang: dat van de gehele gemeenschap. Wat is het gevolg van de zowel in Gent als in Brussel bekeken activiteiten op de gehele maatschappij?

Kunnen en mogen feiten die mogelijk misdrijven uitmaken opgesplitst worden om het éne deel te vervolgen en het andere, dan nog met rechterlijke bijstand, verder te zetten? Het is geen alleenstaande vraag. Ook in de afkoopwet, de wet die toelaat de vervolging van een misdrijf te vervangen door een schikking zie je hetzelfde verschijnsel: de overhand van het commercieel aspect op het strafrechtelijke.

En ook in andere schandalen als de Kazachgate, Publifin en de Samusocial zie je dezelfde vermenging van procedures en benaderingen: de vervanging van de strafrechtelijke vervolging door 'bestuurlijke' oplossingen: behandeling door een parlementaire onderzoekscommissie, door een gemeentelijk integriteitsbureau of een deontologische commissie.

De uiteindelijke vraag is te weten wat het éne en het andere tot gevolg heeft: wie is er gediend door de vervanging van wat een misdrijf uitmaakt door de omschrijving 'disfunctie'?

Het antwoord is gekend: de disfunctie is een leeg begrip dat tot niets anders leidt dan de voortzetting ervan. De overweging dat sommige misdrijven “too big to prosecute” zijn, leidt tot de vaststelling dat er bedrijven zijn die “ too big to fail” zijn.

Too big to fail

Waarom zouden bepaalde bedrijven te groot zijn om failliet te gaan? Welk element is daarbij doorslaggevend? Kan de vastgoedpoot van Optima niet overgenomen worden door een ander niet door strafrechtelijke elementen besmet bedrijf?

Dezelfde vraag kan ook voor Publifin en de Samusocial worden gesteld: kunnen die activiteiten niet door andere bedrijven worden voortgezet? Deze vraagstelling brengt een ander aan al deze dossiers gemeen element naar voor: de betrokkenheid van politieke mandatarissen, het persoonlijk belang dat zij er uit haalden. Je kan niet ontkennen dat dit in al deze dossiers prominent aanwezig is. Wie of wat is er “too big to fail”?

Land Invest

In het dossier Land Invest zie je dezelfde benadering. Het start met een poging om het “bestuurlijk” op te lossen. Dat leidt natuurlijk tot niets: misschien zoals dat in Gent gebeurde met de vaststelling van “onvoorzichtigheid”.

Uiteindelijk komt er toch een moment waarop de belangrijkste vraag onafwendbaar is. Is het gebrek aan “kredietwaardigheid” het gevolg van een economische tegenslag of van strafbare feiten?

Is het maatschappelijk verantwoord om in het tweede geval aan dezelfde actoren “kredietwaardigheid” te geven? Het is dé vraag die alle soortgelijke dossiers overstijgt: hoe moeten de belangen van de gehele gemeenschap worden afgewogen aan de privé-belangen van de betrokken bedrijven en de er in betrokken zijnde personen?

Wat verdient voorrang en hoe ga je dan te werk? Het is een fundamentele keuze die moet gemaakt worden door diegenen die de gemeenschap vertegenwoordigen. Dat zijn zowel de parlementairen die in een onderzoekscommissie zetelen als de parketmagistraten die toezicht hebben op de toepassing van de wet op de continuïteit der ondernemingen. Is de continuïteit van de gehele maatschappij niet het belangrijkste?

LEES OOK