Laat energietransitie niet over aan de ‘magie van de markt’


Er vallen door de private sector nog gigantische winsten te rapen met fossiele brandstoffen. Om tot een duurzame energietransitie te komen kunnen we dus niet wachten tot de ‘magie van de markt’ zijn werk doet. Daarom moeten burgers en overheden een voortrekkersrol opnemen in de omslag naar hernieuwbare energie.

De spanning tussen een natuurlijk begrensd ecosysteem en een kapitalistische markteconomie gericht op onbegrensde economische groei is onhoudbaar. De planeet is niet in staat om een continue en expansieve doorstroom van materialen, grondstoffen en energie te verwerken. Daarom zal de mensheid een sprong moeten wagen naar een samenleving en economie die de natuurlijke grenzen wel respecteert.

In zijn recente boek over de klimaatopwarming spreekt Ludo De Witte in dat verband van ecosocialisme. Hij pleit voor een “economie die sociale rechtvaardigheid en ecologische duurzaamheid verzoent.” Het gewicht van de publieke sector en van publieke investeringen zal daarin ettelijke malen groter moeten zijn dan vandaag het geval is. De markteconomie beschikt immers niet over “een intern regulerend mechanisme dat aanzet om van koers te veranderen.”

Klimaatvraagstuk is politieke kwestie

De Witte roept daarbovenop op tot een verhoogde samenwerking tussen de milieu- en arbeidersbeweging. De uitputting van natuur en arbeid door het kapitalisme vergt een gezamenlijk antwoord van beiden.

windmolen windenergieMet deze boodschap staat De Witte niet alleen. In eigen land treedt hij in de voetsporen van o.a. Anneleen Kenis en Matthias Lievens (‘De mythe van de groene economie. Valstrik, verzet, alternatieven.’), Natalie Eggermont (‘Climate Express. Sporen van verandering’) en Stephen Bouquin (‘Helemaal Anders’).

Net als hen beschouwt De Witte het klimaatvraagstuk als een maatschappelijke en politieke kwestie. Achter marktmechanismen zoals publiek private samenwerking (PPS) en koolstofemissiehandel schuilen immers keuzes die de belangen van bankiers en hefboomfondsen in zich dragen.

De keuze voor klimaatrechtvaardigheid daarentegen veronderstelt controle van werknemers en burgers over de economische hefbomen via coöperatieven, een versterkte publieke sector en democratische planning.

In deze gastbijdrage vestig ik de aandacht op burgerbewegingen van syndicalisten en milieuactivisten die ijveren voor rechtvaardige transitie en de democratisering van onze energievoorziening. De druk van onderuit zette veel Duitse en Britse steden ertoe aan om publieke energiebedrijven op te richten. Ze bieden een doeltreffend alternatief voor het falen van de markt.

Ecologisch verantwoorde energie mag geen speelbaal worden van PPS

De keuze voor klimaatrechtvaardigheid veronderstelt controle van werknemers en burgers over de economische hefbomen via coöperatieven.

Zonder massale investeringen in duurzame energie zullen wij de uitstoot van broeikasgassen niet kunnen terugdringen. Bepaalde private investeerders – van banken tot grote energiebedrijven – hebben hun ogen laten vallen op de nieuwe economische sectoren.

Lobbygroepen zoals het Global Green Growth Forum willen duurzame energiecentrales en groene groei realiseren door middel van publiek-private samenwerking (PPS). Vaak gaan PPS-projecten hand in hand met plannen om via publieke middelen (denk aan het Junckerplan van de Europese Commissie) private investeerders mee in het bad te trekken.

Het gebruik van publieke leningen als een hefboom (‘leveraging’) voor private middelen is echter ondoeltreffend. Uit onderzoek blijkt dat internationale financiële instellingen (zoals de Wereldbank of de Europese Investeringsbank) en nationale overheden respectievelijk twee derden en een kwart van de middelen voor hernieuwbare energieprojecten aanbrengen. De bijdrage van de private sector is beperkt tot slechts 8,4 % van alle geïnvesteerde middelen.

De bijdrage van de private sector in hernieuwbare energieprojecten is beperkt tot slechts 8,4 % van alle geïnvesteerde middelen

Een onderzoek van de Wereldbank uit 2013 bevestigt dat het merendeel van de publiek private partnerschappen hoofdzakelijk investeert in conventionele, fossiele brandstoffen. Tussen 1998 en 2008 ging slechts 4 % van alle PPS-investeringen naar hernieuwbare energie. Private investeerders willen minder risico lopen en zijn hoofdzakelijk geïnteresseerd in de projecten die winst opleveren.

Oorspronkelijk waren de investeringskosten van duurzame energie nog bijzonder hoog waardoor investeringen vanuit een winstoogmerk minder interessant waren. Volgens deze marktlogica is de gebrekkige bijdrage van private investeerders best begrijpelijk. Vanuit een maatschappelijk en ecologisch perspectief illustreert dit echter hoe risicovol het is om hernieuwbare energie over te laten aan de winstmotieven van de private sector.

Brengt de prijsdaling van windturbines redding?

Tussen 2008 en 2015 is de prijs van windturbines en fotovoltaïsche cellen echter met respectievelijk 41 % en ergens tussen de 54 % en 64 % gezakt. De Amerikaanse overheid voerde de afgelopen jaren bovendien een zeer gunstig fiscaal stimuleringsbeleid. Producenten van duurzame energie mogen tien jaar lang genieten van een belastingaftrek (tax credits) ter waarde van 2.4 dollarcent per kilowattuur. Daarbovenop mogen zij ook een deel van de investeringskosten aftrekken van hun vennootschapsbelasting.

“Je moet geen helderziende zijn om te beseffen dat de oliebaronnen hun gouden kalf niet willen slachten, zelfs al zal dat de aarde naar een kookpunt brengen.”

De dynamiek van fiscale stimuleringen en prijsverlagingen ging zeker gepaard met meer private investeringen (ook in de vorm van PPS). In de Verenigde Staten waren de goedkopere windturbines goed voor 41 % van alle energiecapaciteit die er in 2015 is bijgekomen.

In zijn boek haalt Ludo De Witte echter de hoera-berichten onderuit. De Witte steunt op ramingen van het Internationale Energieagentschap (IEA). Aan het huidige transitieritme zal het aandeel van de hernieuwbare energie in 2040 amper 17 % bedragen van de mondiale elektriciteitsproductie.

Het gaat dus allemaal veel te traag. De Witte brengt dit in verband met de gigantische winsten die er nog te rapen vallen met fossiele brandstoffen: “De petroleumrente levert Big Oil elk jaar 1,3 miljard euro aan superwinsten op: je moet geen helderziende zijn om te beseffen dat de oliebaronnen dat gouden kalf niet willen slachten, zelfs al zal dat de aarde naar een kookpunt brengen.”

Nogal wat pleitbezorgers van de groene economie geloven dat groene energieproducenten en bedrijven ooit voldoende concurrentieel zullen zijn om de grote fossiele brandstofreuzen volledig uit de markt te drummen. We hebben echter niet de luxe om te wachten op de ‘magie van de markt’.

De stap naar mondiale emissiehandel

We hebben niet de luxe om te wachten op de ‘magie van de markt’.

Bovendien is het nog maar de vraag of marktwerking het meest doeltreffende mechanisme is om de uitstoot van broeikasgassen te elimineren. Neem bijvoorbeeld de koolstofemissiehandel. Bedrijven krijgen een bepaalde hoeveelheid uitstootrechten die ze kunnen verkopen als ze minder CO2 uitstoten dan ze langs deze weg toegestaan is. De opkopers zijn de bedrijven die meer hebben uitgestoten en dus nood hebben aan extra emissierechten.

Klinkt allemaal goed in theorie. Maar volgens Anneleen Kenis en Matthias Lievens zijn er heel wat principiële en praktische bezwaren. Zo waren er vanaf de start (het Kyoto-akkoord) te veel uitstootrechten in circulatie waardoor de prijs te laag was. De prikkel voor vervuilende bedrijven om de uitstoot te reduceren bleef zo achterwege.

Emissiehandel is niettemin big business voor banken en hefboomfondsen, zo stellen Kenis en Lievens: “Emissierechten vertegenwoordigen als het ware een nieuw type van waardepapieren of geld. Zo heten de verhandelbare quota die Europa verdeelt bijvoorbeeld European Union Allowances. Daarmee kan men handeldrijven op de beurs en speculeren.”

Sinds het klimaatakkoord van Parijs blijken ‘carbon markets’ na een aantal magere jaren helemaal terug van weg te zijn. Op het Wereld Economische Forum gingen dit jaar stemmen op om werk te maken van mondiaal geïntegreerde emissiehandel. Het zou Westerse financiële spelers de kans geven om een graantje mee te pikken van wat de grootste nationale emissiemarkt ooit zal zijn: China. De Chinese overheid zou die graag nog dit jaar willen lanceren.

Het geloof in de markt

Het is tot hiertoe altijd bijzonder moeilijk gebleken voor emissiemarkten om de juiste prijs op koolstof te plakken. Een te hoge prijs kan vanuit markteconomisch oogpunt tot crisis leiden. Een te lage prijs kan dan weer bedrijven verhinderen om betekenisvolle stappen richting verminderde uitstoot te zetten.

In Europa zijn er meer en meer steden en gemeenten die de privatisering van nutsvoorzieningen terugdraaien.

Toch blijven klimaateconomen als Nicolas Stern (auteur van het Stern Review on the Economics of Climate Change) beweren dat markten de sleutel tot de oplossing in handen hebben. Markten, aldus Stern dit jaar op het Wereld Economisch Forum, blijven immers efficiënter dan “bureaucraten” in de allocatie van middelen. Mits hervormingen en de sprong naar mondiale emissiehandel zullen markten wél het juiste prijssignaal uitzenden. Toch weerlegt menig onderzoek de vermeende hogere efficiëntie van winstgerichte ondernemingen in de energiesector.

Het geloof in marktwerking zit echter nog diep. In de VS ontstond zelfs een nieuwe, groeiende financiële markt rond de tax credits die de federale overheid aan duurzame energieproducenten toekent (zie hierboven).

Er tekent zich een duidelijke gelijkenis af met het emissiehandelsysteem. Belastingvoordelen of emissierechten, allebei zijn het gratis giften van de overheid aan het bedrijfsleven en de financiële sector.

Het toont perfect aan hoe sterk het verhaal van de groene economie ingekapseld zit in een neoliberale kijk op de sociaal-economische rol van de overheid. De neoliberale staat moet markten in het leven roepen waar die voordien nog niet bestonden. En ze moet er alles aan doen om deze in leven te houden. Volgens het zakentijdschrift Forbes zal president Trump, non-believer in klimaatopwarming, daarom wellicht niet raken aan het systeem van de tax credits.

Energiedemocratie

Vandaag ligt de beslissingsmacht over de investeringen bij financiers en financiële markten. Zowel om economische, sociale als ecologische redenen is het tijd voor werknemers, gebruikers en burgers om deze beslissingsmacht terug te nemen. De gecombineerde inspanningen van overheid en coöperaties moeten het mogelijk maken om van energie terug een democratisch en publiek goed te maken.

Het gaat erom de ongelijke en onevenwichtige machtsverhoudingen in het hart van de economie en de politiek weg te werken.

Wereldwijd maar vooral in Europa zijn er meer en meer steden en gemeenten die de privatisering van nutsvoorzieningen terugdraaien. Het is een beweging die almaar aan kracht wint. In Duitsland alleen al zijn er de afgelopen jaren 109 nieuwe stedelijke energiebedrijven opgericht. Samen met talloze coöperaties geven ze een belangrijke stimulans aan de productie van duurzame energie. Voorwaar een Duits model dat navolging verdient.

In het Verenigd Koninkrijk zijn er eveneens succesvolle voorbeelden van ‘municipal energy.’ Nottingham (ca. 532.000 inwoners) richtte een stedelijk non-profit bedrijf op met de toepasselijke naam Robin Hood Energy. Het biedt de laagste tarieven aan van het hele land onder het motto: “No private shareholders. No director bonuses (…). Just clear transparent pricing.”

Het stadsbedrijf is een doorn in het oog van de grote zes private energiemonopolisten. De stad Nottingham wil met het bedrijf de stap zetten naar 100 % hernieuwbare energie.

Ook Leeds riep een stedelijk energiebedrijf in het leven. Nottingham en Leeds vormen samen een netwerk dat ook energie levert aan buursteden Bradford en Doncaster. De stad Bristol zet eveneens in op stedelijke, hernieuwbare en betaalbare energie. Al deze initiatieven samen leveren bereiken in totaal 2.2 miljoen mensen. In de hoofdstad strijdt Switched On London voor een stedelijk energiebedrijf met een verkozen raad van politici, werknemers en inwoners.

Een rechtvaardige transitie

Switched On London is een inspirerend samenwerkingsverband van armoedeverenigingen, milieubewegingen, progressieve denktanks en vakbonden van de publieke sector. Eén van die vakbonden is de Public and Commercial Services Union (PCS). In een belangrijke studie noemt PCS de klimaatopwarming een belangrijk vakbondsthema.

Op de Klimaatconferentie van Parijs wist het Internationaal Vakverbond (IVV) rechtvaardige transitie in de preambule van het akkoord te krijgen. Hieronder worden onder andere groene jobs verstaan alsook het recht op collectieve onderhandelingen over opleidingstrajecten en sociale vangnetten voor werknemers uit sectoren met een hoge uitstoot.

Massale publieke investeringen in hernieuwbare energiesystemen, duurzame sociale woningen en overheidsgebouwen, openbaar vervoer, zorg en onderwijs zijn een noodzaak.

Het moet inderdaad de ambitie zijn om een koolstofneutrale economie op een sociale manier te realiseren. Daarvoor zal echter meer nodig zijn dan de aanwezigheid van een sociaal vangnet. Het gaat erom de ongelijke en onevenwichtige machtsverhoudingen in het hart van de economie en de politiek weg te werken.Te beginnen in de energiesector.

Voor PCS gaan rechtvaardige transitie en energiedemocratie hand in hand samen. Vanuit een ecologisch en sociaal oogpunt is het noodzakelijk om de winstlogica en de structurele macht van het privaat kapitaal over de energiesector in te dammen. Marktgerichte oplossingen bestendigen die macht alleen maar en dreigen bovendien het doel te missen.

Als lid van het internationale vakbondsnetwerk Trade Unions for Energy Democracy voert PCS daarom een strijd voor een publiek en democratisch energiesysteem onder beheer van werknemers en (stedelijke) gemeenschappen. Zo moet het mogelijk zijn om koolstofemissies tot nul te herleiden, de energiearmoede uit te roeien en waardig werk te creëren.

Vakbonden moeten aan politiek doen in de ruimste zin van het woord: vanuit de onrechtvaardigheid van het bestaande streven naar een betere toekomst voor de mensheid. Een offensieve industriële strategie kan de vaak aangehaalde maar volledig verkeerde tegenstelling tussen tewerkstelling en milieu onderuithalen.

De One Million Climate Jobs-campagne van Engelse vakbonden (waaronder PCS) én milieubewegingen verdient daarom ruime navolging. Massale publieke investeringen in hernieuwbare energiesystemen, duurzame sociale woningen en overheidsgebouwen, openbaar vervoer, zorg en onderwijs zijn een noodzaak.

Werknemers in de transportsector, de fossiele energieproductie en de energie-intensieve zware industrieën moeten perspectieven eisen en krijgen. Niet de koolstofneutrale economie maar de meedogenloze concurrentiestrijd (denk aan sociale dumping), de winstagenda en de centralisatie van kapitaal vormen voor hen vandaag de grootste bedreiging.

De reorganisatie en herbestemming van deze sectoren (ook windmolens bestaan uit staal) kan echter ook op een sociale manier. Mits vakbonden en milieubewegingen een brede solidariteit uitbouwen over de grenzen van economische sectoren heen. In die solidariteit zullen werknemers de kracht vinden om te strijden voor een sociaal rechtvaardige economie die de draagkracht van mens en natuur niet overschrijdt.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Dries Goedertier

Dries Goedertier is als onderzoeker verbonden aan de vakgroep geschiedenis van de Universiteit Gent. Sinds 2015 werkt hij als adviseur voor de studiedienst van ACOD.


Over dit artikel

BronApache [https://www.apache.be]
TitelLaat energietransitie niet over aan de ‘magie van de markt’
Auteur(s)Dries Goedertier
Permalinkhttps://www.apache.be/?p=74158
Gepubliceerd 30 oktober 2017 @ 15:00
Opgevraagd18 juni 2019 @ 03:26
Klik hier om te printen