Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Waarom robotisering geen tragedie hoeft te zijn

28 april 2017 Stephen Bouquin
robot-1092471_1920-compressor

Historisch gezien is 1 mei dus niet echt ‘dag van de arbeid’, maar eerder een ‘dag voor de arbeid, voor werktijdverkorting en leefbaar werk’. Historisch gezien heeft men in arbeidersmiddens en aan de linkerzijde altijd een ambivalente houding aangenomen ten opzichte van automatisering en technologie. De legende van het luddisme vertelt ons dat begin 19de eeuw Ned Ludd en zijn kompanen nieuwe weefgetouwen vernietigden of saboteerden. In realiteit keerden zij zich niet tegen de weefgetouwen zelf, maar tegen het feit dat de entrepreneurs ze als wapen wisten in te zetten om arbeiders te verknechten en ze afhankelijker te maken van hun werkgever.

Vandaag ervaren vele bedienden en arbeiders nieuwe technologieën als een bedreiging. Nieuwe informatietechnologieën zorgen voor een ‘panopticon’ waarbij de onderneming alles kan zien zonder zelf gezien te worden. Het werk wordt digitaal bewaakt, getraceerd vergeleken. Een zekere reglementering wordt gestaag ontwikkeld, maar intussen beschouwen velen de ICT van hun werkomgeving eerder als een vijand dan als bondgenoot.

Kan hetzelfde gezegd worden van de robotisering? Ja natuurlijk, vermits we maar al te goed weten dat robotten menselijke arbeid vervangen. Anderzijds kan men zich ook afvragen welke fierheid we kunnen halen uit een arbeidsprestatie die ook door een machine kan uitgevoerd worden. Is het niet beter dergelijke vervanging van menselijke arbeid aan te wenden als een hefboom om werk opnieuw leefbaar te maken, te beginnen met de werktijd te verkorten?

robot-1092471_1920-compressor

In 2013 publiceerden vorsers van de Oxford Martin School een impactanalyse over robotisering. Zij kwamen tot het besluit dat 47% van 702 verschillende jobprofielen geautomatiseerd zullen worden in de loop van de volgende twee decennia. Andere studies zijn even alarmerend, zoals bijvoorbeeld die van McKinsey, die het verdwijnen van 45% van de bestaande banen voorspelt, terwijl de Wereldbank in haar jaarrapport van 2016 stelt dat 57% van de arbeidsplaatsen in de OESO-landen op de tocht staan.

Het moet gezegd worden dat deze dramatische voorspellingen tegelijkertijd sterk gerelativeerd worden. Volgens de ‘sceptici’ moet er een onderscheid gemaakt worden tussen arbeidstaken en jobs, waarbij het wegvallen van bepaalde arbeidstaken ten gevolge van de automatisering niet noodzakelijk betekent dat er evenveel arbeidsplaatsen zullen verdwijnen.

Zo kunnen de overblijvende (meestal superviserende) taken gereorganiseerd worden terwijl de productiviteitsstijging – en dus de daling van productiekosten – ook een uitbreiding van het aanbod mogelijk maakt. Hierdoor zou de negatieve impact op de tewerkstelling in sterke mate gemilderd kunnen worden. Toch gaan zelfs de meest voorzichtige scenario’s ervan uit dat 10% van de arbeidsplaatsen, voornamelijk in de dienstensector, zal verdwijnen [1] .

Recent kregen de sceptici echter een opdonder van jewelste. In maart 2017 publiceerden Daron Acemoglu (MIT) en Pascual Restrepo (Boston University) een uitvoerige econometrische studie in opdracht van het National Bureau of Economic Research (NBER). De originaliteit van hun studie situeert zich in het feit dat ze precies nagaat welke impact robotisering de laatste 25 jaar heeft gehad op de tewerkstelling, en dit los van delocalisering van productie naar lage loonlanden. Volgens hun analyse kan gesteld worden dat voor elke robot die erbij gekomen is, er gemiddeld 6,2 banen verdwenen zijn.

Naamloos

Bovenstaande grafiek laat zien hoeveel robotten er op ongeveer 25 jaar tijd in de VS en Europa zijn bijgekomen: van een automatiseringsgraad van 0,4 robot per 1.000 werknemers in 1990 is men opgeklommen naar 1,8 in 2015, wat zoveel als een verviervoudiging of een stijging met 400% betekent. Uit de studie van de NBER leren we ook dat de robotisering op ongelijke wijze is toegenomen. De automobielindustrie ontving 39% van de bijkomende industriële robotten, gevolgd door de electronica-sector (19%), de metaalverwerkende nijverheid (9%) en de plastic en petrochemische industrie (8%).

Insiders, precairen en overtolligen

Wat de toekomstperspectieven betreft komen Acemoglu en Restrepo terug op hun vroegere, zeer voorzichtige standpunten. Volgens hen is het niet onwaarschijnlijk dat 30 à 50% van de bestaande banen in de OESO-landen op de tocht staan. Zelfs indien men zich tot het kamp van sceptici rekent staat het als een paal boven water dat de technologische revolutie een verregaande impact zal hebben op de tewerkstelling.

We dreigen terecht te komen in een situatie waarbij amper een derde van de actieve bevolking nog op stabiele wijze betrokken is bij de productie van goederen en diensten. Naast de insiders van kaders, managers en geschoolde technici zal zich een legertje van precairen en flexworkers ontwikkelen, terwijl er een toenemende fractie van de bevolking tot de categorie van ‘overtolligen’ zal gerekend worden.

De neoliberale ideologie waarbij iedereen het kan maken, staat natuurlijk haaks op dergelijke sociale ongelijkheid. De zinloze ratrace wordt zichtbaar en bijgevolg is het nodig over te gaan tot het systematisch blameren van de slachtoffers.

Maar het hoeft niet zo zijn. Vanuit progressief oogpunt biedt robotisering ook uitgelezen kansen om op maatschappelijk vlak ‘een grote sprong voorwaarts’ te maken naar meer vrijheid en autonomie, met een hoger niveau van ‘bruto binnenlands geluk’. De technologische omwenteling is gaande, het komt erop aan geen tijd te verliezen met oplossingen die ofwel niet werken ofwel deel uit maken van het probleem.

Ik denk onder meer aan de talloze arbeidskostverlagingen of het krampachtig opzoeken van economische groei. De eerste benadering heeft zeker een positieve impact op de dividenden van de aandeelhouders, maar schept geen of weinig additionele tewerkstelling, terwijl de zoektocht naar economische groei voornamelijk de klimaatcrisis versnelt.

Welke horizon moeten we dan wél opzoeken? Mijn standpunt is dat we een radicale werktijdverkorting moeten combineren met een ‘basisloon’, zodat iedereen erop vooruit kan gaan. Dankzij de voortschrijdende robotisering kunnen we binnen afzienbare tijd perfect de (gemiddelde) tewerkstellingstijd halveren en massaal meer tijd steken in zorg en vriendschap, de samenleving en democratie.

Anarcho-kapitalisme is onderweg

De voorstanders van het basisinkomen stellen dikwijls dat de regulering van werktijden tot een nutteloze beroving van onze individuele vrijheid zal leiden. Geef de mensen een serieus basisinkomen en ze bepalen zelf wel of ze 20 of 50 uren per week willen werken...

Dit lijkt me een grove inschattingsfout. Onderaan de beroepsladder zullen de bestaande jobs niet veel betalen en zal men snel geneigd zijn zoveel mogelijk uren te kloppen bovenop een basisinkomen. De kaders, technici en ingenieurs dragen veel verantwoordelijkheden en moeten maximaal beschikbaar blijven willen ze hun sleutelpositie niet verliezen. Ook zij zullen niet spontaan minder gaan werken. Er is dus nood aan een afbakening van wat een gemiddelde werkweek omvat qua werkuren.

Werktijden zijn ook een middel om duidelijkheid te scheppen inzake verloning of betalingsvoorwaarden. In de memoires van de voormalige voorzitter van de Federal Reserve staat hierover een mooie anekdote. Alan Greenspan was in de jaren ’30 een befaamd New Yorks jazzmuzikant. In de periode van de drooglegging groeide de scène van nightclubs uit tot een jungle, waarbij iedereen elkaar de loef afstak op gebied van prijszetting. Uiteindelijk werd er een vakbond gevormd, waarvan de eerste actie erin bestond onder elkaar af te spreken dat een muziekset nooit meer dan 20 minuten mocht tellen. Dankzij het afbakenen van werktijd had iedereen een duidelijke basis om tot een prijsovereenkomst te komen.

De Mechanical Turk van Amazon laat zien wat er gebeurt wanneer verloning en werktijd losgekoppeld worden. Meer dan 40.000 medewerkers voeren micro-taken uit, zoals het erkennen van video’s, foto’s en dergelijke. De opdrachtgevers geven een deadline aan of een maximale tijdsduur, en de laagst biedende krijgt de opdracht, waarbij de bezoldiging de vorm aanneemt van stukloon en meestal varieert van 10 cent tot 2 dollar…

Werktijd afbakenen en reguleren

De afbakening van werktijd is dus een belangrijke voorwaarde om te vermijden dat loondumping de overhand krijgt. De regulering van de werktijd is nodig wil men het werkvolume spreiden en desgevallend herverdelen. Alleen geld uitdelen is zwaar onvoldoende. Natuurlijk is men in precaire (schijnzelfstandige) middens het bureaucratisch getreiter zodanig beu dat men gewonnen is voor het idee waar iedereen zelf zijn/haar uren uitkiest. Individuele keuzevrijheid moet bestaan, ook om in te spelen op variërende situaties in gezinsverband bijvoorbeeld. Maar zonder duidelijke afbakening van de werktijd krijgen we een jungle met een neerwaartse spiraal inzake bezoldiging.

Ik spreek hier bewust van ‘werktijd’ en niet van ‘arbeidstijd’. De ‘werktijd’ betreft een arbeidsprestatie die in het kader van een betrekking wordt uitgevoerd. Maar tegelijkertijd worden er allerlei onbezoldigde taken verricht die ook maatschappelijke rijkdom voortbrengen. Deze taken en de bijbehorende tijd mogen onder de noemer van ‘maatschappelijke arbeid’ gebracht worden. Ik denk aan zorg, maar ook aan allerhande vrijwilligerswerk.

Het mag gezegd worden dat vrouwen het grootste deel van deze arbeid verrichten. Ik denk aan de genderongelijkheid inzake tijdsbesteding met betrekking tot kinder- en ouderenzorg, alsook de hele rimram van huishoudelijke taken. Natuurlijk dragen mannen vandaag heel wat meer bij dan pakweg een halve eeuw geleden. Toch wijzen de studies van de VUB erop dat vrouwen gemiddeld 10 uur meer presteren aan huishoudelijke arbeid dan hun mannelijke partner.

Franse tijdsbudgetstudies wijzen hetzelfde aan: vrouwen verrichten twee derde van de huishoudelijke arbeid terwijl mannen amper een derde voor hun rekening nemen. De ontwikkeling van deeltijdse tewerkstelling heeft een conservatieve impact gehad, waardoor de traditionele rolpatronen gewoon doorgezet werden. Deeltijds werken blijft immers een voornamelijk vrouwelijk fenomeen en in sommige landen is dit zelfs de dominante vorm van vrouwelijke tewerkstelling geworden.

Indien we niet enkel het beschikbare betaalde werk willen herverdelen maar ook de reproductieve arbeid genderneutraal willen maken, is het absoluut noodzakelijk dat de wekelijkse werktijd een radicale inkorting ondergaat.

Flexibiliteit is schadelijk voor de gezondheid

De ‘round-the-clock’-economie heeft beslag gelegd op het maatschappelijk leven. Voor een significante fractie van de actieve populatie neemt de flexibilisering vandaag ongezonde proporties aan. Dit heeft ertoe geleid dat er naast het werk steeds minder tijd beschikbaar is voor onszelf en de samenleving. Mensen werken thuis verder of staan in ploegen.

Volgens een recente survey over werkomstandigheden leiden de steeds hogere werkritmes bij een vierde tot een derde van de actieve bevolking regelmatig tot een burn-out:

Europese survey over arbeidsomstandigheden – 2015 – België   Ondervindt regelmatig werkdagen van meer dan 10u 32% Werkt gemiddeld meer dan 40u/week 19% Werkt gemiddeld 35 à 40u/week 49% Werkt gemiddeld minder dan 35u/week (M/F) 32%  (M=16% / V=49%) Heeft regelmatig minder dan 11u pauze tussen twee werkshiften 21%   (M= 27%) Werkt per maand minstens één keer of meer in het weekend 43%   (M= 47%) Werkt in een vol continu 3 of 4 ploegenstelsel 15% Werkuren worden eenzijdig door de organisatie bepaald 49% Werkuren kunnen aangepast worden op vraag van werknemer 26% Werknemer kan kiezen tussen uurroosters 9% Werkuren worden door werknemer bepaald 15% Moet regelmatig   (> 1 x /week) overhaast naar het werk 21% Kan moeilijk 1 of 2 uren het werk verlaten wegens gezinsredenen 37% Neemt regelmatig werk mee naar huis 20% Werkt niet hetzelfde aantal uren per dag 47% Werkt niet hetzelfde aantal uren per week 33% Ondervindt last van de variërende werkuren 42% Werkt aan hoge werkritmes Bijna altijd 22% Ongeveer de helft van de tijd 36%

Bron Eurofound

Wanneer men deze cijfers in tijdsperspectief brengt, wordt duidelijk dat flexibilisering en werkintensivering sinds 2005 op een zeer hoog niveau blijft doorwegen. De recente hervorming van de wet-Peeters gaan dit zeker niet veranderen, wel integendeel.

De nieuwe bepalingen zullen langere werkweken van 50 uur toestaan via het optrekken van het maximaal aantal overuren van 78 naar 143, waarvan er 100 buiten het sociaal overleg worden gehouden. Deeltijdse werkenden zullen het aantal werkuren niet meer vermeld zien in het arbeidsreglement, wat verdere individualisering van de werktijd zal teweeg brengen.

Globaal genomen gaat de wet-Peeters dus dezelfde richting uit als de wet-Khomry waarbij flexibilisering zich zal vertalen in een verlenging van de gemiddelde werktijd. Dit terwijl steeds meer werknemers verklaren dat ze zichzelf moeilijk het huidige werk zien verderzetten boven de 50 of 55 jaar. De huidige werkomstandigheden veroorzaken vroegtijdige veroudering en slijtage het lichaam. Het aantal werknemers met rugpijnen, tendinitis en spierontstekingen neemt gaandeweg toe.

Niet toevallig zien we het aantal arbeidsongeschikten bij de oudere werknemers zienderogen toenemen; met bijna 8% sinds 2015. Al wie nog meedraait heeft zijn ‘vrije tijd’ dikwijls omgevormd tot ‘stoom aflaten’ of ‘uitblazen’, wat betekent dat de niet-werktijd eerst en vooral recuperatietijd is geworden.

De groei van ‘bullshitjobs’ en vernieuwde kritiek op loonarbeid

De 19de eeuwse arbeidersbeweging was de laatste om loonarbeid te bejubelen. Overuitbuiting, kinderarbeid, lonen onder het levensnoodzakelijk minimum en vooral werkdagen van 12 of 15 uur waren in ons land legio. Het is niet voor niets dat België door Marx het aards paradijs voor het kapitaal werd genoemd.

Een lange eeuw sociale strijd heeft hier verandering in gebracht. Toch is er vandaag reden om kritisch te blijven ten aanzien van loonarbeid. Natuurlijk blijft betaald werk een bron van erkenning en zingeving. Maar op dit vlak loopt er toch echter heel wat mis zoals Paul Verhaeghe heeft weten duidelijk te maken. Pesten op het werk is maar het topje van de ijsberg. Het gevoel nooit te voldoen is de keerzijde van de evaluatiecultuur, terwijl constante infantilisering bij elkeen het eigenbeeld en het zelfrespect ondermijnt.

Bovendien zien we ook het aantal ‘bullshitjobs’ toenemen die soms ook geschoold personeel vereisen, dat massa’s informatie verwerkt en allerlei procedures moeten naleven. Volgens Noord-Amerikaans antropoloog David Graeber ervaren heel wat werknemers elke dag hun taken als maatschappelijk weinig relevant, wat aanzet tot brown out of het uitdoven van motivatie en inzet.

Wanneer we de optelsom maken van asociale flexibilisering, intensivering van arbeidsritme en uitholling van de zingeving, is het weinig verwonderlijk dat velen werk de rug willen toekeren en heil zoeken buiten de sfeer van loonarbeid, wat ook verklaart waarom het idee van een onvoorwaardelijk basisinkomen zo populair is geworden onder jongeren.

Maar voor iedereen die nu het gevoel heeft te leven om te werken in plaats omgekeerd, is dit geen oplossing. Voor hen weerklinkt ‘onthaasting’ als ordewoord om anders en beter te gaan leven. Terecht wijst de Duitse socioloog Harmut Rosa in zijn laatste boek ‘Leven in tijden van versnelling’ op het feit dat onthaasten geen louter individuele keuze kan zijn, maar een andere arbeidsethos en een andere sociale tijdsindeling vraagt. Anders gezegd: onthaasting zal maar lukken indien ook de werktijd collectief beperkt wordt, en dit zonder dat de flexibilisering verder toeneemt.

Maar dan nog is de kans groot dat de vrijgekomen tijd wordt ingepalmd door een lucratieve vrijetijdsindustrie. Zo verschrompelt de tijd die we besteden aan culturele of sociale activiteiten. Om dit te voorkomen zouden deze activiteiten, waarvan een aanzienlijk deel een ‘sociale meerwaarde’ genereert, officieel erkend moeten worden. Daarom zou al wie zich engageert op maatschappelijk vlak, vrijwilligerswerk doet of betrokken is bij een participatieve democratie moeten kunnen genieten van een extra werktijdverkorting tot bijvoorbeeld 20 uur per week.

Minder werken, anders gaan leven

In de jaren ’90 van vorige eeuw, toen werktijdverkorting in landen zoals Frankrijk opnieuw op de agenda werd gebracht, formuleerden sommige economen zoals Guy Aznar het voorstel van een ‘tweede cheque’ om te vermijden dat werktijdverkorting met inkomensverlies gepaard zou gaan. In de uiteindelijke toepassing van de Franse 35-urenweek in 1998-2000 werd geopteerd om de wettelijke werktijd in te korten tot 35 uur met loonbehoud, maar tevens ook te financieren via productiviteitsstijgingen.

Dit heeft niet alleen een intensivering van het werkritme veroorzaakt, maar ook een verregaande flexibilisering van de werktijden. Mede daarom heeft de 35-urenweek relatief weinig extra tewerkstelling gecreëerd – al mag gezegd worden dat ongeveer 300.000 à 500.000 extra banen nog steeds een significant verschil maakten op een ‘stock’ van ongeveer 2,5 miljoen werklozen die Frankrijk telde.

Willen we in de nabije toekomst de stap naar de 30-urenweek wagen als nieuwe standaardnorm voor een gemiddelde werkweek, met bijvoorbeeld de 20-urenweek voor wie zich maatschappelijk inzet, dan is het tevens nodig instrumenten te voorzien waardoor deze overgang mogelijk wordt gemaakt.

Dergelijk stelsel kan overigens gecombineerd worden met het tijdskredietstelsel waarbij elkeen een bepaald volume van uren kan aanwenden voor diverse activiteiten gaande van zelfontplooiing, herscholing, studie alsook maatschappelijke relevante activiteiten. Aldus kunnen we naar een situatie evolueren waarbij individuele tijdsoevereiniteit (keuzevrijheid) verzoenbaar blijft met een maatschappelijke cohesie.

Stelt zich ook de vraag wat de ‘tweede cheque’ precies inhoudt. Voor mij is dit gewoon een andere benaming voor een basisloon binnen de sociale zekerheid ter betaling van de werktijdverkorting en van de maatschappelijke arbeid die iedereen presteert. De financiering hiervan hoeft niet ‘onbetaalbaar’ te zijn. De robotisering ligt aan de basis van surpluswinsten die dankzij allerhande achterpoortjes weinig of niet belast worden.

In 2015 werd er door ondernemingen vanuit België 275 miljard euro versluisd naar belastingparadijzen. Stel dat hiervan 10% in de schatkist terecht had moeten komen, met de 12 à 14 miljard euro die de sociale zekerheid jaarlijks uitgeeft via de huidige onvoorwaardelijke werkgeverbijdragenverlagingen, dan verschijnt er opeens is er 35 à 40 miljard euro, wat toch een mooi startkapitaal is voor een basisloon mét werktijdverkorting.

Deze omwenteling zal niet zonder maatschappelijk debat en strijd plaats vinden. Het zal niet snel een win-win operatie zijn voor arbeid én kapitaal. Een belangrijk deel van het hangmatkapitaal zal aangesproken moeten worden om deze overgang te financieren. De opgestapelde rijkdom aan de kant van de 1% is afkomstig van de 99%. Het is niet meer dan normaal dat deze rijkdom wordt gerecupereerd en ten dienste komt te staan van de welvaart en het welzijn van deze 99%.

John Maynard Keynes stelde dat we tegen het einde van de 20ste eeuw makkelijk ‘nog maar’ 15 uur per week zouden werken. We staan er veraf maar het is anderzijds een zeer haalbare sprong. Het goeie nieuws van de robotisering is dat het nu concreet mogelijk is de gemiddelde werktijd bij wijze van spreken te halveren en de sprong te wagen naar een samenleving waar ook de 99% zich in vrijheid en autonomie kan ontwikkelen en waar de maatschappelijke arbeidstijd op gelijkwaardige wijze wordt verdeeld tussen man en vrouw. Anders gezegd: het goede nieuws is dat er niet alleen voldoende robotten zijn om een pak van het werk over te nemen, maar ook om de tijd die we in de samenleving steken te financieren.

 

[1] zie M. Arntz, T. Gregory, and U. Zierahn, “The Risk of Automation for Jobs in OECD Countries: A Comparative Analysis,” OECD Social, Employment and Migration Working Papers, 189 (Paris: OECD Publishing, 2016.
LEES OOK