Op naar een doelgerichte politiehervorming?

 Leestijd: 4 minuten0

De parlementaire onderzoekscommissie naar de aanslagen van 22 maart 2016 zal binnen afzienbare tijd haar eindrapport afkondigen. Een van de aanbevelingen zal ongetwijfeld – alweer – een nieuwe hervorming van de politie zijn.

Reeds decennia is ons politiebestel ziek. Doodziek. Ongeveer 20 jaar geleden ondernam men al pogingen om het te reanimeren door een wet uit te vaardigen tot de “organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus”. Dat leidde tot het ontstaan van de lokale en de federale politie.

Grosso modo omvatte de lokale politie de gemeentelijke/stedelijke politiediensten waartoe de plaatselijke rijkswachtbrigades werden gevoegd. De lokale politie werd opgedeeld in zogenaamde politiezones. De federale politie bestond in hoofdzaak uit de overige diensten van de opgeheven rijkswacht, aangevuld met diverse kleinere politiediensten, waaronder de gerechtelijke politie bij de parketten.

Maar onze politici beseffen dat er nog heel wat aan het politiebestel schort. Dit kunnen we afleiden uit het afgesloten federaal regeerakkoord van de huidige regering, waarin maar liefst vier pagina’s aan dit onderwerp worden besteed. Maar ook uit de parlementaire onderzoekscommissie naar de aanslagen van 22 maart, onder het luik ‘veiligheidsarchitectuur’, wordt er opnieuw onderzoek naar verricht.

Dus zal een nieuwbakken politiehervorming zich opdringen, in de hoop dat het echte probleem deze keer wel zal worden aangepakt. Dat kan enkel door zich af te vragen hoe men tot die allereerste, grote hervorming kwam.

Disruptie avant la lettre

We gaan terug naar het najaar van 1996. Een parlementaire onderzoekscommissie wordt in het leven geroepen naar aanleiding van een gerechtelijke onderzoek naar de zaak-Dutroux. Dit onderzoek riep zo’n publieke verontwaardiging op dat de toenmalige regering, en de politiek in het algemeen, onder immense druk kwamen te staan om allerhande (wan)toestanden op politioneel en gerechtelijk vlak te onderzoeken.

Als gevolg daarvan kwam men tot de vaststelling dat er op politioneel vlak “disfuncties” hadden plaatsgevonden bij recherchewerk en ‘samenhangende aangelegenheden’, zoals informatieverwerking, waarbij de hoofdrol werd vertolkt door twee verschillende politiediensten. Niettemin werd toen besloten om toch maar ineens het politieapparaat in zijn geheel te herscheppen, een disruptie avant la lettre zeg maar.

Een woordje uitleg bij deze bewuste diensten is wenselijk. Voor de herschikking van de toen bestaande politie in de huidige structuur werd speurwerk, dat een min of meer gespecialiseerde aanpak van zekere misdrijven vereiste, in hoofdzaak toebedeeld aan de gerechtelijke politie bij de parketten (GPP) of aan de Bewakings- en Opsporingsbrigades (BOB) van de rijkswacht, beide nationale diensten.

Bij die eerste hervorming werden die desbetreffende diensten gefuseerd en ondergebracht bij de afdeling Gedeconcentreerde Gerechtelijke Directies – thans Federale Gerechtelijke Politie (FGP) genoemd – van de nieuw opgerichte federale politie. Daarmee waren ze gedoemd tot samenwerking en was vanuit politiek oogpunt het probleem opgelost. Op die manier kon men zich focussen op de verdere politiereorganisatie, waarbij ‘blauw op straat’ primeerde.

De heersende ‘bedrijfscultuur’ bij deze twee voormalige diensten verdient ook enige uitleg. Daar waar bij de voormalige GPP een meer ruimdenkende koers werd gevolgd, was deze bij de gewezen rijkswacht over het algemeen nogal rechtlijnig, een restant uit het tijdperk waarin de dienst onderdeel was van het Belgisch leger.

Aansluitend dient ook gewezen te worden op de diversiteit aangaande de officieren van beide diensten. Wat betreft de rijkswacht-officieren kan hier het best worden verwezen naar het eindrapport van de parlementaire onderzoekscommissie Dutroux:

“Vaak ontbreekt bij hen de nodige terreinervaring. Ze zijn in dit opzicht dan ook soms slecht geplaatst om vanuit hun gezagspositie en leidinggevende functie, echt sturing te geven aan een onderzoek. Men kan niet naast de vaststelling dat ze te ver af staan van het werkveld.”

Dit in contrast met de GPP-commissarissen, die overwegend ontwikkelden vanuit de dienst zelf en dus wel terreinervaring hadden. Met daarbij nog het gegeven dat officieren/commissarissen van de ex-rijkswacht in aantal een beduidend overwicht had in het geheel van de gevormde federale politie.

Daarbij was er ook een onevenwicht in studieniveau van de (hoofd-)inspecteurs. Bij de voormalige GPP was als toetredingsvereiste steeds een hoger middelbaar diploma verplicht, dat tien jaar voor de grote politiehervorming was opgetrokken tot het hedendaags genoemde bachelorniveau. Bij de gewezen rijkswacht werd tot enkele jaren daarvoor het lager middelbaar getuigschrift gevraagd. Sinds de grote politiehervorming is zowel voor het basis- als het middenkader van de politie in de regel minimaal het hoger middelbaar diploma vereist.

shutterstock_243277468-2

Jobhoppen

Indien er nu toch een ‘disruptie’ dient plaats te vinden bij de hedendaagse Belgische politieorganisatie, en dan bij de federale politie in het bijzonder, is het misschien wenselijk dat men ook dit niet zo onbelangrijk politieonderdeel ervan onder de loep neemt om een toekomstgerichte visie te ontwikkelen. Immers, behoudens een aanpassing aan de herverdeling van de gerechtelijke arrondissementen, werden de voorbije 17 jaar er weinig structurele bijstellingen doorgevoerd.

Zo kan de bedenking worden gemaakt of voor de aanwerving bij de FGP als (hoofd)inspecteur de vereiste inzake het studieniveau niet dient te worden opgetrokken voor àlle kandidaten en niet enkel voor diegenen die zich als hoofdinspecteur engageren voor afdelingen zoals: ecofin, computer crime unit en de laboratoria technische en wetenschappelijke politie. En dit gezien in het perspectief van de toekomstige veranderingen op federaal gerechtelijk vlak en op Europees politioneel vlak, zoals een eventuele oprichting van een EBI (Europeaan Bureau of Investigation).

Tevens dat hun opleiding grondig wordt herzien in het kader van hun opdracht, zijnde “zich te richten op de misdaden en wanbedrijven die gespecialiseerde opsporingen en (proactieve) onderzoeken vereisen”. Onderricht inzake controle van het wegverkeer en handhaving van de openbare orde dienen dan ook tot een minimum te worden beperkt, zo niet volledig worden afgevoerd.

De bedenking kan worden gemaakt wat de taakinvulling van de (hoofd-)commissarissen bij de FGP juist behelst: een veldwerkfunctie, zodat zij de rechercheurs doeltreffend kunnen bijstaan en/of bijsturen, of enkel een managementfunctie. Dit laatste kan dan leiden tot een vermindering van hun getalsterkte (momenteel is de verhouding commissaris – inspecteur 1 : 7,7).

Als gekozen wordt voor het eerste, dienen deze officieren dan geen achtergrond te hebben wat speurwerk betreft. Het is dan met andere woorden niet wenselijk dat zij uitgroeien uit de dienst zelf, in tegenstelling tot wat momenteel gebeurt, met name jobhoppen vanuit een of andere politieafdeling, die veelal in de verste verte niet de minste voeling had met recherchewerk en in vele gevallen zelfs een louter administratieve invulling heeft. Deze commissarissen zouden eerder eens kunnen overwegen om aan jobcrafting te doen.

Toekomstvisie

Tenslotte kan ook de bedenking worden gemaakt of de federale gerechtelijke politie op werkvlak niet een volledig zelfstandige entiteit dient te worden in het geheel van de federale politie en enkel op administratief vlak – inzake opleiding, verloning, uitrusting… – onder beheer blijft staan van de commissaris-generaal. Immers, de rechtstreekse én feitelijke werkgever van deze dienst is het Openbaar Ministerie, in de eerste plaats de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waartoe deze dienst ressorteert, maar eveneens het federaal parket.

Deze beide overheden staan onder het toezicht en gezag van de minister van Justitie. Anderzijds staat ook de federale politie “voor het vervullen van haar opdrachten van gerechtelijke politie onder zijn gezag”, aldus bestaande wetgeving. Een vereenvoudiging die het creëren van een aparte dienst voor het federaal parket overbodig maakt en zelfs (terug) ruimte maakt tot samenwerking met diverse andere overheidsdiensten.

Het uitgangspunt van een nieuwe politiehervorming dient dan ook een fundamentele aanpak te zijn van de federale gerechtelijke politie, die in volle getalsterkte nationaal 3.324 operationele leden – (hoofd)commissarissen en (hoofd)inspecteurs – omvat, wat de dag van vandaag nog eens een wensdroom is om deze totaliteit te bereiken.

Samengevat kan men stellen dat men destijds gemakkelijkheidshalve vergat dat de politiehervorming vooral nodig was om het gespecialiseerd gerechtelijk werk beter te doen. Dat men zich toen louter beperkte tot het samensmelten van twee – voornamelijk op leidinggevend vlak beconcurrerende – nationale recherchediensten zonder een aangepast statuut en een structurele toekomstvisie, noch deze ondertussen daadwerkelijk te vormen, was een stilstand, of erger achteruitgang.

Pas nadat dit is rechtgezet, kan men verder een structuur vormen omtrent andere heikele kwesties, zoals  gerechtelijke informatievergaring en de doorstroom daarvan. Inzake deze problematiek kan verwezen worden naar het artikel van Walter De Smedt, met als titel: Informatiedoorstroom rond terrorisme: treft België schuld?

Kortom, de weg is er, nu nog de politieke wil.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: John Buelens

John Buelens was gedurende ruim 30 jaar operationeel lid van het middenkader van de Belgische politie.