Het gebrek aan ‘loyauteit’ van fraudejager Van Calster

 Leestijd: 6 minuten1

Door een vonnis van de Nederlandstalige tuchtrechtbank in Gent werd de Antwerpse substituut-procureur des Konings, Peter Van Calster, afgezet. Dergelijke uitspraak met de zwaarste straf is erg uitzonderlijk, vooral omdat er geen strafbare feiten of vorige sancties aan vooraf gingen. Bovendien gaat het niet om een afzonderlijk feit, maar over een samenloop van opeenvolgende feiten waarvan het ene het gevolg van het andere is, een geheel dat in de media als “de diamantoorlog” werd omschreven.

En dan is er nog het gevolg van deze rechterlijke beoordeling op het statuut, de bevoegdheden en de verantwoordelijkheden van een parketmagistraat: is hij wel zo onafhankelijk als in de motivering van de afkoopwet werd beweerd?

Meningsverschil

Substituut Peter Van Calster

Substituut Peter Van Calster

Aan de basis van de affaire ligt een meningsverschil tussen de substituut Van Calster en zijn procureur-generaal Liégeois over de toepassing van de wet op de uitgebreide minnelijke schikking, de zogenaamde afkoopwet. Het parlementair onderzoek, gekend als Kazachgate, onderzoekt nu hoe de afkoopwet tot stad kwam en op welke wijze er gevolg aan werd gegeven.

Daarbij is wat in Antwerpen tijdens de diamantoorlog gebeurde erg belangrijk. Van Calster was akkoord met de toepassing van de minnelijke schikking, maar wou deze voor goedkeuring voorleggen aan de strafrechter. Procureur-generaal Liégeois wilde geen rechterlijk toezicht: voor hem was een opportuniteitsbeslissing van het parket voldoende. Dat rechters een verschillende mening kunnen hebben over de toepassing van een wet, is de essentie zelf van de rechtspraak: daarvoor dienen de middelen van beroep en cassatie. Maar procureurs zijn geen rechter: zoals het arrest van het Grondwettelijk Hof het aanhaalt, staat een procureur onder het gezag van de justitieminister die het strafrechtelijk beleid bepaalt.

Strafrechtelijk beleid

Van een parketmagistraat wordt beweerd dat hij bij de opsporing en de vervolging een verhoogde vorm van onafhankelijkheid heeft. Dat iedere substituut in eer en geweten mag uitmaken wat hij vervolgt, seponeert of zonder gevolg laat, is een relatief gegeven geworden.

Daartegenover staat het strafrechtelijk beleid. Deze recente en steeds groter wordende vorm van politieke tussenkomst in de rechtsgang laat de justitieminister toe te bepalen wat strafrechtelijk belangrijk is en wat de prioriteiten zijn in het vervolgingsbeleid. Het gaat hier over een beleid dat door de minister kan worden opgelegd en door de parket-magistratuur moet worden gevolgd: een verplichting die zelfs door een bevel kan worden afgedwongen.

Bij toepassing van het strafrechtelijk beleid moet een procureur-generaal dan ook de zienswijze van de justitieminister doorgeven aan een substituut en is een bevel voldoende om dat waar te maken. Het meningsverschil tussen procureur-generaal Liégeois en substituut Van Calster had bij toepassing van het strafrechtelijk beleid dus nooit tot “de diamantoorlog” moeten leiden: één bevel volstond om het meningsverschil te beëindigen.

Ontaarden

Vraag is waarom procureur-generaal Liégeois het meningsverschil niet door een bevel beëindigde en hij het liet ontaarden door het nemen van andere maatregelen: hij zette substituut Van Calster van de diamantdossiers, vervolgde hem voor beweerde misdrijven, opende tuchtonderzoeken.

Doeltreffend bleken deze maatregelen niet, want zij moesten bij gebrek aan elementen worden gestaakt. En ook over de grond van de hele affaire kreeg de procureur-generaal ongelijk. De afkoopwet werd door het Grondwettelijk Hof afgekeurd juist wegens de door substituut Van Calster opgeworpen bezwaren: geen daadwerkelijk rechterlijk toezicht.

Door de uitspraak van het hoogste rechtscollege mocht de zaak als beëindigd worden beschouwd en kon verwacht worden dat het strafrechtelijk beleid aan de uitspraak zou worden aangepast. Maar nog het een, noch het andere gebeurde. Want met het door het Antwerpse parket-generaal gevoerde beleid was er nog wat anders aan de hand: dat bleek bij de publicatie van meerdere documenten van het parket door Apache.

Uit de gepubliceerde documenten bleek dat het Antwerpse parket-generaal heel wat meer deed dan het toepassen van de wet. De stukken toonden aan dat er druk werd overlegd met de advocaten van de diamantsector en dat er zelfs met die advocaten overeengekomen werd om naar de politiek toe te lobbyen om de zelfgemaakte wettekst erdoor te duwen.

Uit een ander document bleek ook dat de behandeling van het dossier werd “gekanaliseerd”: het parket verkoos om niet met de FOD Financiën te werken, maar langs een ambtenaar van de dienst BTW te gaan. Wat die dienst met deze zaak te maken heeft, is onduidelijk. Dat dezelfde BTW-ambtenaar op klacht van Financiën door hetzelfde parket werd vervolgd wegens fraude, en het dossier dat reeds voor de strafrechter hing plots door een minnelijke schikking werd beëindigd, roept eveneens ernstige vragen op.

Hard aangepakt en vervolgd

Waarom werd substituut Van Calster hardhandig aangepakt en vervolgd? Ging dat over de toepassing van het strafrechtelijk beleid of ging dat over het andere facet, de wel ongewone lobbying en het ‘kanaliseren’ van het dossier bij het maken van de wet?

Als het om deze redenen gaat, is een schorsing de meest radicale manier om te beletten dat Van Calster zich nog kan verdedigen door het voorleggen van gevoelige interne documenten van het parket. De afzetting stelt hem als lastige getuige van wat in Antwerpen gebeurde volkomen buiten spel.

Deze vragen passen volledig in de opdracht van de parlementaire onderzoekscommissie die moet nagaan op welke wijze de afkoopwet tot stand kwam. Een verhoor van Van Calster door deze commissie is dan ook te verwachten. En blijkbaar is de Antwerpse parket-hiërarchie daar niet gerust in. Op de afloop van deze verrichtingen werd door het Antwerpse Parket-generaal niet gewacht: hoewel substituut Van Calster over de grond gelijk kreeg en de andere onderzoeken tot niets leidden, werden nieuwe tuchtonderzoeken opgestart.

Illegaal getapt

Wat Van Calster zwaar wordt aangerekend, is dat hij beweert dat hij op onwettige wijze het voorwerp uitmaakte van verschillende telefoontaps. Het Parket-generaal heeft dat steeds ontkend en beweert dat het om lichtzinnige verdachtmakingen gaat.

Gezien wat er in Antwerpen in de diamantdossiers allemaal mogelijk was, is de mogelijkheid van zo’n maatregel niet per se uitgesloten. Procureur-generaal Liégeois verklaarde immers publiekelijk dat hij een groot voorstander was van dergelijke bijzondere methode om lekken door magistraten tegen te gaan.

Daar had hij ook persoonlijke redenen voor. Want wat nu reeds aan interne documenten vrijkwam, is zacht uitgedrukt niet fraai en toont minstens een erg ongebruikelijke houding en handelswijze: lobbyen bij de politiek om een erg betwiste – en nadien door het Grondwettelijk Hof afgekeurde – wet erdoor te krijgen, behoort niet tot de wettelijk omschreven opdracht van een procureur-generaal. Het gebruik van het persoonlijk privilege, waardoor enkel de procureur-generaal een andere magistraat kan vervolgen, is een middel om roekeloze en tergende verdachtmakingen door een verliezende procespartij te beletten, en niet om deze gelijk te kunnen geven.

Van Calster steunt zich ook op wat verschillende informanten hem kwamen vertellen. Probleem is dat hij daar niet mee weg kan, omdat die informanten geen zin hebben om op dezelfde wijze te worden aangepakt. Daarom had een gerechtelijk onderzoek klaarheid kunnen brengen. Maar blijkbaar wil de procureur-generaal dat niet, en is een intern bestuurlijk onderzoek voor hem voldoende.

En dan is er nog het in de Gids voor de Magistratuur opgenomen recht voor iedere magistraat op ‘verontwaardiging’ wanneer de democratische rechtsstaat in gevaar komt. Is dat dan in deze niet het geval? Overigens wordt hierbij ook volkomen voorbijgegaan aan de status van Van Calster als verdachte in meerdere straf- en tuchtonderzoeken: heeft de verdediging niet het recht om dergelijke elementen naar voor te brengen? Heeft een magistraat minder rechten op verdediging dan een andere burger?

Deloyaal?

Doorslaggevend voor de zwaarste bestraffing is ook het verwijt dat Van Calster zich niet loyaal opstelde. Vraag is echter loyaal tegenover wie? Door de uitspraak van het Grondwettelijk Hof staat vast dat Van Calster zich erg loyaal gedroeg tegenover de grondwettelijke en supranationale voorschriften, zelfs indien hij daardoor in conflict kwam met de daar volkomen van afwijkende opstelling van zijn procureur-generaal.

Welke keuze had Van Calster? Deze vraag maakt het tuchtdossier tot een principiële en algemene aangelegenheid en stelt het statuut van de parketmagistraat centraal. Wat moet een parketmagistraat doen wanneer hij in eer en geweten naar de wettelijke voorschriften wil handelen en hij daardoor in conflict komt met het daarvan erg afwijkend strafrechtelijk beleid van de justitieminister en van zijn procureur-generaal?

Tot nu toe werd aangenomen dat een parketmagistraat kon verplicht worden schriftelijk de mening van de hiërarchie te volgen, maar hij het recht had daarvan mondeling af te wijken om zijn eigen mening te vertolken. Dit principe, “La plume est serve, la parolle est libre”, schijnt nu niet meer te gelden. Dat is merkwaardige aantasting van de beweerde onafhankelijkheid van de parketmagistraat, het principe dat in de afkoopwet werd gehuldigd om de opportuniteitsbeslissing van een procureur gelijk te stellen met een rechterlijke uitspraak.

Parlementaire onderzoekscommissie

Indien het Antwerpse parket-generaal de afkoopwet had toegepast zoals de door het Grondwettelijk Hof geëerbiedigde nationale en supranationale erkende principes het voorschrijven, was er nooit een meningsverschil geweest tussen de procureur-generaal Liégeois en zijn substituut Van Calster. Indien de procureur-generaal Liégeois bij toepassing van het strafrechtelijk beleid zijn substituut het bevel had gegeven om te handelen zoals hij het wou, was er nooit een diamantoorlog ontstaan. Maar ook: indien het Antwerpse parket-generaal zich had beperkt tot de toepassing van de wet en zich had onthouden om met de advocaten te lobbyen en de behandeling van het dossier te kanaliseren om deze naar eigen inzicht te maken, was er evenmin aanleiding om vragen te stellen over de bevoegdheden en de opdrachten van de parket-magistratuur.

Het tuchtdossier van de heer Van Calster is in al deze belangrijke algemene en principiële gegevens slechts een uitloper. Maar het is er wel een van groot belang. Want daarin gaat het over dezelfde vragen over wat een parket-magistraat mag en kan en hoe daarbij een meningsverschil moet worden behandeld: moet dat volgens de gangbare regels en bevoegdheden, of kan dat ook door bestraffing van wat ‘deloyaal’ gedrag wordt genoemd?

Het is de opdracht van de parlementaire onderzoekscommissie om daaromtrent onderzoek te doen, na te gaan of de rol en de tussenkomsten van de Antwerpse procureur-generaal bij de totstandkoming van de afkoopwet in overeenstemming waren met zijn wettelijk omschreven opdrachten en bevoegdheden, en zich te bezinnen over de te nemen maatregelen om dergelijke meningsverschillen – en vooral de wijze waarop daarin werd gehandeld – te voorkomen.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Walter De Smedt

Is gewezen raadslid van Comité I en Comité P