Sociaaldemocratie en het middenveld: geen ‘walk through the park’

 Leestijd: 49 minuten1

Het gaat niet best met de relaties tussen sp.a en de verenigingen uit het middenveld. Nochtans is een verankering van de partij in de civiele samenleving nodig opdat de politieke beweging voeling zou houden met de maatschappij. Anderzijds hebben bewegingen en verenigingen uit het middenveld baat bij de ervaring van een vernieuwd en open socialisme, willen ze niet vervluchtigen of ten onder gaan in steekvlam acties.

In het verleden waren bevriende organisaties verbonden en ondergeschikt aan de partij. Nadat deze banden wegdeemsterden trok de SP aanvankelijk gezamenlijk op met de ‘nieuwe sociale bewegingen’. Maar van meet af aan was het een geschiedenis van rozen en doornen. Heden ten dage is de rol van de sp.a als logische en bevoorrechte partner van progressieve bewegingen op de tocht komen te staan. Dit is voor een groot deel te wijten aan de programmatorische stuurloosheid van een partij die de frontale aanval van het ultraliberalisme niet verteerd heeft.

Samenwerken met het middenveld

Wil de socialistische partij uit het dal klauteren – en dat is veel meer dan een puur electorale neergang – dan moet ze zich in de toekomst duidelijker profileren als een actie- en netwerkpartij. Kort samengevat betekent dit dat ze de hand reikt naar of inspeelt op wat sociaal-progressieve bewegingen op de agenda plaatsen, om zoveel mogelijk mensen te overtuigen mee te bouwen aan een gemeenschappelijke toekomst waarin gelijkheid en rechtvaardigheid de toon zetten. Zoals De Batselier het formuleerde, moet de partij ophouden ‘zichzelf als een examencommissie te beschouwen die als enige gemachtigd zou zijn een diploma van progressiviteit uit te reiken’ (Hellinck, 2010, p. 294).

Dat wil uiteraard niet zeggen dat ze als een windhond achter iedere lokvod moet aanhollen, wel dat men het principe van samenwerking praktisch en binnen een lange termijn-optiek honoreert. Drie zaken staan hierin centraal: de partij moet zichzelf opwerpen tot een natuurlijke bondgenoot van alle bewegingen die het progressieve credo in het vaandel dragen en dit zonder een verborgen agenda om die actoren op te slorpen of te domineren. Ik denk bijvoorbeeld aan deelnames aan actieplatformen met vredesbewegingen, derdewereldorganisaties, vrouwenbewegingen, milieuactivisten. Maar ook met de vakbonden als onmisbare schakel uit het middenveld.

Ze moet de positie die ze ooit had kunnen bekleden terugwinnen, maar moet daarvoor de geloofwaardigheid op het terrein herstellen. Ze zal, wil ze de kansen op slagen hoog houden, moeten kijken hoe men in het verleden te werk ging en of en wanneer het verkeerd liep. Het zou volkomen illusoir zijn om blindelings terug te grijpen naar vroeger, tenware men als klucht wil reïncarneren. De grote spons hanteren en het verleden uitvegen is echter toegeven aan het rechts gebral dat ‘links’ uit de tijd is.

Samenwerken met anderen impliceert evenmin dat men zich als een kameleon aanpast aan de omgeving. Natuurlijk bestaat er een spanningsveld: indien de partij geen krachtlijnen bezit waarrond ze zich kan profileren, veroordeelt ze zichzelf tot wat ooit ‘suivisme’ werd genoemd, het afstellen van de strategie op de luimen van andere bewegingen. Anderzijds kan ze tegenwoordig die eigenheid niet meer verwerven los van wat andere progressieve bewegingen op de agenda plaatsen.

Gramsci kon blijmoedig geloven dat de ‘organische intellectuelen’, diegenen die vorm en inhoud gaven aan de veranderingsgedachte, zich situeerden in één enkele partij, of à la limite in één historisch blok. Van daaruit kon je in de samenleving hegemonie verwerven en uiteindelijk de politieke bakens verzetten. (1) Ik denk niet dat de partij momenteel deze aspiraties mag koesteren: de neerwaartse trend – en nogmaals, dit slaat niet enkel op stemmenaantallen – laat dit alvast niet toe.

Laat het duidelijk zijn: een oplossing zoeken door uit te wijken naar een partij als kiesvereniging komt in dit artikel niet aan de orde. Wie – ondertussen murw herbrond – vreest dat ik nog maar eens de terug-naar-de-wortels mantras chant, kan ik evenwel geruststellen: nostalgie als zelfverblinding is evenmin aan de orde. In wat volgt heb ik het niet over frontvorming met andere partijen, om de zaak niet verder te compliceren. Groen-rood hoeft niet te eindigen zoals in Verona, maar Romeo en Julia twijfelen vooralsnog tussen flirt en gekrakeel.

Globalisering, een onontkoombare realiteit

De twee andere punten moeten inhaken op de veranderende internationale realiteit. In dit bestek kunnen we er slechts zijdelings aandacht aan besteden. In de 21ste eeuw is mondialisering geen optie meer, maar een onontkoombare realiteit: de internationale dimensie moet in de programma’s en acties veel duidelijker op de voorgrond treden. Meer zelfs: de lokale vertaling van het mondiale en de plaatselijke insteek voor het globale zijn sleutelelementen in de strategie. Dit kan niet beperkt blijven tot occasionele oprispingen of een plechtige beginselverklaring op een congres: het moet blijken uit concrete daden.

Dit geldt zowel voor de manier waarop socialisten zich engageren voor het anders-globaliseren als voor hun inzet inzake de wereldvrede en de milieuproblematiek. Globaliseren is een proces dat al eeuwen aan de gang is. Wat nieuw is, is de snelheid waarin zich dit de afgelopen 25 jaar voltrekt en de nieuwe machtsverhoudingen die eruit voortvloeien waardoor Europa aan invloed moet inleveren (meteen het derde punt).

Dit wil zeggen dat wij niet langer eerst de nationale positie kunnen bepalen om die als westers blok vervolgens aan het globale zuiden op te dringen. De ontnuchterende werkelijkheid leert ons dat landen als China, India, Brazilië, Rusland op verschillende vlakken naar het centrum van de macht zijn opgeklommen. We zullen moeten dialogeren als evenwaardige deelnemer op het globale veld en niet noodzakelijk als gespreksleider (een oefening waarin iedereen het nodige leergeld betaalt). Verscheidenheid vertaalt zich niet noodzakelijk in een kloof en uiteenlopende belangen moéten niet in vijandschap eindigen, maar de evidentie dat onze of de westerse belangen per definitie deze van de wereld zijn, is verleden tijd.

In dit perspectief is het van belang om erop te wijzen dat die internationale dimensie nog twee andere zaken met zich meebrengt. Het idee dat de westerse arbeidersbeweging als een missionerende kracht ‘de mensheid’ vertegenwoordigt, of zelfs maar dat je die centraal moet sturen, is niet langer houdbaar. Misschien luidt het motto eerder ‘el pueblo desunido jamas sera vencido’, waarbij verscheidenheid niet als een zwakte maar als een rijkdom en bron voor openheid wordt aangezien.

Dit impliceert dat ons socialisme niet los te zien is van een Vlaamse context. Het zou ons te ver voeren om de relatie Vlaamsgezindheid-socialisme hier uit te spitten. Laten we het erbij houden te stellen dat de vendelzwaaiers het socialisme verketterden als volksvreemd, en dat de kameraden flamingantisme aan rechts overlieten. Deels terugplooien op het lokale kan tot gevolg hebben dat men zich koestert in het Calimero-syndroom en de politiek bij voorbaat machteloos verklaart. Uiteraard is er wat Luc Huyse de ‘emigratie van de politiek’ noemde (Huyse, 2003, p. 267). De politiek is uit zijn klassieke grenzen gebroken, en dit niet alleen in de geopolitieke betekenis van het woord, maar tevens gemigreerd naar het bedrijfsleven, de media, de rechtbanken.

De maakbaarheid van de samenleving door een politieke top heeft op zich al iets precairs en werd ten andere in het verleden eerder maar naar voor geschoven als mobiliserende slogan en minder als praktische richtsnoer (niets dan het plan is uitzonderlijk). Maar wie bij voorbaat door de knieën gaat voor ‘There is no alternative’ moet niet aan politiek doen en wie geen wervende boodschap kan brengen, kan zich beter beperken tot sportvissen (al dan niet in troebel water). Zoals Oscar Negt het formuleerde: ‘Zij die de kracht van het dromen niet overbrengen, zullen nooit de kracht om te vechten bezitten.’ (Geciteerd in Holder, 2009, p. 10)

Halve kansen

In november 1964 presenteerde de populaire Bob Davidse – tevens de bezieler van ‘De Melkbrigade – het programma Tienerklanken op de BRT. Nonkel Bob poogde de Vlaamse jeugd middels leerzame en ontspannende items een keurige opvoeding bij te brengen. Zeer tegen zijn zin werd hij op een dag verplicht een Britse popgroep voor te stellen die voor het eerst het vasteland aandeed: de ‘Stones’. Het wederzijds onbegrip met tekenen van nauwelijks verholen afkeer spatten van het scherm. Al bestond de term ‘clash of civilizations‘ nog niet: het was er een voorbeeldige uiting van.

Jagger en de zijnen hadden in dit jaar op onze charts een bescheiden 18de plaats veroverd. Ze werden te lande overschaduwd door Vlaamse wereldsterren als John Larry (Alleen) of ene Tony Geys (Alleen mag ik niet weg). De tegencultuur stond nog in de kinderschoenen, de jeugd had nog niet afgehaakt van de oude vormen en gedachten. Het was geen ‘Jugend für sich’ mede omdat de commercie de jongeren amper ontdekt had als bron van inkomen.

In hetzelfde jaar ging er een schokgolf door de BSP die op het onverenigbaarheidscongres haar linkerzijde had buitengewerkt. Dat gebeurde in de meest letterlijk zin met de groep rond ‘La Gauche’ die geroyeerd werd, terwijl ‘links’ onder bepaalde voorwaarden getolereerd bleef, maar niet woog op de beslissingen. Weinigen die toen opmerkten dat er zich, ondanks de zuivering, een generatiekloof aan het ontwikkelen was binnen de BSP. Breuklijnen als de kijk op het imperialisme, de visie op de rol van de VS, het nieuwe feminisme, kwamen nog niet grootschalig aan de oppervlakte en bijna niemand zou op dit ogenblik het decennium omschrijven als de ‘Tien wilde jaren’, zoals Luc Huyse dit deed in 2009 (Huyse, 2009, p. 55).

Op het eerste gezicht was België – en vooral Vlaanderen – een gelukkig land, waar de eerste verkavelingswijken de onstuitbare opgang naar welvaart in baksteen vastlegden op de tonen der triomfmars van de ‘Kleine Landeigendom’. De winterstakingen van ’60-’61 leken de laatste stuiptrekkingen van het strijdsyndicalisme geweest te zijn, in Oost-Congo zou het doek vallen over de ‘communistische’ rebellies en een glimlachende vorst met gemalin sierden de koekjestrommels (de vrijdagstakingen waren weliswaar combattief, maar niet meer tegen het systeem). Zoals Douwes Dekker het ooit omschreef: de rust was rustig. Het was een stilte voor de storm. Zowel vanbinnen als van buiten zou de partij worden aangevallen voor wat ze was en hoe ze functioneerde.

Natuurlijk waren er voor de jaren zestig organisaties uit het middenveld. Maar de overgrote meerderheid ervan streefde naar het behoud van de maatschappelijke structuren en denkpatronen, die drijvend op een zich ontwikkelende welvaartsstaat zouden leiden tot een meer gelijke verdeling van de materiële middelen en een algehele volksontvoogding. Het was een periode waarin ‘biefstukkensocialisme’ nog geen scheldwoord was. En het kan amper verwondering wekken dat de christelijke familie – die daarvoor Gramsci niet hoefde te lezen – zeker in Vlaanderen het dagelijkse leven doordesemde.

Nieuwe sociale bewegingen

Een paar grote steden niet te na gesproken, was het zo dat de civiele samenleving bijna gemonopoliseerd werd door de CVP, al dan niet met een Vlaams-nationalistisch en romantisch randje. Waren er binnen de socialistische familie papenvreters en diegenen die overal zwartzakkerij meenden te bespeuren, dan beletten omgekeerd kromstaf en goedendag elke toenadering met het ‘cryptocommunisme’, terwijl ‘bleu je veux’ al evenzeer het eigen reservaat aanhing. Pogingen zoals Doorbraak, Paks, ‘Christenen voor het Socialisme’ waren nog ondenkbaar: Checkpoint Charly was vrij efficiënt (de Vrijmetselarij was een elitaire ontmoetingsruimte voor vrijzinnigen, waar politieke aanhankelijkheid in principe niet speelde).

En dan was er een tweede kenmerk: de personele banden en vaak organisatorische overlap tussen de sociale bewegingen en de grote zuilen. Daarbij stroomlijnden de partij de ‘nevenorganisaties’ en controleerden ze de achterban op hun loyaliteit. De socialistische partij beschikte sinds lang binnen de beweging over aanhankelijke deelorganisaties. Neem nu de vrouwenbeweging. Eén jaar na de oprichting van de BWP werd in Gent de ‘Socialistische Propagandaclubs voor Werkvrouwen’ opgericht, waarvan Emilie Claeys in 1891 voorzitster werd. In de twintigste eeuw leidde dit tot de ‘Nationale Federatie van Socialistische Vrouwen’ die van het vrouwenstemrecht een centraal thema maakte. Maar in naam van het algemeen belang, dat van de partij in het bijzonder en dat van de verkiezingsuitslagen in het nog meer bijzondere, stonden de voormannen niet te trappelen van ongeduld om dit als strijdpunt te zien. Het verkruimelen van het aanvankelijke enthousiasme was er het onvermijdelijke gevolg van.

De opvolger van die eerste bewegingen, met name ‘De Socialistische Vooruitziende Vrouwen’ had met dezelfde problemen te kampen. Dat de ‘rode wijven’ zoals ze weleens genoemd werden niet steeds volgzaam waren is een feit, maar als het er werkelijk toe deed haalde de partijtucht onder de vlag van alles-voor-het-goede-doel het meestal wel (Deweerdt, 1997). Bij de KPB was het ten andere niet veel beter: onder de wimpel van ‘working class puritanism‘ werden de scherpe kanten van het feminisme eraf gevijld door de mannelijke leiding die uiteraard de enige spreekbuis van het proletariaat was (Vertommen, 2008).

Wellicht ligt hier het breekpunt met wat wordt aangeduid met de term ‘nieuwe sociale bewegingen’, die hun wortels hebben in de jaren zestig en die van het verwerpen van autoritaire structuren een centraal punt van het symbolum des geloofs maakten. ‘Dolle Mina’ en de ‘Grote Kuis’ of ‘ Schoppenvrouw’ opereerden op het randje van de ballenkrakersmentaliteit en waren geenszins van plan bakzeil te halen voor enige vorm van mannelijk chauvinisme onder welk spandoek ook. In ‘FemSoc’, wat weliswaar buiten de partij opereerde, waren ook een paar BSP-gezellinnen (zoals dit zo ontroerend heette) zoals Lydia Depauw en Marijke Van Hemeldonck lid, en die smeten hun kap over de haag voor zover het het volgzaamheidsprincipe betrof. Geen socialisme zonder feminisme, en geen feminisme zonder socialisme; anders gesteld: de periode dat men de eigen verzuchtingen opgaf omdat die later – eenmaal het socialisme gerealiseerd – als het ware spontaan uit de hemel zouden vallen, leek afgesloten. Het was gedaan met de natuurlijke vrouwelijke toegevendheid: een voorsmaak van wat later Zij-kant als credo voorhield (2).

Toch dient men omzichtig te zijn met de verschuivingen niet buiten de concrete context te plaatsen. De economische expansie had een ongelijk effect op de beide landsgedeelten. Vlaanderen wierp zich op als nieuwe groeipool, als een soort demonstratie van de wet van de remmende voorsprong, waardoor de ‘verouderde industrie’ in Wallonië als ballast gold. Na de schoolstrijd was er een soortement godsvrede op het levensbeschouwelijke vlak en na de periode ’60-’61 beheerste de pacificatie-politiek de sociale arena. Maar de derde as, deze van de communautaire spanningen, kwam hierdoor in een vernieuwde vorm op het voorplan: het was de periode van ‘de coming out van het Vlaamse establishment in het openbare leven’ (Raskin, 2010, p. 6). In Wallonië zou men veel meer zoeken naar een samenhang van deelnationalisme en het linkse gedachtegoed, terwijl in Brussel en de rand Franstalige diehards een liberale signatuur hadden. Dit vertaalde zich in de opkomst van zowel de Volksunie als van de ‘Mouvement Populaire Wallon’ en het ‘Front des Francophones’.

De traditionele partijen kwamen – enigszins tegenspartelend – tot de conclusie dat er zich een grondwetswijziging opdrong om de bestuurbaarheid van het land te garanderen. En dat er zich dreigend achtergrondgeruis aankondigde: de memel zat in de eenheidsstructuur der partijen. Op dit terrein liep de BSP op eieren: het zwaartepunt van het (strijdbaar) socialisme lag tot dusverre in Wallonië (het was alvast een opvatting die vanuit het zuiden des lands niet tegen gesproken werd).

Na WO II stond men uiterst huiverig tegenover alles wat naar leeuwenvlaggen zweemde (3). Voor de Franstaligen was het duidelijk, ‘Flamingant’ en ‘boche’ waren quasi-synoniemen. Halverwege de jaren zestig, van Berkeley tot Parijs, van Berlijn tot Mexico-stad, zal de rode haan van de revolte kraaien. Het zal in België niet anders zijn, maar deze schokken, gekleurd door de communautaire tegenstellingen, zullen een geheel eigen dynamiek kennen.

Langharig werkschuw tuig

Het is tegenwoordig bon ton om te schamperen op ’68. Alsof iedere soixante-huitard een bekrompen en onverdraagzame wereldverbeteraar was, die met een verbale kalashnikov de waarheid afdwong (en in gedachten de parka reeds inruilde voor een Armani). Zoals vaak zullen diegenen die hun particuliere verwachtingen niet omgezet zagen in maatschappelijke realiteit vluchten in cynisme, en vinden diegenen die van meet af aan afwijzend stonden tegenover de veranderingen hierin de bevestiging van hun uitgangspunten. Beiden vertonen een gelijklopende myopie tegenover de trendbreuken die in de jaren zestig ontstonden, al waren het niet diegene die geprogrammeerd werden door de ‘zieners’. En dat de huidige generaties de vorige afbranden is haast een soort natuurwet (Guimier & Charbonneau, 2006).

’68 is uiteraard een symbolische datum die op een scharnierperiode en niet op een jaartal slaat. De ‘golden sixties’ bracht een (deel-)generatie jongeren voort die de oorlog en de crisis niet had gekend en voor wie consumeren een vanzelfsprekend recht was en niet iets wat oudere generaties als een precaire verworvenheid beschouwden. De glans van de Amerikaanse bevrijders was getaand en het Rode Gevaar werd niet langer als multi-inzetbaar dreigement gezien. Het was tevens een leeftijdscohorte die meer dan ooit tevoren toegang verwierf tot het hoger onderwijs. Niet dat er voor arbeiderskinderen plotseling geen glazen plafonds meer bestonden om door te groeien naar de top, maar er was een grote mate van zekerheid dat men een job zou vinden.

Dat steeds meer studenten (met inbegrip van meisjes) uit de middengroepen hun weg vonden naar de universiteiten, tastte het vooroorlogse elitaire karakter ervan aan. We hebben het tegenwoordig over de communicatierevolutie en de mogelijkheden om in real time gebeurtenissen te volgen. Maar de eerste mondialisering van de berichtgeving dateert van veel vroeger. Jongeren kwamen eind de jaren zestig in contact met andere continenten. Wat ‘Black Power’ was , waarvoor Allende stond, waarom de Vietcong in het geweer kwam, onder welke vlag de MPLA ageerde… het was geen buitenwereld meer, doch maakte deel uit van de eigen leefomgeving.

Uiteraard was er veel zinsbegoocheling en romantisch Geschwerm bij, maar ondanks de bias werden er rolluiken opgehaald en deuren opengegooid. De wereld was niet enkel veel groter dan het dorp, hij zat tevens scheef ineen. En of het nu ging om vredesactivisten, derdewereldmilitanten of feministen: hoewel ze organisatorisch vaak op hun autonomie stonden, toch was er veel personele overlapping en lotsverbondenheid. Er werd gezocht naar nieuwe doorsneden die klassieke tegenstellingen zouden overstijgen. De werkgroep ‘Arbeid’ bijvoorbeeld poogde een brug te slaan tussen socialisme en Vlaams-nationalisme, de ‘Christenen voor het Socialisme’ wilden af van een interpretatie van godsdienst die noodzakelijk systeembestendigend was.

De BSP reageerde daar – eufemistisch uitgedrukt – nogal omzichtig op. Een aantal van die themata werd als ‘Fremdkörper‘ binnen de beweging gezien, radicalisering en een confrontatiepolitiek werden schadelijk voor het imago geacht en men was beducht dat de ontzuiling tot verzwakking zou leiden. Het was een demonstratie van de ‘Pleinvrees der Kanunniken’ om Deleu’s uitdrukking van stal te halen: de angst voor de nieuwe perspectieven waardoor men de toekomst enkel als een verlengde van het verleden zag (Deleu, 1987).

Je zou zelfs een stap verder kunnen gaan: er werd bij de jeugd en de partijtop een andere taal gesproken, er heerste een verschillende vestimentaire code, men luisterde naar andere muziek, men had andere idolen. Om Bourdieu te gebruiken: er was een andere alledaagsheid en niet enkel een ideologisch spanningsveld. Simpel uitgedrukt de keuze of je nu een poster van Ché dan wel van een van de ‘polderbizon’ boven je bed hing was snel gemaakt: ‘the times they are a-changing’ (4).

Van talen gesproken: lang voor 1966 was er een probleem rond de toekomstplannen van de Leuvense universiteit. Voor Vlaamsgezinden was Leuven een Franstalige olievlek die Vlaams Brabant zou contamineren. Door alle verantwoordelijkheid bij het episcopaat te leggen – de inrichtende macht – poogde de politieke wereld zich aanvankelijk buiten het gewoel te houden. Het zogenaamde ‘dictaat van de bisschoppen’ van mei ’66 was zo wereldvreemd dat het haast onmiddellijk tot protestacties leidde, waardoor de vraag naar de onderwijstaal toch in het parlementaire halfrond belandde. In een eerste fase lag de nadruk van de betogingen op de taalkwestie en was dé slogan ‘Walen buiten’, met alle ranzige kantjes die eraan kleefden. De ‘Zeitgeist’ hertaalde de deelnationalistische eisenbundel in een bredere afwijzing van ‘het’ systeem: autoritaire onderwijsstructuren, imperialisme en kapitalisme, bref: tegen wat met een containerbegrip als ‘establishment’ werd afgebrand. Voor de een was dit een verraad aan de Vlaamse ontvoogdingsstrijd, voor anderen een doorbraak van de maatschappelijke emancipatie.

‘Leuven Vlaams en mei ’68 zijn als een Siamese tweeling die op wederzijds verzoek van elkaar werden gescheiden’, schrijft Bart Dewever (Dewever, 2010). De protesten aan de Gentse Rijksuniversiteit en aan de VUB (maart ’69) lagen in die zin veel éénduidiger in de lijn van het antiautoritaire linkse denken. De revolte in januari 1968 kwam in haar straatuitingen op een hoger peil te liggen: men viel de Société Générale, kerk en kapitaal, de Brusselse bourgeoisie en de regering aan. ‘Het is onze taak deze revolte nu systematisch te ontleden om ons niveau van actie en bewustzijn hoger te brengen’: dit was de aansporing van de Leuvense ‘kameraden’ (NN, geen datum, p. 118).

Studenten-arbeiders: één strijd

Het was een standpunt dat voornamelijk door de ‘StudentenVak Beweging’ en de ‘Socialistische Rode Wacht’ werd uitgedragen. Beiden pleitten voor een band met de arbeidersbeweging, wat zich voor een deel in de mijnwerkersstaking van ’68 in Zwartberg zal realiseren. In 1970, tijdens de grote mijnwerkersstaking, zal die ‘Studenten-arbeiders: één strijd’ wellicht het meest vorm krijgen, wat in de hand gewerkt wordt doordat de vakbonden het lieten afweten. Dat Louis Major – de oud secretaris-generaal van het ABVV – minister van Tewerkstelling was, was hier natuurlijk niet vreemd aan. De woorden ‘klassenverraad’ en ‘verburgerlijking’ waren niet uit de lucht. En toen er doden vielen, was de socialistische minister van Binnenlandse Zaken Alfons Vrankcx uiteraard kop van jut. Ook binnen de partij kwam er scherpe kritiek op zijn vraag aan de minister van Landsverdediging om paracommando’s in te zetten. Maar die staking duidde tevens de zwakte van de studenten. De ‘entristen’ van SJW werkten binnen het zogenaamde ‘Permanent Komitee’, en poogden van binnenuit de zaak naar hun hand te zetten. De ‘communistische partij in opbouw’ (de latere Amada), het kompas gericht op Peking, begon aan de lange mars tegen de instituties en wenste niet besmet te worden door burgerlijke structuren (De Man,1978, p. 43). De eredienst van het grote gelijk, de cultus van de zuiverheid en uiteindelijk het tunneldenken en de autoritaire structuren, deden de groupuscules in een eindeloze fractiestrijd belanden. De kinderen aten hun eigen revolte op en verspeelden alle krediet bij een bredere basis (5).

De BSP stond erbij en keek ernaar. Natuurlijk waren die nieuwe sociale bewegingen en hun (studenten)vertegenwoordigers bijzonder gretig om politici en vakbondsmensen als deel van het ‘klootjesvolk’ te bestempelen. Uiteraard was er veel cretologie omtrent ‘lakeien van het systeem’ waren er overal sporen van ‘boerzwa-mentaliteit’ en van uitspraken van vakidioten. Dat de arbeiders – soms geamuseerd, soms terecht kwaad – niet hoog opliepen met deze dure termen en nog minder bereid waren revolutionairen uit een stripalbum te volgen, was begrijpelijk. Maar dat de leiding niet veel verder kwam dan de studenten te zien als een verzameling langharig werkschuw tuig dat later de rangen van het patronaat zou vervoegen, getuigt niet onmiddellijk dat de verbeelding aan de macht was binnen de partij-cenakels. Vranckx argumenteerde dat hij noch de vakbond, noch het stakingsrecht aan banden wilde leggen maar alleen de stakingspiketten zuiveren van ‘agitatoren’ (Gaus (Ed.), 1989, 1238). Hij richtte ook het ‘Bestuur voor Criminele Informatie’ op, door velen bekeken als een soort privé-politie in de drugsoorlog, steunde de gerechtelijke acties tegen ‘Gangreen’ van Geeraerts enzovoort. Kortom: indien de stroom al meer en meer groeide, dan was het ondanks de verkalking van sommige pundit-figuren, die de nieuwe sociale bewegingen verder vervreemden van de partij.

Op oude grond

Op een rare manier – vroeger werd dit dialectiek genoemd – zou de erfenis van ’68 de BSP toch vernieuwen. Vergeet niet dat we nog steeds in België zijn, ondanks die eerste staatshervorming. De BSP gold voor velen als hét voorbeeld van een unitaire partij, maar de jongere generatie was steeds minder gedreven door een Belgicistische context. Tussen ’71 en ’78 werd nog gewerkt met een dubbel-voorzitterschap, maar deze mariage-de-raison hield niet lang stand. Met de splitsing naar een SP en PS kwam er in Vlaanderen een generatie naar voor, de zogenaamde ‘Jonge Turken’ – Van Miert, Tobback, Van den Bossche, De Batselier, Willockx … – die ‘een nieuwe lente en een nieuw geluid’ niet enkel allegorisch zagen. Ze wilden niet alleen het programma en de partij vernieuwen, maar aansluiting zoeken met sociale bewegingen buiten de partij. Er was natuurlijk ook een pragmatischer reden. Zoals Freddy Willockx het omschrijft: er was een ‘tegenstrijdige ervaring: hoe meer partijapparaat en hoe meer volkshuis, des te minder stemmen. De gemeenschappelijke actie was sterk. Maar bij de verkiezingen kregen we steeds meer klop.’ (Willockx, 2010, p. 94).

Samen opmarcheren met gelijkgezinden die daarom geen partijleden waren, werd dus aantrekkelijker. Die bewegingen waren ondertussen zelf ook geëvolueerd. In eerste instantie waren ze geprofessionaliseerd en hadden ze ideologische scherpslijperij achter zich gelaten. De periode waarbij een betoging niet kon vertrekken omdat er twee slogans waren – ‘el pueblo unido armada‘ en ‘el pueblo armada unido‘ – was verleden tijd: niet de puristenvoorhoede maar een breed draagvlak stonden nu centraal. Toch bleef het water diep en het wantrouwen vastgeroest.

Laten we even inzoomen op twee belangrijke sociale bewegingen en hun relatie met de SP. Allereerst is er de derdewereldbeweging (door Walgrave de ‘ruggengraat van de hele bewegingssector’ genoemd), die gegroeid is uit de ‘Leuvense Derde Wereld-beweging’ van de jaren zestig (Walgrave, 1995, p. 29). Er waren reeds langer caritatieve organisaties en campagnes als SOS-honger. Met de komst – als koepel – van het NCOS kwam de inbreng van het politieke en structurele duidelijker in de verf te staan. (Het is niet zonder belang aan te stippen dat in de ngo-wereld een splitsing naar taalgroep werd doorgevoerd) Logischerwijze zou dit een natuurlijke biotoop moeten zijn voor de socialisten. Maar periodiek waren er grote wrijvingspunten. Om zich te behoeden tegen de inkapseling door het ‘systeem’, verzette het NCOS zich zowel tegen de buitenlandpolitiek van België als tegen de manier waarop de officiële ontwikkelingssamenwerking functioneerde. Wanneer de SP excellenties voor deze departementen leverde, gaf dit alras aanleiding tot bekvechten, indien de ministers volgens het NCOS buiten de lijntjes kleurde. Anderzijds werkte de staat van permanente maagdelijkheid waarmee het NCOS zich tooide de dialoog evenmin in de hand. De landencomités – vooral in Latijns Amerika – trokken, in het spoor van de guerrilla, een anti-imperialistische kaart. Geradicaliseerd als ze waren, werden ze vaak gestuurd door klein links dat hierin een mogelijkheid zag om de petit-bourgeois achter de vermaledijde sociaaldemocraat te ontmaskeren. Maar die landencomités waren wel lid van het NCOS. Zich achter Allende scharen en écht vervuld zijn met afschuw voor de Pinochets van deze wereld, kon voor geen enkele democraat en socialist een probleem zijn. Maar om het op te nemen voor de Tupamaros of voor Camillo Torres, dat was andere koek. Op het congres een tekst aannemen dat men zich verzet tegen elke vorm van kolonialistische uitbuiting is één zaak; zich daadwerkelijk verzetten tegen NAVO-tussenkomsten in Angola – met de Shape in Evere – is veel moeilijker. Geconfronteerd worden met tegenstrijdige belangen, is uiteraard nooit aangenaam, maar wanneer de SP daarop gewezen werd door ngo’s en actiegroepen, wekte dit vooral irritatie op voor wat zij zagen als een bewuste beschadigingsactie. Het zal duren tot het NCOS en de meeste organisaties de confrontatiestrategie als uitgangspunt verder verlaten, vooraleer de gesprekken makkelijker verlopen.

Tussen de twee wereldoorlogen werden door de partij solidariteitsacties opgezet, bijvoorbeeld voor de vluchtelingen uit het Spanje van Franco. Deze steun werd vanaf 1947 gestuurd door ‘Entraide Socialiste – Socialistische Solidariteit’ doch bleef zich concentreren op vluchtelingen. In de turbulente periode van de Congolese onafhankelijkheid en de rebellies in het Oosten was steun aan de ‘Derde Wereld’ – om het eufemistisch uit te drukken – geen prioriteit. Vanaf de tweede helft van het decennium werd het actieterrein van ‘Socialistische Solidariteit’ eerst uitgebreid naar projecthulp en vervolgens zag het ‘Fonds voor Ontwikkelingssamenwerking’ het leven. Het FOS zat vaak gemangeld tussen twee zaken. Zo stelde het zich aanvankelijk stug op in de schoot van het NCOS inzake het al te breed openstellen van het lidmaatschap. Enige zuil-verknochtheid was daar niet vreemd aan en tevens was er de angst om volkomen gemarginaliseerd te worden door christelijke organisaties. Langs de andere kant wou het FOS evenmin de partij als schoonmoeder en botste het vaak met de leiding wanneer ze een NCOS-standpunt verdedigde dat door het Bureau was verketterd. Niet dat het veel uitmaakte. We weten dat bijvoorbeeld Willy Claes zich ontpopte tot dirigent, maar binnen het grote orkest van de socialistische familie zag hij – en vele anderen – voor het FOS alleen een rol van triangel weggelegd. Er werd al eens Oxfamkoffie geschonken op een partijvergadering, maar binnen UNCTAD-conferenties werd steevast de kant van het Noorden gekozen. Het FOS gaf brochures uit over het lamentabele lot van de Afrikaanse veeboeren, maar het dumpen vanuit de EG van vleesoverschotten beroerde ondertussen het partijbureau amper. Het kwam de geloofwaardigheid van de sociaaldemocratie niet echt ten goede. Zou de achterliggende reden kunnen zijn dat er zich daar geen potentiële kiezers bevinden?

Vredesmilitanten

In tegenstelling tot bijvoorbeeld Nederland heeft ‘de grooten oorlog’ wel degelijk sporen nagelaten in het politieke denken, zowel bij de socialisten als bij de Vlaams-nationalisten. Vooraleer gekaapt te worden door uiterst rechts was de boodschap op de IJzertoren ‘Nooit meer oorlog’ geen loze kreet voor Flaminganten en de ‘War Resistance International’ met de ‘Gebroken Geweer’-beweging kende een grote aanhang bij de socialisten. Wereldoorlog II had een aantal vervelende neveneffecten. Vlak na de inval had de toenmalige voorzitter Hendrik Deman de BWP opgeheven, hetgeen de socialisten in grote verwarring bracht, en tijdens de oorlog zelf was hun verzet – in zijn vele vormen – lang niet zo principieel geweest als velen na de krijgsverrichtingen wilden laten uitschijnen (6). Door de Koude Oorlog kwam de partij in een nog ongemakkelijker positie. Enerzijds was er ‘Pax Christi’ (ontstaan uit het faciliteren van toenadering tussen Duitse en Franse katholieken) dat ijverde voor een wereldvrede, en langs profane kant was er ‘Belgische Unie voor de Verdediging van de Vrede’, waarin de KPB het voortouw nam. Binnen de BSP was Paul-Henri Spaak op het toppunt van zijn macht. Op de Algemene Vergadering van de VN (1955) verdedigde Spaak de Franse visie dat Algerije een interne aangelegenheid was. Vanuit zijn standpunt was steun aan de bevrijdingsbewegingen uitgesloten, omdat de link tussen dekolonisatie-rechtvaardigheid-vrede een rookgordijn was om de belangen van de Sovjets te verdedigen. Vredesmilitanten waren in het beste geval nuttige idioten, of, erger, rode honden in schapenvacht. En toen hij in 1956 Secretaris-Generaal van de NATO werd, sleepte hij de partij aanvankelijk mee in een onversneden Atlantisme. Desondanks was er een nieuw probleem waar de partij niet naast kon kijken: de nucleaire dreiging. In 1960 greep in Mol de eerste anti-atoommars plaats waarin zowel vertegenwoordigers van de Jong Socialisten als van de vakbond mee opstapten. De deur was dus niet volledig dicht en vanuit de vredesbeweging was men op zoek naar een verbreding van de basis. Hieruit groeide het ‘Overlegcentrum voor de Vrede’ waarvan de partij officieel deel uitmaakte. De kern van de beweging was de vzw ‘Vrede’, met André De Smet als drijvende kracht. De Smet was lid van de KPB en dus bleven er een aantal notabelen van SP kopschuw (velen waren nog niet bekomen van het naoorlogs electoraal succes van de KPB). De partij was daarenboven als de dood voor beschuldigingen dat ze zouden heulen met de vijand of in enig opzicht de vaderlandse plichten zou verzuimen.

Daar kwam verandering in toen in 1979 bekend raakte dat er, binnen NATO-verband, nieuwe kernwapens voor middellange afstand op Europees grondgebied zouden worden geïnstalleerd. De discussie rond Pershing en Cruise II leidde tot bitse discussies binnen de CVP en de SP, die niet alleen de regering verdeelde, maar ook het OCV verlamde. Daarom werd het ‘Vlaams Actiecomité tegen de Atoomwapens’ (VAKA) opgericht teneinde de massa-mobilisatie beter te kunnen organiseren. De CVP had problemen omdat jongerenafdelingen met VAKA samenwerkten, omdat er ACW-topmensen in het OCV zaten, of omdat er ministers waren die ook lid waren van Pax Christi. Het was evenwel binnen de SP dat de verdeeldheid het grootst was.

Half november 1979 keurde het partijbureau de plaatsing van de raketten af (terwijl minister Claes in het buitenland was). De anti-raketten-betoging van begin december bracht 50 à 70.000 manifestanten op de been, onder wie socialistische gezagsdragers. De dag daarop was er opnieuw een bijeenkomst (andermaal zonder Claes), waarbij men zich niet onvoorwaardelijk achter het plan schaarde. Het was duidelijk dat men het gevaar van een regeringscrisis en een val in de balans legde. De PS-minister van Buitenlandse Zaken Henri Simonet verklaarde onomwonden dat hij het partijstandpunt niet zou volgen, waardoor de splitsing tussen de twee zusterpartijen er alleen maar dieper op werd. Uiteindelijk zou het partijbureau een compromistekst aanvaarden – afgewezen door de Jonge Turken – die neerkwam op plaatsing, maar met uitstel en het opstarten van onderhandelingen. Soms was de geest van Ignatius van Loyola manifester aanwezig dan die van Marx.

De partij verspeelde veel krediet bij de vredesbeweging voor wat in brede kringen als ‘de bocht ‘ werd omschreven. Meer zelfs ‘many campaigners could conclude that internal democratic processes were ulimately irrelevant to defence decisions involving NATO‘ (Carter, A.,1992, p. 142). De pil werd alleen maar bitterder toen de socialisten in 1981 uit de regering werden geknikkerd. Halverwege 1985 besliste de rooms-blauwe regering tot installatie, nadat Leo Tindemans door Maggie Thatcher de oren werd gewassen en door Reagan werd ingepakt (Tindemans, 2002, p. 449). Vanuit de oppositie konden de socialisten verweesd toekijken: meer dan verbaal protest kwam er niet.

De massa-betogingen van 1981 (200.000 demonstranten) en vooral van 1984 (400.000 betogers!) waren hoogtepunten van mobilisering, die over vele verschilpunten heen een nooit geziene solidariteit vertoonden. Men kan wat meewarig doen over lotsverbondenheid die erop neer komt dat men geen atoombom op zijn kop wil krijgen, maar hoe centraal dit thema was, voor veel van de deelnemers was er geen sprake van een single-issue demonstratie: men wilde gehoord worden in àlle belangrijke politieke kwesties. Dit kon diegenen die op de NATO-lijn zaten niet vermurwen. Integendeel, ze maakten hun borst nat omdat ze niet wilden toegeven aan ‘de druk van de straat’, en zij de ware democratie vertegenwoordigden. De SP kon maar gedeeltelijk de onvrede van die honderdduizenden kapitaliseren. Met het sociaaleconomisch alternatief ‘Voor Vrede en Werk’ kon voorzitter Karel Van Miert het tij electoraal ten gunste keren. Maar de twijfel of het niet om partijpolitiek gespin draaide, was nooit helemaal weg. Want er bleef binnen de top terzake een tweespalt woekeren. Willy Claes stond niét op de iconische foto van de kop der betoging: hij werd Secretaris-Generaal van de NATO .

Met de internationale akkoorden die de beheersing en ontmanteling van kernwapens viseerden en uiteraard met de implosie van het Oostblok, viel voor de meerderheid van de mensen en de basiscomités de bestaansreden van VAKA weg. Interne ruzies leken het lot te bezegelen. Maar er bestaat zoiets als een ‘enemy-deprivation-syndrone‘: nauwelijks was het beeld dat er zich achter iedere vuilbak een Rus kon schuilhouden onhoudbaar, of er meldde zich een nieuwe vijand: de moslimterrorist. En natuurlijk was er ook nu een vijfde colonne, de migranten, en waren er de nationale collaborateurs die als islamo-gauchisten werden gebrandmerkt. Zwarte Zondag (24 november 1991) en de dijkbreuk die het Vlaams Blok veroorzaakte, deed de vredesbeweging uit de as herrijzen, onder een andere vorm en rond nieuwe thema’s. Met de ‘Hand-in-Hand’-campagnes werden in 1992 en in 1994 twee massabetogingen op poten gezet – telkens meer dan 100.000 deelnemers – die pleitten voor verdraagzaamheid en vrede en tegen racisme en uitsluiting. Tekenend voor de nieuwe professionalisering was dat men een beroep deed op een team van het reclamebureau VVL/BBDO, dat geleid werd door ene Patrick Janssens, de toekomstige leider van de SP.

Staat, samenleving en politiek

Hoewel ik mij ver wil houden van intellectualistische hoogstandjes, is enige theoretische uitweiding soms niet te vermijden, en een uiteenzetting rond partij en civiele samenleving ontsnapt daar niet aan. Wat we hierboven schetsten, zou je kunnen omschrijven als een voorbeeld van een dynamiek tussen staat en civiele samenleving met de brugfunctie die partijen daar eventueel in vervullen. De verhoudingen tussen de eerste twee en de strijd rond wie bepalend was in de inhoudelijke opvulling, zijn voorbeelden van conceptuele bezettingsijver. Maakt de staat de natie, of omgekeerd, is er een (historische ?) natie nodig om tot een staat te komen? Is die staat boven de natie verheven, of is die staat integendeel een uitdrukking van tegenstellingen binnen de natie? In België zal deze discussie (die een universeel karakter bezit) vertaald worden via de logica – of het ontbreken ervan – van de communautaire verhoudingen, een logica die steeds meer herleid werd tot communautaire tegenstelling. Natuurlijk zijn er nog landen – zelfs een meerderheid – die verschillende volkeren, taalgroepen, religies op hun grondgebied kennen. Maar bij ons zijn er slechts twee grote groepen, hetgeen spanningen op de spits kan drijven en is er de Gordiaanse knoop die Brussel heet. Van onversneden verdediger van de Belgische natiestaat heeft de socialistische beweging zich later als Vlaamsgezind geprofileerd, al dient ze zich periodiek toch nog te verdedigen tegen de aantijgingen niet écht de Vlaamse zaak te dienen (6).

Laten we nog eens terugkeren tot de sokkel van de discussie: staat of natie? Voor Hegel was die civiele samenleving in ieder geval niet veel meer dan een opstap naar de staat als drager van de universele moraal, die via de wetgeving orde en (dus) vrijheid installeerde. Marx was het hiermee eens: de rechtstaat was als politieke transformatie een stap vooruit tegenover het vroegere particularisme, maar dan wel als iets wat zich nog steeds afspeelde binnen een kapitalistische productiewijze. Het uiteindelijk doel bij Marx was een sociale transformatie die de markt niet temde maar ophief. Op korte termijn stond het veroveren van de staatsmacht evenwel centraal. In meer bevlogen momenten liet Marx zijn gedachten zweven in een verre toekomst waar de staat als het ware verdampte en de soevereiniteit naar de samenleving terugvloeide. In de praktijk stond, zowel bij socialisten in het Westen als in de landen van het reële bestaande socialisme, de noodzaak van de staat nauwelijks ter discussie. Hoogstens werd er al eens een fijn besnaard colloquium in de prognostica gepland waarop het afsterven van de staat als visioen werd opgevoerd. In feite was iedereen het erover eens: de staat is het logisch eindpunt van een historische evolutie en als uitdrukking van modernisme onontwijkbaar. Was de staat in de Sovjetvisie de profane god, dan was die voor de westerse sociaaldemocraten de patroonheilige van emancipatie.

Vanaf het moment dat de Verlichting een politieke invulling verkreeg – dat wil zeggen die Verlichting van de gelaïciseerde heilsboodschappers – en gestalte kreeg in de Jacobijnse eenheidsstaat, ontwikkelden zich ook benaderingen die de civiele samenleving tégen de staat in bescherming namen. De eerste gekende auteur is ongetwijfeld Alexis de Toqueville met zijn bedenkingen rond de Amerikaanse democratie. De Toqueville is intelligent genoeg om te beseffen dat het Ancien Régime voorbij is, maar terzelfdertijd vreest hij dat de gecentraliseerde staat de samenleving en haar leden ernstige schade zal toebrengen omwille van het machtsmonopolie dat die staat opeist. In Amerika bezit de democratie volgens hem een goede voedingsbodem omdat de gemeenschap de controle over de soevereiniteit behoudt. Door de macht dicht bij de lokale gemeenschap te houden en ‘the big government‘ met wantrouwen te behandelen, vermijdt men breuken met de traditie. Want door de decentralisatie van de macht onttrekt men deze niet alleen aan de steden ten voordele van het platteland, men speelt die in handen van de lokale elites (7). Deze, als natuurlijke dragers van de morele code, vertolken de ware wil van het volk. De gewone mensen verenigen zich, bouwen netwerken uit en laten zich inspireren door het ritme van de immanente ordening, hetgeen vervreemding uitsluit. Precies deze proliferatie van al deze uiteenlopende associaties maakt volgens de Toqueville de kracht uit van de Amerikaanse democratie: de sterke civiele samenleving beschermt het individu tegen een inherent autoritaire staat. Het politieke plant vooral een autoritaire kwalijke geurvlag en politici dienen zonder uitzondering met wantrouwen te worden behandeld.

Tegenwoordig is het begrip ‘civiele samenleving’ nauw verbonden met ‘sociaal kapitaal’, of nauwkeuriger uitgedrukt, met bepaalde dominante invullingen die eraan worden gegeven (Lallemand, 2003). Volgens Putnam is sociaal kapitaal als volgt te omschrijven: ‘Whereas physical capital refers to physical objects and human capital refers to the properties of individuals, social capital refers to connections among individuals. In that sense, social capital is closely related to what some have called ‘civic virtue’. The difference is that ‘ social capital ‘ calls attention to the fact that civic virtue is most powerfull when embedded in a dense network of reciprocal social relations‘ (Putnam, 2000: 19). Met die netwerken bedoelt hij een totaliteit aan harmonieuze relaties die de gewone mensen als natuurlijk ervaren. Dat gaat van buurtcomités, tot sportverenigingen, en van kerkgemeenschappen tot postzegelverzamelaars: het is een beetje alsof je naar het ideaalbeeld van landelijk Vlaanderen kijkt zoals het ooit door de christelijke zuil werd geconcipieerd. Natuurlijk vallen er andere omschrijvingen van sociaal kapitaal te noteren (deze bijvoorbeeld zoals Bourdieu en co) waar macht en conflict manifest aanwezig zijn (Siisiänen, 2002). Maar het is de Putnamversie van sociaal kapitaal/civiele samenleving die internationaal meest opgeld maakte. Hier ligt de nadruk op integratie en consensus, inclusief het afwijzen van deze verenigingsvormen die aanzetten tot ‘pathologische’ vormen van collectieve acties (stakingen bijvoorbeeld). Het benadrukken van het belang der civiele samenleving en van het sociaal kapitaal kreeg een praktische vertaling in wat zich afspeelde in Oost-Europa. Het was haast onvermijdelijk dat het anticommunisme er niet los kon gezien worden van een revolte tegen de staat en ‘het systeem’, die met een staatgestuurde strategie zowel de economie als de samenleving als zodanig beheersten. Het gecanoniseerde ‘Freiheit oder Socialismus‘ uit de Koude Oorlog heette nu ‘Wir sind das Volk‘. Maar er was meer. Neem nu Tsjecho-Slowakije: langs de ene kant was er het ‘Burgerforum’, langs de andere kant een staat en een partij die gestigmatiseerd waren door de Praagse Lente. Enerzijds was er president Husak – bij leven reeds een onderdeel van het wassenbeeldenmuseum -, anderzijds was er Vaclav Havel, die een fan van de ‘Rolling Stones’ was. En wat misschien nog belangrijker was: in de fluwelen revolutie zakten staat, partij en communisme als een plumpudding ineen. De civiele samenleving had dus macht en slaagde er haast zonder bloedvergieten in de totalitaire ordening te ontmantelen. De civiele samenleving stond voor vrijheid en openheid van denken, de staat voor prikkeldraad en opgedrongen meta-verhalen; de civiele samenleving hanteerde de laserprinter, de staat produceerde Trabantjes. Of nog: de partij verschafte de kinderen in de DDR socialisme, maar de maatschappij in het Westen gaf hen playstation. Het zou tot de 21ste eeuw duren vooraleer ten volle duidelijk werd dat wij-zijn-het-volk tevens een schaduwzijde kon uitstralen, met name als rechts populisme. Delen van de samenleving, achter het vaandel van anti-establishment, gestuurd door rechtse politieke krachten, kunnen zich tegen de democratie keren, en tegen het socialisme in het bijzonder. De manier waarop Pegida de leuze gekaapt en bezet heeft, bewijst dat de automatische gelijkschakeling van middenveld en basisdemocratie op los zand gesteund is.

Afkeer van ‘de’ politiek

In de tweede helft van de twintigste eeuw zijn er twee scharniermomenten in de relatie staat-politiek, versus sociale bewegingen. Met 1968 en het ontstaan van de ‘nieuwe sociale bewegingen’ is er een tendens dat àlles politiek is, maar met 1989 heerst de omgekeerde benadering: reduceer het politieke zoveel mogelijk en laat de mensen zelf beslissen. Het zijn radicaal verschillende invullingen van ‘power to the people‘: ik denk niet dat Patti Smith (people have the power) achter Geert Wilders zou opstappen. Er zijn nog andere factoren die het primaat van de politiek op de helling zetten. In ‘De politiek voorbij ‘ schrijft Luc Huyse : ‘De verhuis van politieke activiteiten naar de techno-economie, de media en de magistratuur is één aspect van de radicale ombouw die de politiek ondergaat. Daarnaast zijn er aanzienlijke veranderingen in de wijze waarop de politieke besluitvorming verloopt.’ (Huyse, 2003: 304) De migratie van de politiek is geen nieuw fenomeen, maar de snelheid waarmee dit gebeurt, is dit wel, en dat functieverlies manifesteert zich voornamelijk in de parlementaire werking die haar macht ziet verschralen. De houding van de burgers tegenover de beroepspolitici is minstens dubbelzinnig, zo niet incoherent. Enerzijds worden ze verantwoordelijk gehouden voor het slechte weer in augustus, anderzijds – vooral in periodes van regeringscrisis – wordt hen machteloosheid aangewreven. Nogmaals Luc Huyse: ‘in de ogen van talloze mensen is politiek een reus die alles aan kan. Of, beter, moet aan kunnen. Maar, die reus is een moderne Gulliver, op duizend en één punten ingesnoerd door wat rondom gebeurt.’ (Huyse, 2002 : 31). We kunnen hier, zoals gezegd, niet extensief op ingaan, maar slechts wijzen op twee elkaar versterkende zaken. Er is vooreerst wat Hayward ‘faceless power‘ noemt (Hayward, 2000). Het gaat om de werkelijkheid, of alvast de perceptie, dat macht onvatbaar en onbenoembaar is geworden, letterlijk geen gezicht meer bezit. Tegen het concrete onrecht, tegen ‘de’ ondernemer, ‘de’ verdrukker, kortom tegen ‘de’ kwade kracht kan men mobiliseren. Maar tegen mondiale fenomenen, tegen sluipende tendensen is dit veel moeilijker. Om het simpel uit te drukken: je kon bij wijze van spreken de ruiten ingooien van de ‘Société Générale’, maar waar moet je zijn om speculatie en belastingfraude in ons land aan te pakken? Dit impliceert dat er vaak een soort verlamming van de politieke klasse optreedt. Omdat, zegt Ulrick Beck, we in ‘ein Risiko-Gesellschaft‘ leven, kunnen we geen voorspellingen maken, en omdat de lineariteit niet aangehouden kan worden staat sturing ter discussie (Beck,1986). En uiteraard leidt dit tot politici die zich al te snel verschuilen achter de ontsnappingsreflex van ‘dit konden we niet voorzien’ en ‘dat kunnen we zeker niet oplossen’. Crisismanagement is dan het hoogst haalbare, maar dit is niet meteen de meest wervende boodschap. Je kan niet verwonderd doen wanneer mensen niet langer achter een partij staan, indien deze geen duidelijk toekomsttraject aanreikt. Je hoeft niet verbaasd te zijn dat de volatiele kiezer aan shopping gaat doen: je lokt het uit. Je moet niet schrikken wanneer populistische bewegingen de wind in de zeilen krijgen, niet omdat hun programma aanspreekt, maar vooral omdat dit van de traditionele niét beklijft. Meer zelfs: het kan ermee eindigen dat ze zich van de politiek als zodanig afkeren.

Dit alles is één van de naweeën van wat er zich vanaf de jaren ’80 op mondiale schaal manifesteerde: de opmars van de neo-cons en de triomf van de ‘Washington-consensus’. Beter dan waar de TINA-slogan voor stond, kun je het niet samenvatten: there is no alternative. Want de globalisering zoals ze zich voltrekt, is een onontkoombaar proces en heeft geen uitstaans met politiek. Langs de ene kant is er het gekende verhaal van budgetdiscipline, belastingverlaging, deregularisering, afslanking, met het blinde vertrouwen in de technologie gedragen door de communicatierevolutie. Die zullen ertoe leiden dat de geschiedenis haar eindpunt bereikt en dat we – Montesquieu parafraserend – geregeerd worden door wetten ‘qui dérivent de la nature des choses‘, dit wil zeggen die voortvloeien uit de logica van de markt en het gezond verstand. Zoals Michael Novak het samenvatte: een wereld bestuurd door ‘the spirit of democratic capitalism‘ (Novak, 1990). Als een pletwals – eerst door Reagan-Thatcher aangestuurd, vervolgens door het IMF als credo opgedrongen en tenslotte door Bush sr. en jr. voorgehouden – rolde deze non-ideologische ideologie over de wereld. ‘The grocer’s daughter‘ hield niet alleen een pleidooi voor een ‘minimal state’ mét een gespierde militaire arm, maar orakelde ‘there is no such a thing like society, there are only individuals‘ (8). De civiele samenleving heeft het geweten en vooral de vakbonden kregen het hard te verduren. Dit wereldwijde offensief en de ineenstorting van het reële bestaande socialisme heeft links een opdonder gegeven waarvan het nog niet bekomen is. De klassieke sociaaldemocratische stroming heeft nooit een afdoend alternatief geformuleerd dat aansloeg bij de bevolking, wat mede een gevolg was van een ontzettend vormingsdeficiet. Hans Achterhuis heeft dit op een schitterende manier uiteen gezet in ‘De utopie van de vrije markt’: het was alsof links met de handen op de rug in de ring stapte en na iedere slag het publiek ervan wilde overtuigen dat het zo erg niet was, meer zelfs, dat sommige klappen terecht waren (Achterhuis, 2010).

De woestijn in?

Zelfs de financiële crisis van 2008 en de economische neergang die ermee verband hield, konden het tij niet doen keren. Dat radeloos kijkende traders op de beursvloer door hun eigen onzichtbare hand werden gewurgd, is een schamele troost. Dat verzameld links in de praktijk niet in staat bleek een antwoord te bieden dat wezenlijk afweek van wat anderen voorhielden, was desastreus. Het wordt er natuurlijk niet beter op wanneer men zich op het standpunt stelt dat men de mensen niet moet overtuigen dat socialisme een globaal alternatief kàn bieden, maar zich voornamelijk richt op de (immer) aankomende verkiezingen en deelname aan een volgende coalitie. Uiteraard is een partij zonder kiezers vrijetijdsbesteding, maar de leegloop van het ledenbestand moet toch ook vragen oproepen? Tussen 1986 en 2000 leverde zowat de helft van de mensen hun lidkaart in en in 2010 verloor de sp.a nog eens 10.000 leden. Het is net iets al te gemakkelijk om te gnuiven over de ‘militanten’ of lacherig te doen over wat men als ‘de kloof met de basis’ ridiculiseert. Deze afkalving verschaft de top haast een vrijgeleide om pragmatisme te vervangen door opportunisme. Tegenover wat Dirk Geldof ‘de georganiseerde onverantwoordelijkheid’ noemt, komt men dan niet verder dan risicobeheersing op korte termijn of tot het in de schijnwerpers zetten van symbooldossiers (te hoge vergoedingen voor de top uit de bankwereld bijvoorbeeld) (Geldof, 2008: 34). Voor een deel is dit een verlaat gevolg van de ontwijkingspolitiek uit het recente verleden (9). Aanzetten voor een alternatief economisch beleid (door iemand als De Batselier) werden heus niet alleen door ‘de overkant’ getorpedeerd, neo-Keyneaanse opties werden omwille van de smetvrees van ouderwetsheid onder de mat geveegd, alternatieve technologisch research promoten was dan weer utopisch: het economisch alternatief werd door de partij, in eerste instantie Patrick Janssens, vakkundig weggepleisterd. Het werd gezien als een uiting van het verkokerd denken dat haaks stond op de frisse nieuwe wind, gesymboliseerd door een voorzitter in T-shirt. Het aanvankelijke electorale succes van de teletubbies kon nog verhullen dat, ontdaan van de marketing, het ging om het verder opschuiven naar het centrum. Dit magisch centrum, dat als een soort Shangri La verlossing en stemmen belooft, is helaas reeds volgebouwd door anderen.

Mocht de partij op een bepaald ogenblik gehoopt hebben om – moreel en/of organisatorisch – de drijvende en verbindende kracht te worden van het middenveld, dan zou dit zeker in de 21ste eeuw een illusie blijken te zijn. De wereld en de krachten die haar vormgeven, zijn meer dan ooit in beweging en relaties ‘vervluchtigen’ sneller, waardoor zelfgenoegzaamheid rond een verworven positie vlugger afgestraft wordt. Er is de algemene vaststelling dat elke verzuiling is afgenomen en dat de socialistische beweging daar het voorbeeld per excellence van is. Voor een partij die een grote mate van organisatiefetisjisme kende, was die leegloop bijzonder erg. Wat men ooit als de ‘beweging’ omschreef, omvatte niet enkel de partij, de vakbond, de mutualiteit, de coöperatieve, naast een bonte verzameling gaande van fanfares en turnverenigingen tot schaakclubs en jeugdverenigingen. Dit soort verbondenheid, nog eens onderstreept door ‘Volkshuizen’, ‘Germinals’ en andere ‘Achturenhuizen’ is verleden tijd. Niets is voor de eeuwigheid, maar helaas is er weinig in de plaats gekomen en de periodieke oproep om opnieuw naar de wijken te trekken is – schaarse uitzonderingen niet te na gesproken – niet echt succesvol (10). De relaties met de socialistische vakbond en de diverse centrales verlopen evenmin steeds kameraadschappelijk: met het standpunt dat ieder een eigen specifieke taak bezit, kun je niet alles weg maquilleren. Laten we evenmin onversneden lyrisch doen over de vakbeweging: ook hier zou enig innovatief denkwerk welkom zijn, zowel voor wat de doelstellingen als wat de drukkingsmiddelen aangaat. Kortom: de totaalstructuur heeft zich gewijzigd, de interne bedrijfscultuur is veranderd (met de vroegere afblafcultuur jaag je tegenwoordig iedereen weg), de achterban en de (overblijvende) leden zijn veel diverser geworden (en tegenstanders zullen niet nalaten om dit te onderstrepen).

Dat de sp.a een probleem heeft met het uiteengroeien van de achterban is ten overvloede onderstreept (dat probleem is er in feite altijd geweest). De top wil te allen prijze vermijden geassocieerd te worden met miserabilisme en afgunstsocialisme, en omgekeerd: omdat ze zich in de steek gelaten voelen, hebben delen van hun arbeidersachterban zich gewend tot het Vlaams Blok/Belang. De mogelijke spagaat is niet typisch voor Vlaanderen, maar het gebrek aan antwoorden blijft schrijnend. Er dreigt nog een recenter gevaar, dat niet volkomen samenhangt met de klassieke klassenspanning. Het opleidingsniveau zou wel eens een nieuwe scheidingslijn kunnen markeren. Uit een rapport van de ‘Joseph Rowntree Foundation’ bleek alvast dat scholing de doorslaggevende factor was in het Brexit-referendum. Het verhaal is net iets ingewikkelder dan de tegenstelling tussen zelfverklaarde slimmen en diegenen die als niet-geïnformeerden worden weggezet. Het heeft veel te maken met wat David Runciman omschrijft als het groeiend wantrouwen, dat minstens voor een deel steunt op belangentegenstellingen. Wanneer enerzijds kennis gezien wordt tot een attribuut van macht, en anderzijds onwetendheid bestempeld wordt als de grondslag voor emotionele aanvallen op de welvaart (en privilegies), dan staat niet enkel de legitimiteit van de vertegenwoordigende democratie onder druk. Dan is de volgende stap alras dat enkel Dansaert-Vlamingen zich wentelen in multiculturaliteit, dat het mobiliteitsprobleem opgepookt wordt door bakfietssocialisten, dat de vredesproblematiek een tijdverdrijf is voor kaviaarsossen, dat de gendertoestanden alleen leven bij huilfeministen, enzovoort. Daarover een ideologisch congres bijeenroepen, is voldoende opdat iedereen door deuren en vensters het pand ontvlucht. Er zijn al teveel nobele manifesten zonder enig concreet gevolg in de papiermand beland. Daarenboven oogst men nu wat een paar decennia anti-intellectualistisch discours heeft gezaaid.

Op zich is een vervelling niet erg, want stilstaan is achteruitgaan. Doch die wijzigingen gingen ten koste van de partij als betekenisgever inzake de kernboodschap. Typisch zijn de wisselende opvattingen omtrent de rol van de staat: de overtuiging dat je van overheidswege de nodige hefbomen moet ontwikkelen om de economie te sturen of te controleren, is niet langer aan de orde. Daar zijn tal van degelijke argumenten voor aan te voeren. Maar wat nu precies het terrein van de markt was en hoe je die markt tegen zichzelf moest in bescherming nemen, was al veel minder duidelijk. Natuurlijk wilde men niet doorgaan voor een partij die het miserabilisme uitstraalde. Maar men kon evenmin ontkennen dat er zich een stijgende sociale uitsluiting manifesteerde en dat de tegenstellingen tussen arm en rijk hand over hand toenamen. Duidelijk maken dat dit een gevolg is van ‘het’ kapitalisme lijkt verboden, want dat zweemt naar belegen en voorbijgestreefde dogmatiek. Want wat indien wat structurele tegenstellingen heetten te zijn, enkel sproten uit een verkeerde perceptie? Wat indien solidariteit met de zwaksten niets meer was dan veredelde liefdadigheid die de patiënt tijdelijke verlichting bracht, maar aan het ziekbed kluisterde? Het schrikbeeld rond het etiket van hangmatsocialisme – wat ook nog eens ‘on-Vlaams’ is – was nooit ver weg. Kort samengevat: men verloor zich in verdedigende gevechten en liep anderen achterna in een poging om wat voor moderniteit stond niet te missen. De ganse hype rond de derde weg, tenslotte niets meer dan een doodlopend steegje, is hiervan het duidelijkste voorbeeld. Met puntige uitspraken als ‘het socialisme zal gezellig zijn of niet’ vang je natuurlijk het gebrek aan globale visie niet op, en een olijke schimpscheut naar wereldvreemde intellectuelen kan op succes rekenen rond de tapbiljart, maar getuigt niet van veel diepgang. Bengaals vuurwerk is zeer kleurrijk maar duurt niet lang: met de verkiezingsanticlimax van 2007 bleek pas in welke mate de keizer ontkleed was.

Vernieuwd pacifisme?

De ‘bevriende’ bewegingen uit het middenveld zijn niet meer bereid hun lot te binden aan één enkele partij. Van welke signatuur ook en al zeker niet aan een die zwalpend is. Uit een studie van 2001 ‘Het Maatschappelijk Middenveld in Vlaanderen’ blijkt dat het verenigingsleven er op vooruit gaat, vooral dan de sportverenigingen. Binnen de klassiek krijtlijnen blijven de vredes-, vrouwen- en derdewereldverenigingen sterkhouders. Laten we beginnen met de laatste. Ten overstaan van het Zuiden en vooral tegenover Afrika treedt er in het algemeen een soortement moeheid op. En hoewel niemand het durft te formuleren, dreigt de vraag op de achtergrond of het niet om een bodemloze put gaat? Daarenboven komen de ontwikkelingsorganisaties – the Lords of poverty – zélf onder vuur te liggen. De jaarlijkse ophaalcampagnes blijven talrijke middelen genereren, maar het is de vraag of het heilige vuur nog even brandend is. De socialistische partij en de derdewereldbeweging zijn erg koele minnaars geworden, en iemand als Van der Maelen bevindt zich vaak als een ‘vox clamanti in desertum‘. Dat we daarenboven door de BRIC’s, in eerste instantie door China in Afrika, van het laken worden gespeeld heeft natuurlijk ook zijn invloed (11).

De dreiging van de ‘big one’ is weggeëbd. Er blijft weliswaar een harde kern over die Kleine Brogel via de bomspottingacties als bedevaartsoord warm houdt, doch massaal enthousiasme kan dit niet verwekken. In de Golf-oorlogen was paars zeer afstandelijk en niet bereid in de militaire logica van de Bush-administraties te stappen: duidelijk een ‘weasel-country’, volgens de VS. In 1991 bracht het verzet van de Vlaamse socialisten en de Volksunie rond wapenleveringen aan het Midden Oosten de regering bijna ten val. Waarop de Franstalige socialisten het voortouw namen om de Waalse wapenleveranties veilig te stellen. De Vlamingen in de federale regering gaven toe waarop de regering toch viel. In die context is het duidelijk dat het gewicht van de socialisten op de manifestaties tegen de oorlogen geen vergelijking kon doorstaan met hun impact op de rakettenbetogingen. Iemand als Erik Derycke kon als Minister Buitenland internationaal op steun rekenen in zijn strijd voor het verbod op anti-persoonsmijnen, maar binnen de partij was hij moeilijk een zwaargewicht te noemen – ‘Suzannah van het Interlabor’, zo omschreef hij zichzelf (12). Het kwam vooral door de socialistische fractie tot een verbod op het aanwenden van clusterbommen. Doch de partij vertoonde weinig animo om dergelijke initiatieven te verzilveren en die als vlaggenschip aan te wenden in een vernieuwd pacifisme. In maart 2007 keurde het parlement een wet goed die het verbod op het gebruik van munitie met verarmd uranium inhield (maar niet de doorvoer via onze havens bijvoorbeeld). Paars werd dan nog amper gered door therapeutische hardnekkigheid. En de verdachtmaking dat men de pacifistische flank wou afdekken tijdens de volgende verkiezingen, verbrodde de sfeer. En voor wat de vrouwenbeweging aangaat kunnen we bondig zijn: het verschil uitmaken doen socialistisch geïnspireerde vrouwenbewegingen niet meer: ze zijn aanwezig in de mainstream, maar niet om er het voortouw te nemen. Dat ze nuttig werk verrichten, zal niemand betwisten, dat ze een (verdacht) knuffelgehalte bezitten evenmin, maar om in ‘VIVA-SVV’ de directe erfgenamen van Marianne te zien, ligt niet zo eenvoudig.

Men zou zich ten andere de vraag kunnen stellen of de klassieke drie nog wel in eenzelfde mate het maatschappelijk veld bezetten zoals vroeger? Zou het niet kunnen dat ook zij op zoek zijn naar een tweede adem en dat de aflossing van de wacht meer is dan een generatiewissel maar er tevens één is die nieuwe denkpistes volgt? Veel bewegingen uit het middenveld ontsnappen zelf niet aan datgene wat ze politieke partijen aanwrijven. Professionalisering is meegenomen, maar vaak schiet die door in een overvloed aan technische dossiers waardoor een deel van de basis afhaakt, omdat ze alvast de indruk hebben dat ze te weinig inspraak hebben. Zelfs indien de bewegingen zich opwerpen als de incarnatie van het egalitaire denken, worden ze besmet door het virus dat iedere organisatie bedreigt: ze reproduceren de machtsverhoudingen die ze bekampen. Het is niet prettig dit te constateren: het lijkt op pissen in de aspergeroomsoep op een eerste communiefeest. Maar de grotere organisaties uit het middenveld zijn evenmin wars van eigenbelang, van de jacht op subsidies, van favoritisme, exclusie, enzovoort. Enige introspectie zou hier welkom zijn. Bewegingen uit het middenveld zijn nog al eens geneigd hun eigen zaligverklaring te organiseren. Ze dienen zich te bezinnen over hun meer vormelijke kanten van informeren, mobiliseren, vergaderen en bijeenkomen. Nachtelijke discussie waarop vergadertijgers de aanwezigen gijzelen met ellenlange discussies over het geslacht der progressieve engelen hebben alle aantrekkingskracht verloren. In ieder geval is het al te gemakkelijk om a priori meewarig te doen over wat ‘online social-nerworking’ wordt genoemd. Om te gewagen van ‘twitter-revoluties’ of om iedereen in de voetsporen van Slim Amamour of Wael Ghonim te dwingen, is natuurlijk overdreven. Maar er zijn ongetwijfeld intelligente manieren om de nieuwe technologieën in te zetten in een globale mobiliseringstrategie. Eén ding is zeker: dit veld open laten, is vragen dat anderen het bezetten.

En dan is er natuurlijk nog de politieke herverkaveling. Er was het ontstaan van Agalev, later Groen! en, wat ik nog steeds één van dé gemiste kansen van de tweede helft van de twintigste eeuw vind: het mislukken van een breed rood-groen front. Dat de milieubeweging(en), waaruit de ecologische partij(en) ontstonden, en de socialistische familie geen liefde op het eerste gezicht koesterden, is normaal te noemen. Het moest de socialisten nog dagen dat welvaart en BNP niet altijd synoniem zijn, en dat arbeid niet steeds de mens tot mens maakt (het bestaan van de socialistische ‘ATB De Natuurvrienden ‘ is nog geen bewijs van het tegendeel). Anderzijds moesten de groenen afscheid nemen van de hummeltjesromantiek en aanvaarden dat je in de politiek wel gelijk kunt hébben, maar dat je dat ook nog moet krijgen en dat daartoe zoiets als macht nodig is. Wellicht was die kloof van onderuit wel overbrugbaar, maar werd de zaak pas écht geblokkeerd toen sommigen op een institutionele fusie aanstuurden. Eenmaal dat de overstap van beweging naar partij werd gemaakt, was de kans op een radicaal politiek alternatief verkeken: opbod-politiek, persoonlijke ambities en veel lege-doos-gepalaver verschenen op het toneel. Vaak omdat de twee voor een deel in dezelfde electorale vijver visten, evolueerden de verhoudingen naar verzuring en mag men niet voorbij gaan aan een aantal Groene spilfiguren die een uitgesproken allergie aan de SP(a) hebben. Nu kon De Batselier wel een pleidooi houden waarom rood en groen moéten samengaan, en nam hij als Vlaams Minister voor Leefmilieu belangrijke praktische besluiten (mestactieplan, afvalbesluiten, duinendecreet), echt verankerd in het programma was dit duurzaamheidsdenken niet (De Batselier, 1996). En uiteraard had dit een weerslag op de relaties met de sociale bewegingen die zich comfortabeler voelden in de omgang met de groenen dan met het ‘partij-establishment ‘ van de socialisten. Over het Vlaams Blok/Belang zullen we het hier niet hebben, maar we beperken ons enkel tot één enkele opmerking: eenmaal dat leden – uit de onderklasse neemt men gemakshalve aan – de Rubicon hebben overgestoken, zijn ze niet meer te verleiden om de terugtocht te doen, en al helemaal niet indien men poogt hen naar de mond te praten.

Ten laatsten male?

Samenvattend: de socialistische partij kon steeds minder de globale politieke agenda bepalen, zelfs niet wanneer ze in de regering zat, omdat ze zelden de thema’s en de debatten kon bepalen. Ze kon nog wel (belangrijke) accentverschuivingen bedingen, maar dan binnen een verhaal dat andere krachten hadden geschreven (alleen inzake ethische dossiers werden bakens verzet). Het gaat niet enkel om de weerslag van de verkiezingsuitslagen, maar om een andere machtstopologie die gegroeid is tussen het politieke en de macht, en tussen de partijen en het middenveld. En uiteindelijk was er het toenemend anti-politiek klimaat en de latrelatie met de traditionele achterban. In de slipstream van het Dutroux-proces, en los van de klassieke kanalen, werd de Witte Mars georganiseerd. Op 20 oktober 1996 trokken 300.000 mensen door de straten van Brussel om rekenschap te vragen aan ‘de’ politieke wereld voor zowat alles wat er in hun ogen verkeerd ging in dit land. De socialisten waren daar even zo goed geviseerde partij als alle andere klassieke formaties. Zo verwonderlijk was dit niet. Utopisch was de partij al lang niet meer en idealisme leek ze alleen nog van de basismilitanten te eisen. Zonder wervende tegen- boodschap is het logisch dat men als medeverantwoordelijke voor het scheve reilen en zeilen van de samenleving wordt aangezien en niet als een tegenkracht.

Zo lang de economische motor draait en de resultaten van het gestegen BNP min of meer ‘eerlijk’ verdeeld worden, is het voor een partij geen probleem om als onderdeel van het systeem bekeken te worden. Meer zelfs, men doet zijn uiterste best om te onderstrepen hoe men vanuit die politieke wereld net het vliegwiel vormde voor de gestegen welvaart. Wanneer de economie sputtert, is er niet onmiddellijk een uitweg buiten geweeklaag dat men aan handen en voeten gebonden en in feite machteloos is. Dit versterkt enkel een vermoeden van vaandelvlucht.

Daarnaast is er de nieuwe culturele breuklijn tussen wat je zou kunnen omschrijven als een open-kosmopolitisch en een gesloten-ethnocentrisch samenlevingsmodel. Aan een postmaterialistisch en überhumanistisch discours over de hoofden heen hebben de toch al onwillige kiezers niet veel, wanneer er geen brood op de plank komt. Om het met de woorden van Paul Scheffer te zeggen: ‘We staan op het snijvlak van twee ontwikkelingen: de sociale en de culturele spanningen zijn toegenomen en het vermogen dan de klassiek volkspartijen om deze te overbruggen zijn afgenomen.’ (Scheffer, 2011: 33) Indien er geen dialoog is tussen de ‘linkse intellectuelen’ en de ‘basis’, dan spreidt men onbewust het bedje voor populistisch rechts. En dan groeien er effectief partijen die beweren écht de stem van het volk te zijn, die claimen de zorgen van de kleine man werkelijk te begrijpen en een aanwijsbare zondebok voor alle problemen te kunnen aanwijzen. Zij roepen zich uit als dam tegen de aanslag op de sociale verworvenheden (door de ‘anderen’), als voorvechters van het cultureel protectionisme (tegen de ‘anderen’), waarbij die anderen alras voor migrant en moslim staan. De rest van de film hoeven we hier niet af te draaien, maar het geeft meteen aan dat de eenduidige oplossing ‘schuif dan op naar links’ niet automatisch voor àlles een oplossing biedt. De nieuwe populisten kennen niet alleen succes omdat ze zo goed die zelfuitgevonden volkswil vertolken, maar mede omdat de klassieke partijen in het verleden de hegemonie in de strijd voor ‘the hearts and minds‘ kwijt speelden.

De invasie van Irak, de kettingreactie in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, de vluchtelingenkwestie en het terrorisme op Europese bodem hypothekeren zwaar de politieke agenda. Tegenover de druk van populistisch rechts en uiterst rechts heeft de sociaaldemocratie het niet makkelijk. Het heeft geen zin om de onveiligheid en de perceptie errond te minimaliseren of te bagatelliseren. Netzomin als het zoden aan de dijk zet hysterisch te doen of zich te wentelen in een mea culpa dat door anderen wordt aangepraat. Ik wil hier nu niet op ingaan, maar enkel op het volgende wijzen: de relaties met het middenveld staan onder zware druk. Of we nu volkenrechtelijk al dan niet in oorlog zijn, ‘onze’ F16’s zijn wel op het terrein actief. Uiteraard zet dit de vredesbewegingen op scherp. De verwoestende gevolgen van de conflicten op humanitair, economisch en sociaal vlak zijn niet in te schatten. Alle ngo’s uit de ontwikkelingssector zijn in staat van alarm. Zowat overal in de regio is de positie van de vrouw er nog verder op achteruit gegaan en de radicalisering van een deel van de Moslimgemeenschap in ons land stelt eveneens problemen. We hoeven er geen tekening bij te maken dat er tussen de partij en prominente krachten uit het middenveld hoogoplopende conflicten dreigen. Binnen de partij zit lang niet iedereen op dezelfde golflengte en dat geldt nog meer voor de leden en de achterban.

Emopolitiek

Daardoor ligt de sp.a gebonden op het bed van Procrustus en het wordt hoe dan ook een pijnlijke rekoefening. In een studie van Vander Weyden en Abts wordt de problematiek duidelijk geschetst: enerzijds is de gemiddelde mandataris ‘linkser’ (of: hij omschrijft zichzelf alvast als zodanig) dan de kiezer. Het is maar de vraag wat ‘links’ betekent voor die mandataris – die overwegend uit de hogergeschoolde middenklasse komt – en wat het impliceert voor het traditionele kiezersreservoir? Soms wordt voorgehouden dat ‘de leiding’ zal moeten kiezen, dat men geen water en vuur kan verenigen, alsof het in het verleden van de socialistische beweging niet àltijd zo geweest is dat er periodieke spanningen waren tussen de opvattingen van de top en die van de ‘gewone’ leden of kiezers. Er moét geen tegenstelling zijn, alleen: wanneer men ‘scholing’ (of zal ik zeggen ‘volksopvoeding’ om iedereen op de kast te jagen) als overbodig beschouwt, zal er een spagaat groeien en wordt de lokroep van ‘eigen volk eerst’ – in de ruwe of de verfraaide versie – aantrekkelijk. Indien men de nadruk legt op een open en rechtvaardiger samenleving, dan wordt de aansluiting met vredesmilitanten, derdewereldbeweging, feminisme, milieuorganisaties makkelijker, zonder dat de klassieke achterban noodzakelijk afkalft. Zomaar opschuiven naar ‘links’ is gevaarlijk, indien men dit niet degelijk voorbereidt en uitlegt dat het hier niet zomaar de zoveelste variatie op een verkiezingsthema betreft. Of dat het om meer dan politieke verkooppraatjes gaat: ‘wie gelooft die mensen nog ?’

Voor een deel slaat het op een verstandelijke constructie waarmee men mensen moet overtuigen dat er wel degelijk een alternatief mogelijk is. Maar – en op gevaar af van melig te klinken – is er nog de zaak van het hart. Emopolitiek is soms een vluchtmechanisme om het gebrek aan rationeel inzicht te camoufleren. Maar anderzijds, wanneer alle emotie geweerd wordt en enkel de calculus overblijft, hoe kan men dan nog mensen warm maken voor enig project? ‘Alle politieke redeneringen dienen te beginnen bij een taxatie van onze verhouding met onze dromen voor een betere toekomst, maar ook met de verrichtingen uit het verleden’, zegt Judt daarover (Judt, 2010: 230) (13).

De strijd voor waardig werk en duurzame ontwikkeling hier te lande, de onvermijdelijk bredere krachtmeting rond de nieuwe wereldordening – en dit zowel op economisch, politiek als ecologisch vlak -, de nooit aflatende bekommernis rond vredesopbouw, de genderproblematiek, … Het is een groots en mobiliserend project met referenties naar het verleden en met een blik op de toekomst. Alhoewel: hebben de socialisten er al geen Toekomstcongres opzitten (1998)? Veel militanten zijn nog niet volledig bekomen van de kloof tussen de opgewekte verwachtingen en de povere resultaten: maandenlang werd het voorbereid tot in de kleinste partijafdelingen en vervolgens doodgezwegen en dit wreekt zich. Zijn er reeds geen pogingen gelanceerd in de richting van een open netwerkpartij via visie-congressen en vierkleuren-documenten?

De vraag is maar of dit buiten de Grasmarkt en een paar kabinetten veel rimpeling veroorzaakte bij de leden en de buitenwacht? Waren er niet de ‘pro’-pogingen van Stevaert, de projectlijsten van Van de Lanotte of het aanbod van de netwerkpartij van Gennez? Moet men zich niet afvragen waarom de buitenwacht daar niet op in ging? En laten we daar niet kinderachtig in doen: ‘it takes two to tango‘, ook het middenveld loopt soms met oogkleppen rond. Doch het gaat hier in eerste instantie niet om het gewetensonderzoek van de anderen.

De sociaaldemocraten moeten inzien dat het niet om een ‘blind date’ gaat, maar om een samenwerking die rond een programma draait en dus iets van lange adem is, dat het op een proces slaat met alle tussenstapjes en doodlopende sporen die dit nu eenmaal impliceert. Natuurlijk is het zaak om niet te pleiten voor ‘the big change‘ en vervolgens weg te zakken in de blubber van tegenstrijdige aanbevelingen. Met gebeeldhouwde zinnen die niet in praktische implicaties vertaald worden, raak je niet ver. En uiteraard kan iemand, wanneer hij het oog enkel richt op de verre horizon, struikelen over de steen die vlak voor zijn voeten ligt. Anderzijds, zonder al te smalend te doen over de ‘dagjespolitiek’, kun je toch wel stellen dat deze de houdbaarheidsdatum overschreden heeft en dat mensen snakken naar een kader. Na wat Joseph Stiglitz als een bijna-doodservaring van het systeem omschreef, is er misschien een momentum om een nieuwe koers te varen (Stiglitz, 2010).

Daar bestaat een platform voor: het andersglobalisme en er is een algemeen kader: ‘green growth‘. Ik weet het: anders-globalisme slaat op een bonte verzameling van groepen, en organisaties met opvattingen en strategieën die onderling soms niet verenigbaar of ronduit utopisch zijn. En ja, de Ricardo Petrella’s van deze wereld die opriepen om met zijn allen de handen in elkaar te slaan, hebben buiten sympathie niets geoogst: misschien is de tijd van de grote roergangers wel voorbij. Wellicht is de periode van één beslissingscentrum en één enkele denktank afgesloten: is glocalisering – dit wil zeggen locale imputs binnen een globale context – niet het nieuwe wachtwoord? Dienen we niet de confrontaties tussen ‘rekkelijken en ‘preciezen’ als een pluspunt te zien, in plaats van te streven naar ‘la pensée unique‘?

Wie snelle en allesomvattende oplossingen verwacht die democratisch tot stand komen, is eraan voor de moeite. Wie evenwel alles voor zich uit blijft schuiven omdat het ‘te complex’ is, zal pijnlijk ontwaken in een zoveelste crisis die zich ‘als een donderslag bij heldere hemel’ aandient. Wat volgt is voorspelbaar: krachtdadig ingrijpen zonder enig draagvlak buiten de paniek van het moment. Daarom lijkt de oproep van Marc Elchardus mij erg onproductief: ‘links moet absoluut vermijden sombere berichten de wereld in te sturen, telkens wanneer links aan de alarmbel hangt, zijn ze de waterdragers van rechts’ (Elchardus, 2011: 70). Links heeft er volgens mij geen baat bij een goed-nieuws-show op te voeren, wel de mensen ervan te overtuigen dat er vaak meer alternatieven zijn dan men ons voorhoudt, en dat een andere manier van globaliseren meer is dan een uitstap naar fantasia. Radicale einddoelen hoeven daarom nog niet per se te steunen op bruuske veranderingsmomenten, maar wie een mammoettanker van koers wil doen veranderen, moet én geduld opbrengen én een vaarroute voor ogen hebben. In dit alles moet en kan de socialistische partij een rol spelen, indien ze inziet dat ze een noodzakelijke, maar niet de enige richtinggevende kracht is. Dat ze zichzelf daarvoor een stuk moet heruitvinden, hoeft geen bezwaar te zijn: het zou niet de eerste keer zijn dat een crisis uiteindelijk leidt tot een heropbloei. ‘Socialisme is steeds herbeginnen’: zelfs een Jos Van Eynde kende zijn heldere momenten. Al bedoelde hij dat het nieuwe op het oude leek, terwijl het duidelijk is dat gevelvernieuwing momenteel geen oplossing meer biedt.

En nu?

Laten we om af te ronden recupereren:
– met grote linkse verhalen die niet concreet vertaald worden, overtuig je in Europa niemand mee;
– omgekeerd, zonder een duidelijk kader bepaalt electoraal gewin de koers, hetgeen op termijn resulteert in verlies aan geloofwaardigheid, zeker in periodes waar onzekerheid troef is;
– een partij moet vrij pragmatisch zoeken naar concrete stapstenen, maar ze moet wél duiden waar ze wil uitkomen op middellange termijn;
– die vertaling naar praktische politieke actie moet gebeuren in samenwerking met progressieve organisaties uit het middenveld: het tijdperk dat de partijtop autoritair de politiek stuurde is voorbij; deze waarin de politieke partijen alles poogden te regelen eveneens;
– er moet nagedacht worden of je democratie nog langer exclusief kan omschrijven als het resultaat van een periodieke stembusgang. Er circuleren meerdere voorstellen, waarvan sommige ronduit ondoordacht, maar andere nader onderzoek verdienen. Laten we terzake elke geborneerdheid ter terzijde laten.

En uiteraard rijst de vraag: ‘et alors‘? Moet er hier geen duidelijker receptenboek als afsluiter worden aangeboden? Je zou het als een excuus kunnen zien, maar de periode van het handvest van Quaregnon is voorbij. Dat één man – het weze de patron – op een korte tijd een doctrinaire tekst aflevert die driekwart eeuw als richtsnoer dient, is ondenkbaar geworden (16). De Batselier als Soeslov omschrijven was enkel een goedmoedige plaagstoot, want niemand had nog behoefte aan een ‘lege hemel van de grote principes’ (term van Camus, 2010: 125). Hier eindigen met een open einde is dus geen zwaktebod – of enkel een uiting van ontwijkingsgedrag -, maar eerder een illustratie van de opvatting dat de waarheid procesmatig groeit en niet geordonneerd wordt. Dit wil nog niet zeggen dat er ons zeeën van tijd resten. Het ledenaantal smelt als sneeuw voor de zon en eenmaal voorbij de kritische ondergrens wordt een terugweg extreem moeilijk. Er is natuurlijk een historisch voorbeeld van een partij die verschrompelde tot een eenmansbedrijf en daarna tot de grootste formatie uitgroeide. De regel blijft evenwel dat een politiek lijk niet meer te reanimeren valt.

Eindnoten
(1) Tot dusver was de ideologische invulling van wat socialisme impliceerde, nog steeds iets van het Noorden. China was iets exotisch, Cuba te klein en Noord-Korea al helemaal te gek. Nu de Volksrepubliek een wereldmacht geworden is, kunnen we hun opvattingen over socialisme niet meer afdoen als een randfenomeen.
(2) Al met al valt het nogal mee voor de kameraden, zelfs voor diegenen die nog steeds vinden dat ‘wijven zo’n grote bek niet moeten opzetten’. De partijvoorzitter was – om uiteenlopende redenen – ooit een vrouw, op het lokale vlak hielden de mannenbastions stand.
(3) Het is in deze niet evident dat Louis Paul Boon in 1946 in de ‘Roode Vaan’ pleitte voor een genuanceerde benadering van de collaboratie en dat De Batselier het in 2011 nog moeilijk had om binnen de partij een volwassen discussie hier rond los te weken (De Batselier, 2003).
(4) Omwille van zijn ‘fijnbesnaardheid’ waarmee hij tegenstanders (of partijgenoten ) aanpakte, werd Van Eynde met deze koosnaam bedacht.
(5) Bij latere protestbewegingen – tegen de 10.000 bijvoorbeeld – bleef het water te diep. Voor de stamboomsocialisten waren studenten verwende kinderen, voor de studenten waren de socialistische bewindsvoerders deel van het probleem.
(6) We gaan hier niet dieper in op het waarom. Het zou nog lang duren voor onder meer via De Batselier en zijn samenwerking met Coppieters een dialoog mogelijk werd (De Batselier, 1998). Iets als de ‘Rode Leeuwen’ in de rand gold lang als alleen maar een toegeving aan onfris gedachtegoed.
(7) In Vlaanderen als stadsgewest is er de facto nog amper een platteland, maar zolang we de verbinding Gent-Brussel een inter-city en niet een metrolijn noemen, blijft de perceptie deels overeind.
(8) De dochter van de middenstander komt duidelijk naar voor in haar onsterfelijke uitspraak op een bijeenkomst van de Europese top ‘I want my money back’.
(9) Die verdediging ging van: neen, wij zijn geen fellow-travellers van Moscou, tot: neen, wij zijn het niet die de begrotingen in onevenwicht brengen, en: neen, wij zijn niet principiëel bedrijfsonvriendelijk, om net niet te eindigen bij: wij zijn geen socialisten.
(10) Gent is hier de rode raaf, al werd de strijdkreet al eens als ‘op naar de whisky en de wijven’ geherformuleerd.
(11) BRIC staat voor Brazilië-Rusland-India-China, de nieuwe industriële landen.
(12) Suzanne van het uitzendbureau was toen een populaire radiospot.
(13) Judt is mij evenwel net iets te gebiologeerd door de negatieve uitstraling die men in de Angelsaksische wereld op het begrip socialisme kleefde.
(14) Dit geldt op het mondiale vlak maar evenzeer op het Europese, want binnen de EU worden de bakens tegenwoordig uitgezet door Merckel-Sarkozy die met hun proefballon rond het competitiviteitpact weinig goeds lieten verhopen. Of het zou moeten zijn dat Barroso voor progressief tegengas zorgt.
(15) ‘The World is flat’ is de titel van een boek van Friedman, dat de krimpende dimensie van de aarde uiteenzet door de turbo-ontwikkelingen in communicatie (wat Friedman onderbelicht is, dat indien de aarde plat is, er ook velen kunnen van af vallen.) (Friedman, 2005).
(16) In de praktijk gold al spoedig ‘croyant, mais plus pratiquant’.

Bibliografische noot
Achterhuis, H. (2010): De utopie van de vrije markt; Lemiscaat; Rotterdam.
Beck, U. (1986): Risikogesellschaft. Auf dem Weg in eine andere Moderne; Suhrkamp Verlag; Frankfurt am Main.
Burggraeve, R. (1993): Van rechtvaardige oorlog naar rechtvaardige vrede. Katholieken tussen militarisme en pacifisme in historisch-theologisch perspectief; Kadoc-Studies nr. 15; Universitaire Pers Leuven; Leuven.
Camus, A. (2010): De mens in opstand (Vert.), Olympus.
Carlier, J. (2008): Elilie Claeys (1855 -1943 ), een adepte van August Bebels ‘vrije huwelijk’? Een ‘grote’ oefening in historische kritiek: het persoonlijke en het politieke in een socialistisch-feministische strijd aan het einde van de 19de eeuw; Brood & Rozen, 2008, nr. 3 , pp. 5-22.
Carter, A. (1992): Peace movements. International protest and world politics since 1945; Longman; London/New York.
De Batselier, N. (1996): Kiezen tussen eco en ego; Van Halewijck; Leuven.
De Batselier, N. (1998): In goede staat, een vooruitstrevende visie op institutionele hervormingen; VUB-Press; Brussel.
De Batselier, N.: Nawoord bij: De trust der vaderlandsliefde (2003): L. P. Boon: Hij was een zwarte; Meulenhof/Manteau; Antwerpen.
Deleu, J. (1987): De pleinvrees der kanunniken; Kritak; Leuven.
De Weerdt, D. (Red.) (1997): De dochters van Marianne: 75 jaar Socialistische Vooruitziende Vrouwen; Amsab/Hadewijch; Gent/Antwerpen.
Dewever, B.: Leuven Vlaams aan de wieg van mei ’68; De Morgen, 27 april 2010.
Elchardus, M. (2011): Links, detraditionalisering en diversiteit; Samenleving en Politiek; jg. 18, jan. 2011; pp. 68-75.
Friedman, T.L. (2005): The World is flat: a brief history of the twentieth century; Farrar, Straus & Giroux; New-York.
Gaus, H. (Ed.) (1989): Politiek Biografisch Lexicon; Belgische ministers en staatssecretarissen 1960 -1980; Standaard Uitgeverij; Antwerpen.
Guimier, L. & Charbonneau, N. (2006): Génération 69. Les trentenaires ne disent pas merci; Gallimard; Paris.
Geldof, D. (2008): De financiële crisis en de risicomaatschappij; Samenleving en Politiek, jgg. 15/2008, nr. 9, pp. 30-37.
Hayward, C.R. (2000): De-facing power; Cambridge University Press; Cambridge.
Hellemans, S. & Hooghe, M. (Red.) (1995): Van Mei ’68 tot ‘hand in hand’; Garant; Leuven/Apeldoorn.
Hellinck, B. (2010): Norbert De Batselier. Een leven in de politiek; Manteau; Antwerpen.
Holder, S. (2009): Discovering Oscar Negt and the hot current of critical theory; Carré Rouge/Red Square nr. 41; http://Culture-revolution.info/hotcurrent/htm. Geraadpleegd op 10.09.2011.
Huyse, L. (2003): Over politiek; Van Halewijck; Leuven.
Huyse, L. (2002): Gullivers probleem. Essay over de toekomst van de politiek; Van Halewyck; Forum 21; Leuven.
Huyse, L. (2003): Over politiek; Van Halewyck; Leuven.
Judt, T. (2010) (Vert.): Het land is moe. Verhandeling over onze ontevredenheid; Contact.
Lallemand, M. (2003): Capital social et théorie sociologique; in: Le capital social: Actes du colloque organisé par le GRIS, 06 Fév. 2003; Rouen; 5 -16.
Martens, L. & Merckx, K. (1993): Een kwarteeuw Mei ’68 ; EPO; Antwerpen.
N.N. (gd): Ervaringen uit twee jaar strijd te Leuven; Acco; Leuven.
Novak, M. (1990): The spirit of democratic capitalism; Madison Books.
Peeters, B. & Cleymans, B. (1996): Van hulp tot internationale samenwerking. Het NCOS van 1966 tot 1990; NCOS; Brussel.
Putnam, R. (2000): Bowling alone: the collapse and revival of American community; Simon & Shuster; New-York.
Raskin, B. (2010): Van weg-met-Collard tot weg-met-Vandenbroucke; Sampol jg.17; maart 2010, pp. 4-17.
Runciman, D.: Botsende Wereldbeelden; De Groene Amsterdammer; 29 okt. 2016, pp. 22-27.
Scheffer, P. (2011): De actualiteit van Wiardi Beckman. ‘Steeds zwaarder druykt de last’; De Groene Amsterdammer; 27 jan. 2011, jg.135, nr. 4; pp. 32-35.
Siisiänen, M. (2002) : Two concepts of social capital: Bourdieu versus Putnam; Department of Social Sciences and Philosophy; International journal of sociology and social policy.
Stiglitz, J. (2010) (Vert.): Vrije Val. Vrije markten en het falen der wereldeconomie; Het Spectrum; Antwerpen.
Tindemans, L. (2002): De memoires: gedreven door een overtuiging; Lannoo; Tielt.
Van der Weyden, P. &  Abts, K. (2010): De basis spreekt . Onderzoek naar de leden, mandatarissen en kiezers van de SP.A.; Acco; Leuven/ Den Haag.
Vertommen, S. (2008): Hoe de KPB het feminisme links liet liggen. De emancipatiegraad van de vrouw in de Kommunistische Partij van België, 1921-2007; Brood & Rozen, 2008, nr. 3 , pp.27- 46.
Willockx, F. (2010): Hier klopt mijn hart; Meulenhoff/Manteau; Antwerpen.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Ruddy Doom

Ruddy Doom was de stichter van de vakgroep ‘Studie van de Derde Wereld’ – nu Conflict and Development (UGent). Sinds 2012 is hij op emeritaat.