De Belgische ménage à trois

 Leestijd: 4 minuten0

Als je in het buitenland vertelt dat je Belg bent, krijg je steevast de vraag: “Welke taal spreek je, Vlaams of Frans?” Zelf antwoord ik, eveneens steevast, dat ik Belg ben en voeg er bloedserieus aan toe: “Ik heb het niet zo begrepen op die stammentwisten. Want zeg nu zelf: in deze tijden waarin er dagelijks een raket in de ruimte wordt afgevuurd…” Die buitenlander schudt meestal onbegrijpelijk het hoofd. Wat moet je overigens op zo’n vraag met enkele woorden antwoorden? Het overgrote deel van de bewoners van deze lap grond van amper 30.528 vierkante kilometer aan de Noordzee weet het ook niet precies.

Guido Fonteyn publiceerde er de voorbije jaren drie lezenswaardige boeken over die nu tegelijk worden aangeboden in een handige box met een gloednieuw woord vooraf. Hij schreef over dit onderwerp ook jarenlang in De Standaard. “Ik werd in Wallonië vaak verwelkomd als le Flamand qui vient du nord, waarop ik kon repliceren dat ik uit Brussel kwam”, aldus Fonteyn. Hij wordt zeer terecht hoog ingeschat als één van de zeer zeldzame Vlamingen die echt weet waarover het gaat. Vele hardnekkig voortlevende misvattingen worden door Fonteyn dan ook naar de Belgische fabelkrant verwezen.

Verfkwast

Het eerste boek gaat over het ontstaan van een door de wetgever gewilde taalgrens, waar in de afgelopen decennia toch zoveel herrie is over gemaakt. Het gaat om een merkwaardige, arbitrair getrokken horizontale lijn die dwars door het land loopt, van Komen in het westen naar Voeren in het oosten. Ze scheidt Vlaanderen, Brussel en Wallonië van elkaar. In het oosten is er ook nog een kleine uitloper, die het Franstalige van het Duitstalige landsgedeelte scheidt. Een lijn met verregaande consequenties. Want in feite gaat het om een herschikking van de politieke macht. Die heeft geleid tot de oprichting van eigen regeringen en parlementen in drie gewesten – Vlaanderen, Wallonië, Brussel – en drie gemeenschappen – de Vlaamse, de Franse en de Duitse, uiteraard elk men hun eigen administratie.

In sommige grensgebieden wordt door onbekenden nog af en toe wel eens gebruik gemaakt van de verfkwast om anderstalige opschriften te overschilderen, zoals bijvoorbeeld in het Brusselse. “Daar gaat het om slordig haastwerk van Vlaamse militanten die opereren bij nacht en ontij”, aldus Fonteyn, “in niets vergelijkbaar met de professionele touch van de ongetwijfeld Duitstalige schilders in Sankt Vith en omgeving.”

Boek twee beschrijft uitvoerig wat er zoal te doen en te zien is in het grensgebied ten oosten van het land, in de streek tussen Voeren en Sankt Vith. Het is een originele toeristische gids voor dit Duitstalig België, “misschien wel de best beschermde minderheid – op basis van de taal – ter wereld.” Het is echter nooit een homogeen gebied geweest. Van de bewoners zegt men: Er ist vom Norden, oder er ist von Süden, respectievelijk Eupen of Sankt Vith.

Driehoeksverhouding

In het derde boek lees je meer over wat er achter de façade speelt over dit ménage à trois van Vlamingen, Frans- en Duitstaligen. Het bevat als bijlage een niet-gedateerd maar ontegenzeggelijk historisch document: Le Martyrologe Borain. Dat gaat niet eens om een volledig overzicht van het aantal slachtoffers, zowel doden als gewonden, van mijnrampen in de Borinage in de periode 1589 tot mei 1940. Fonteyn ontdekte het in een morsig antiekwinkeltje nabij Couvin. Het boekje, samengesteld door ene Emmanuel Laurent, droeg al de titel L’ Ennemi N° un du mineur: LE GRISOU. De uitgever was Dupuis die ons nadien Robbedoes, Guust Flater en andere striphelden heeft leren kennen en was de oorspronkelijke eigenaar van weekblad Humo. Grisou betekent mijngas. Belgen, ongeacht de taal die ze spraken, stierven niet enkel voor de verdediging van het vaderland in de IJzervlakte. De allereerste soldaat stierf op 4 augustus 1914 nabij het Waalse Battice. Een Luikse kazerne is naar hem genoemd.

Volksvermaak

Het Drielandenpunt is het gebied waar ons land, Nederland en Duitsland elkaar raken. Ooit was het een vierlandenpunt. Na de nederlaag van de Napoleontische legers in 1816 raakten de grootmachten het maar niet eens over dat gebied. Inzet van dit dispuut was de zeer belangrijke zinkmijn van Altenberg of Galmeiberg, pal op de grens tussen Nederland en Duitsland, in de Belgische economische geschiedenis beter bekend als Vieille Montagne. Maar geen enkel land wou deze winstgevende mijn zomaar in handen van de ander laten. Zink was overigens ook militair van groot belang. In een legering met koper werd het gebruikt als materiaal voor kanonkogels.

Na enorm veel overleg besloten de querulanten het gebied rondom de mijn een aparte status te geven. Zo ontstond het ministaatje Neutraal Moresnet, nog geen vier vierkante kilometer groot. Na de Duitse nederlaag in 1919 werd het toevertrouwd aan ons land en het is sindsdien een stukje van de provincie Luik.

Het ministaatje zelf floreerde. Dankzij Vieille Montagne vonden velen uit verre contreien er werkgelegenheid. Enige tijd bestond er zelfs geen dienstplicht. Maar naast de aantrekkingskracht die daarvan uitging, gebeurden er ook zaken die in de omliggende landen gewoon verboden waren. Fonteyn: “De hele geschiedenis is vergelijkbaar met die van de Monaco’s en Maagdeneilanden van vandaag – Panama, Bermuda (jw). In de praktijk regeerde Vielle Montagne de neutrale gemeente, middels de persoon van de directeur van de onderneming.

Tot vandaag doet men in de gemeente Moresnet wat geheimzinnig over deze periode, die meer dan in de tijd van het kanonnengebulder van Napoleon en diens vijanden gekenmerkt werd door casino’s, speelholen en andere verderfelijke, maar hoogst amusante oorden van vermaak. Het zal wel geen toeval zijn geweest dat ergens in die periode het besluit werd uitgevaardigd dat in cafés de bediening enkel mocht worden verzorgd door de echtgenoten en de dochters van de cafébazen. Er wordt daar in Moresnet tegenwoordig eerder met verholen en enige spijt dan met trots op hun ‘onafhankelijke’ periode teruggekeken.”

Kapitaal vormgevend

Het eerste boekje van de drie verscheen in april 2009. Voor deze nieuwe gebundelde uitgave schreef Fonteyn een extra woord vooraf met als titel ‘Over het belang van de geologie’. Dit klinkt velen ongetwijfeld vreemd in de oren. Want gaan onze stammentwisten niet over het taalgebruik in welbepaalde delen van het land, over Vlaamse identiteit, over communautaire geschillen? De markante geschiedenis van Vieille Montagne in Moresnet maakt evenwel duidelijk dat economische elementen en ontwikkelingen vaak aan de basis liggen van politieke, sociale, geografische en zelfs historische situaties. Niet de cultuur in zijn sociologische betekenis, maar kapitaal is de meest vormgevende macht. Fonteyn formuleert het in een titel aldus: “Waalse delfstoffen + Vlaamse migranten = Brussels geld.”

Wallonië had mineralen zoals steenkool, ijzererts, marmer, leisteen, zink. De industriële exploitatie ervan maakte van Wallonië een succesverhaal. Maar er waren niet genoeg arbeidskrachten zodat er een vraag naar migranten ontstond. Bijgevolg trokken de Vlamingen, die in een armlastige omgeving leefden, naar het zuiden des lands. Ze werden aanvankelijk zeer minachtend ontvangen. De Walen gedroegen zich superieur. Verblind door hun welstand hadden ze niet door dat die niet eeuwig was, zoals de ontwikkelingen hebben aangetoond.

Fonteyn: “In het Vlaanderen van vandaag is datzelfde proces bezig, maar de meeste Vlamingen beseffen niet dat ook hun welstand niet eeuwig zal duren. Zo zijn de Kempen van vandaag vergelijkbaar met de Borinage van gisteren. Het is niet de PS-staat die Vlaanderen verarmt, maar het kapitaal dat even gemakkelijk Vlaanderen voor China inwisselt zoals het destijds de Borinage inruilde voor de Antwerpse haven.”

Unicum?

België wordt wel eens als een buitenbeentje beschouwd. Niets is minder waar, zo toont Fontyen aan. “Zwitserland levert een gelijkaardig voorbeeld van veranderende invloeden, zij het op een kleinere schaal. Zo was de tweetalige stad Biel/Bienne ooit het centrum van de mechanische uurwerkindustrie, vooral van dure polshorloges, die helemaal in Franse handen was. De stad werd dan ook hoofdzakelijk in het Frans bestuurd, met wat wij ‘faciliteiten’ voor de Duitstaligen zouden noemen, tot de mechanische uurwerkindustrie in elkaar stortte ten gevolge van de opmars en het succes van de elektronische uurwerken. De Franstalige burgerij had dit niet tijdig zien aankomen en verloor snel haar invloed. Biel/Bienne kreeg sindsdien meer en meer een Duits karakter, met faciliteiten voor de Franstaligen. De taalstrijd is dus nooit een louter cultureel of politiek gegeven; taalverhoudingen weerspiegelen ook economische machtsverhoudingen.”

Over de taalgrens, Grensgebied en Vlaanderen, Brussel, Wallonië. EPO, 2016, paperback 3 volumes in een box, 556 blz.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Jan Willems

Jan Willems was persmuskiet met een verschrikkelijke hekel aan pseudo-kritische scorebordjournalistiek en schreef enkele boeken over de boven- en onderwereld. Wat hem nooit heeft belet ook oog te hebben voor productiekrachten, -middelen en -verhoudingen.