Proces Wesphael: de burger tegenover het systeem

 Leestijd: 3 minuten1

Het assisenproces Wesphael, waarbij Bernard Wesphael terechtstond voor doodslag op zijn vrouw, en de vrijspraak die er het resultaat van is, heeft het debat over deze wijze van afhandeling van een strafproces terug op de voorgrond gebracht. Nochtans was op 29 februari 2016 beslist om het anders te doen. De wijzigingen, die op voorstel van minister Koen Geens in de strafvordering werden aangebracht, moesten leiden tot minder en efficiëntere procedures om recht te spreken en de werklast te verminderen: het ultieme doel is een efficiënte en kwaliteitsvolle justitie, aldus Geens bij de voorstelling van de potpourriwet.

Daarom zullen voortaan enkel politieke en persmisdrijven automatisch voor het hof van assisen met een volksjury worden beoordeeld en zullen alle andere (ook de allerzwaarste) misdrijven voor de gewone correctionele rechtbank worden behandeld. Het parket zal vaker aan een onderzoeksrechter om een mini-onderzoek kunnen vragen. Daarbij doet de onderzoeksrechter maar een deel van het onderzoek, bijvoorbeeld de beantwoording van de vraag of er al dan niet een huiszoeking moet gebeuren.

Het parket kan nu ook aan de verdachte voorstellen om voor feiten waar maximaal vijf jaar op staat, schuldig te pleiten zodat daarover geen lange debatten meer nodig zijn. De verdachte moet dan wel beloven om niet alle mogelijke verdedigingsmiddelen te gebruiken, zodat kan worden onderhandeld over een mildere straf.

Uit het proces Wesphael komen nu terechte opmerkingen die ernstig doen twijfelen aan “kwaliteitsvolte justitie”, het ultieme doel van de wet. Hoe zou het vooronderzoek in de zaak Wesphael bij een mini-onderzoek, of zelfs bij de geplande afschaffing van zowel de onderzoeksrechter als de raadkamer, en bij de behandeling voor de gewone correctionele rechtbank, zijn verlopen?

Drie jaar

De feiten in de zaak Wesphael dateren van 31 oktober 2013, bijna drie jaar geleden. Bij toepassing van de heterdaadprocedure werd de verdachte toen in voorlopige hechtenis genomen. Na tien maanden werd hij door de rechters van de Kamer van Inbeschuldigingstelling in voorlopige vrijheid onder voorwaarden gesteld. Tijdens het drie jaar durende vooronderzoek werden getuigen gehoord en experten aangesteld om toxicologisch en psychologisch onderzoeken te voeren.

Deze onderzoeksmaatregelen brachten elementen die de stelling van het openbaar ministerie ondersteunden. In het drie weken durende proces kreeg de verdediging de mogelijkheid om andere getuigen en experten aan het woord te laten. Daaruit volgden geheel andere en erg tegengestelde besluiten. Door de jury werden de resultaten van het vooronderzoek afgewogen aan wat het onderzoek op de zitting had bijgebracht: vrijspraak.

Vraag is dan hoe dit alles zou verlopen zijn bij toepassing van de intussen aangebrachte wijzigingen, of nog wat daarvan zal worden indien het hervormingsplan van minister Koen Geens geheel zal zijn afgewerkt?

Koen Geens (Foto: Reporters (c) Michel Gouverneur)

Koen Geens, minister van Justitie (Foto: Reporters (c) Michel Gouverneur)

Procedure na hervorming

Hoe zal de procedure er na de hervorming uitzien? Gezien de afschaffing van de onderzoeksrechter zal het vooronderzoek enkel door het parket gebeuren. Tussenkomsten van de “rechter van het onderzoek” zullen beperkt blijven tot een beoordeling van de noodzaak om grondwettelijk beschermde rechten te schenden: huiszoeking, aanhouding. Ook het toezicht door de raadkamer zal verdwijnen.

De behandeling door de gewone correctionele rechtbank zal erg verschillend zijn van wat nu op assisen is gebeurd. Nu al is de correctionele behandeling grotendeels beperkt tot de beoordeling van de vordering van het openbaar ministerie. Vragen van de verdediging tot het horen van bijkomende getuigen of het aanstellen van andere experten worden veelal afgewezen. Want voor de correctionele rechtbank moet in maximum drie dagen gebeuren waar het assisenhof drie weken voor nodig heeft.

De correctionele rechter heeft ook niet meer de bevoegdheid van een assisenvoorzitter die uit zichzelf bijkomend onderzoek kan bevelen. De gewone strafrechter kan het enkel aan het parket vragen en het parket beoordeelt dan de opportuniteit van de maatregel. Voor andere, minder zware misdrijven, worden de mogelijkheden om het zelfs niet tot een behandeling voor de gewone strafrechter te laten komen erg vergroot. Nu al is er de mogelijkheid voor het parket om de zaak te seponeren of er een al dan niet uitgebreide minnelijke schikking voor in de plaats te stellen.

Tegen een sepot zal door de afschaffing van de burgerlijke partijstelling niet meer kunnen worden opgekomen. Daar komt nu de mogelijkheid bij om met de verdachte een deal te maken waarbij deze in ruil voor de bekentenis van schuld een bepaalde sanctie aanvaardt.

Vrijspraak

Dat het met de nieuwe procedurevoorschriften sneller zal gaan, is duidelijk. Of dergelijke afhandeling ook “kwaliteitsvol” mag genoemd worden, is een andere vraag. Het antwoord daarop zal hoofdzakelijk afhangen van wat het openbaar ministerie bij de uitoefening van de haar toegewezen nieuwe opdrachten en bevoegdheden zal doen of toelaten. Mede in het licht van wat de behandeling van de zaak Wesphael heeft aangetoond, moeten hier voornamelijk twee vragen worden beantwoord: is het in de geest van een principiële benadering van het behoorlijk proces wel toegelaten dat een procespartij, die het openbaar ministerie altijd zal blijven, dergelijke overmacht op de procesvoering verkrijgt, en zijn er ook in de praktische benadering van wat werkelijk tijdens het proces kan en moet gebeuren geen elementen die doen twijfelen aan de behoorlijkheid?

Over de principiële benadering zijn er voldoende duidelijke grondwettelijke en supranationale regels die de nieuwe procedures in de weg staan. Over de feitelijke afhandeling geeft het proces Wesphael eveneens duidelijke aanwijzingen: het is sterk te betwijfelen dat een correctionele afhandeling voor de gewone strafrechter aan de verdediging dezelfde mogelijkheden zal geven om door verhoor van bijkomende getuigen en het aanstellen van andere experten een andere waarheid aan te tonen.

Wetende dat enkel daardoor een vrijspraak kon worden bekomen mag de vraag worden gesteld of dat voor de “gewone” rechter ook had kunnen gebeuren: wellicht niet. Voor het parket dat de veroordeling vorderde zijn de nieuwe procedurevoorschriften welkom. Voor de verdediging maken zij een sterke achteruitgang van de rechten uit. Wat de burger ervan denkt, kan uit het assisenverdict worden afgeleid: vrijspraak.

 

Auteur: Walter De Smedt

Is gewezen raadslid van Comité I en Comité P