Het nieuwe assisenproces


Justitieminister Koen Geens (CD&V) wil de volksjury vervangen door een gemengd gezelschap van burgers en experten: “Op korte termijn was dit een vraag die heel sterk leefde vanuit de magistratuur zelf. Men wou naar minder assisenzaken… Tegen een verdict van assisen zal in de toekomst ook beroep kunnen worden aangetekend. Assisenprocessen die drie, vier, vijf tot zes weken duurden. Dat is gewoon niet meer werkbaar. We gaan tot iets heel evenwichtigs komen, denk ik, iets waar de hele wereld van de correctionele pleiters gelukkig mee zal zijn.”

Iedereen blij?

De assisenprocedure is een erfenis van het ancien régime, met 12 gekozen burgers die op basis van hun “intieme overtuiging” oordelen over schuld of onschuld. België werd voor het handhaven van de procedure al bij herhaling veroordeeld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, omdat de beslissing niet werd gemotiveerd en tegen de uitspraak van een volksjury geen enkele vorm van beroep mogelijk was. Dat wordt nu allemaal naar ieders wens in orde gebracht.
Maar wat met de ‘gewone’ correctionele procedure, de behandeling door de doordeweekse strafrechter(s)?

Deze ‘correctionele’ procedure was aanvankelijk ook een overblijfsel van de Franse Revolutie. In deze procedure waren er geen burgers en werd alles door beroepsrechters behandeld. Voor het overige was er weinig verschil met assisen: na het geheime vooronderzoek door een onderzoeksrechter, moest de strafrechter het definitief onderzoek overdoen in een openbare behandeling waarin alles op tegensprekelijke wijze moest hernomen worden.

Daar was een goede reden voor: openbaarheid is de beste garantie op een eerlijk proces. In de assisenprocedure bleef dit onderzoek ter zitting aangehouden. In de correctionele procedure werd deze tijdrovende behandeling steeds verder verlaten. De huidige wijze van doen is veelal beperkt tot de enkele vraag of de vordering van het openbaar ministerie al dan niet moet bevestigd worden.

De strafrechter heeft niet meer de discretionaire macht van de assisenvoorzitter om naar eigen goeddunken alles te doen voor de goede rechtsgang. Voor het horen van getuigen en experten is geen tijd meer en als de strafrechter zelf bijkomend onderzoek wil doen, moet hij dat aan het parket vragen en oordeelt het parket of het wel opportuun is.

Dat maakt dat de huidige strafrechter geen actieve rol meer heeft in de waarheidsvinding en hij op passieve wijze de vordering van het openbaar ministerie bekrachtigt, aanpast of afwijst. Dat het openbaar ministerie, nadat het de opportuniteit van de vervolging heeft beoordeeld en waarbij het kan besluiten dat een vertrouwelijke deal beter is dan een rechterlijke beoordeling, nu ook zelf beslist of bijkomend onderzoek nuttig is voor de waarheidsvinding, heeft de behandeling voor en door de strafrechter erg gewijzigd.

Tijdrovend

Zowel de assisenprocedure als de correctionele procedure worden aangepast omdat het nu vooral sneller moet gaan. Dat gaat ten koste van een ander gegeven: de waarheidsvinding. Dat heeft meermaals tot gevolg dat de waarheid niet gevonden kan worden. Recentelijk zijn daar twee sprekende voorbeelden van: de zaak Jonathan Jacob en het Aquino-proces.

In de zaak Jacob, de dood van een jonge man bij de interventie van de ‘bottinekes’ in de politiecel te Mortsel moest de waarheid niet gezocht worden, want die stond overduidelijk op de camerabeelden. Toch duurde het zes jaar eer de strafrechter erover kon oordelen. En dan nog was zijn “saisine”, de wijze waarop hij dat kon doen, beperkt. Want bij de beoordeling van de belangrijkste vraag, namelijk of er door een parketmagistraat een bevel gegeven werd om de man plat te spuiten, ontbrak de voornaamste betrokkene. De procureur-generaal had immers bij toepassing van zijn privilege geoordeeld dat het niet ‘opportuun’ was deze magistraat in het proces te betrekken.

In het Aquino-proces ging het over een andere, maar even belangrijke vraag: het al dan niet horen van de burgerinfiltrant. En ook daar zaten de strafrechters met een vervelende aangelegenheid. Het gebruik van een burgerinfiltrant is immers verboden omdat de geschiedenis herhaaldelijk heeft aangetoond dat dit altijd verkeerd afloopt. De behandeling voor de rechtbank duurde twee jaar en de getuige werd niet gehoord. De rechtbank oordeelde dus enkel op grond van het wel overlegde onderzoeks dossier. Was dat voldoende om de hele waarheid te kennen? In ieder geval was dit dossier onvolledig, want wat de mogelijke burgerinfiltrant al dan niet deed was er niet in weergegeven: geheim en niet aan de strafrechter overlegbaar.

Strafbare feiten

Dergelijke aanvaringen tussen de plicht om de waarheid te ontdekken en het recht van de verdediging om dat te vragen zijn niet goed voor de geloofwaardigheid van de justitie. Daarom deed de Brusselse procureur-generaal Delmulle in zijn jaarlijkse toespraak een voorstel: schaf het verbod op de tussenkomst van een burgerinfiltrant af en geef hem de toelating om strafbare feiten te plegen.

Deze oplossing verhoogt de doelmatigheid van de opsporing en maakt de behandeling voor de strafrechter veel sneller. Betwistingen over de wijze waarop in het vooronderzoek is gehandeld zijn dan niet meer mogelijk. Want wanneer de procureur aan een burger toelating geeft om misdrijven te plegen, zijn er gronden van verschoning voorhanden, dan is er geen misdrijf meer en is de beoordeling door de strafrechter zonder voorwerp. Dat zou wél het geval zijn indien er in plaats van gronden van verschoning gronden van rechtvaardiging zouden worden voorzien, maar dat is enkel een juridische discussie die boven het petje van de burger gaat.

Opportuun

In de aanvankelijke correctionele procedure had de strafrechter een meervoudige opdracht: zoeken naar de waarheid en oordelen over schuld en boete. Daar blijft nog weinig van over. Over de waarheid oordeelt het openbaar ministerie, de schuldvraag is vervangen door een opportuniteitsbeoordeling, en de boete wordt nu enkel geldelijk of bij wijze van enkelband begroot. Dit is althans wat het politieke beleid in het zoeken naar meer doelmatigheid en versnelde behandeling ervan gemaakt heeft.

Vermoedelijk wordt de nieuwe door de Justitieminister aangekondigde codificatie van het strafprocesrecht de bevestiging van deze evolutie. Of misschien toch niet? Want intussen kwam er een arrest van het Grondwettelijk Hof over de meest verregaande ingreep in de procedure, de afkoopwet. En dit Hof zag het anders: op grond van de grondwet en de supranationale regelgeving is het rechterlijk toezicht niet alleen noodzakelijk maar moet het ook ‘daadwerkelijk’ zijn. En bovendien is het statuut van het openbaar ministerie anders dan dat van de rechter: afzetbaar en onder het gezag van de minister.

Het aanpassen van de assisenprocedure is dus maar een tussentijdse toegift om iedereen tevreden te stellen. De werkelijk proef op de som moet nog komen. Gaan de nu gelukkig gemaakte magistraten en assisenpleiters even gelukkig blijven met de nieuwe ‘gewone’ strafprocedure? Het zijn immers dezelfde rechters die ze zullen toepassen en dezelfde pleiters die erin zullen opkomen voor dezelfde rechten.

 

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Walter De Smedt

Walter De Smedt is gewezen raadslid van Comité I en Comité P.


Over dit artikel

BronApache [https://www.apache.be]
TitelHet nieuwe assisenproces
Auteur(s)Walter De Smedt
Permalinkhttps://www.apache.be/?p=61650
Gepubliceerd 07 september 2016 @ 11:51
Opgevraagd19 augustus 2019 @ 15:45
Klik hier om te printen