Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

De zaak Dutroux: een gestold schandaal

23 augustus 2016 Walter De Smedt
De commissie 'Dutroux': aanzet tot algehele politiehervorming? (Foto © Wp-content)
De commissie 'Dutroux': aanzet tot algehele politiehervorming? (Foto © Wp-content)

Niet alleen de gruwelijke feiten zetten het land op zijn kop. Ook de wijze waarop het onderzoek door politie en justitie werd gevoerd, leidde tot algemene verontwaardiging. Gedurende het maandenlang aanslepende parlementaire onderzoek kwam de ene fout of nalatigheid na de andere naar boven.

De zoektocht naar de waarheid, naar een antwoord op de vraag waarom de kinderen niet vroeger konden gevonden worden, kende een hoogtepunt toen commissievoorzitter Verwilghen onderzoeksrechter Martine Doutrèwe confronteerde met de rijkswachters die het onderzoek hadden uitgevoerd. De onderzoeksrechter bleef erbij dat zij niet in kennis was gesteld van de operaties Othello en Décimes, de door de Rijkswacht uitgevoerde observatie van Dutroux. De rijkswachters bleven beweren dat zij wél alles ter kennis hadden gebracht. Deze tegenspraak bracht de commissievoorzitter er toe vast te stellen dat één van hen niet de waarheid sprak.

Daarop verwachte iedereen dat, naast de gerechtelijke waarheid over de feiten die in het assisenproces werden geformuleerd, er ook een politieke waarheid zou komen over de afgelegde verklaringen. Maar een officiële uitspraak over deze vraag kwam er niet. Johan Vande Lanotte, minister van Binnenlandse Zaken, Stefaan De Clerck, minister van Justitie, en Willy De Ridder, commandant van de rijkswacht, namen ontslag. Voor de fouten en nalatigheden werd een stopwoord bedacht, het lege begrip 'disfunctie'. Om het geheel af te sluiten werd een even nietszeggend besluit geformuleerd: alles was de schuld van de 'afstomping van de norm'.

Het antwoord

Het politieke antwoord werd gevonden, maar niet gegeven. Daar was een duidelijke reden voor. Het ging toen immers niet over persoonlijke fouten, maar om de gevolgen van twee tegengestelde politieke opvattingen over de wijze waarop het vooronderzoek in strafzaken moet worden gevoerd. En daardoor stonden ook twee staatsinstellingen, de rechterlijke en de uitvoerende macht, recht tegenover elkaar.

Er kan begrip voor worden opgebracht dat het politieke beleid, gezien de toenmalige algemene verontwaardiging, deze confrontatie uit de weg ging. Dat gebeurde door de oprichting van de 'geïntegreerde' politie op twee niveaus. Door deze vormelijke maatregel werd evenwel niets gewijzigd aan de oorzaak van de catastrofe: de 'desintegratie' van de verzelfstandigde geheime politieoperatie uit het gerechtelijk vooronderzoek.

Deze opsplitsing van de gerechtelijke actie in een politionele operatie en een gerechtelijk onderzoek dateert van de in 1971 eigenmachtig genomen maatregel door justitieminister Vranckx, die nadien bevestigd werd door de wet op het politieambt. Dat intussen ook een andere wet, de wet Franchimont, de grondwettelijke scheiding der machten had geëerbiedigd door de gehele leiding van het gehele vooronderzoek aan de onderzoeksmagistratuur te handhaven, zorgt sindsdien voor een blijvende tegenspraak die als een erfelijke belasting op de gehele werking van het gerechtelijk onderzoek weegt.

Het comité onderzoek

Het toenmalig politiek beleid deed niet wat het had moeten doen: de knoop doorhakken in de tegengestelde politieke opvattingen over de leiding, het gezag en het toezicht op de gerechtelijke actie in strafzaken en daardoor de eenheid en de klaarheid in de toebedeling van opdrachten en bevoegdheden herstellen.

Het toenmalig politiek beleid deed toen ook wat anders en daar moet met het oog op de bewustwording van het belang van deze tegenspraak, nu na twintig jaar de gemoederen zijn bedaard, aan herinnerd worden. Het parlementair onderzoek werd voorafgegaan door een onderzoek door twee procureurs-generaal. Die wezen in hun verslag op het bestaan van geheime rijkswachtdocumenten. Daarop vroeg justitieminister De Clerck aan het Vast Comité P een advies te geven over wat met die geheime documenten kon gebeuren. Het comité gaf geen antwoord op die precieze vraag, maar startte een eigen onderzoek over de wijze waarop het gerechtelijk onderzoek was gevoerd. Dat had een boze brief van minister De Clerck tot gevolg. Hij merkte op dat het comité niet bevoegd was om de werking van het gerecht te onderzoeken, dat hij dat ook niet had gevraagd, en hij nam akte van het feit dat het comité ongevraagd zijn eigen onderzoek was begonnen.

Drie leden van het comité ondervroegen de in het gerechtelijk onderzoek betrokken politieambtenaren, stelden daarover processen-verbaal op, hielden daarover meerdere vergaderingen en stelden daarop een verslag op dat aan het parlement werd overgemaakt. Zij brachten ook aan een gemengde parlementaire commissie mondeling verslag uit. In het schriftelijk verslag werd gesteld dat de rijkswacht alles schriftelijk en mondeling aan de onderzoeksrechter ter kennis had gebracht zodat er geen sprake was van een parallel rijkswachtonderzoek. In de mondelinge voorstelling werd alle schuld bij de onderzoeksrechter gelegd en werd beweerd dat deze haar onderzoek in plan had gelaten om op verlof te gaan.

Blijkbaar was er twijfel over de waarde van dit verslag, want het parlement besloot daarop het gehele onderzoek nogmaals over te doen.

De waarheid

De wijze waarop het Vast Comité P het onderzoek voerde, leidde binnen het comité tot ernstige aanvaringen. Voorzitter Troch had het onderzoek aan twee leden, gewezen politieambtenaren, gegeven en besliste dat comité-lid De Smedt er niet mocht in tussenkomen en hij er zelfs geen kennis van mocht nemen. Daar was een reden voor. Als onderzoeksrechter in Antwerpen had dit lid in 1988 reeds een omvangrijk onderzoek gevoerd naar de nieuwe werkwijze van de rijkswacht en daarbij had hij ontdekt dat de rijkswacht een eigen, geheime inlichtingendienst had opgericht, de Gerechtelijke Informatie Dienst.

Het onderzoek bewees dat deze dienst niet alleen inlichtingen verzamelde, maar ook werkelijke operaties deed waarbij huiszoekingen, inbeslagnames en zelfs aanhoudingen gebeurden. Om het bestaan van de geheime dienst en de toegepaste methoden voor de onderzoeksrechter af te schermen, werden de processen-verbaal vervalst. Het in de operatie Antwerp Tower aanvankelijk opgestelde proces-verbaal vermeldde acht rijkswachters waarvan er geen enkele bij de operatie aanwezig was. Wie wel de operatie had gedaan, de chef van de GID en Duitse politieambtenaren van het Mobiel Einsatz kommando, werden er niet in vermeld.

Bij een huiszoeking op de generale staf van de rijkswacht werden ook documenten aangetroffen die bewezen dat alles vanuit Het Centraal Bureau voor Opsporingen van de rijkswacht werd gecoördineerd en geleid.

Dat de operaties Othello en Décimes soortgelijke operaties van de door het Centraal Bureau voor Opsporingen geleide Gerechtelijke Informatie Dienst konden zijn en wegens het geheime karakter ervan ook onderzoeksrechter Doutrèwe er buiten gelaten werd, was voor voorzitter en gewezen onderzoeksrechter Troch geen optie.

Een ander onderzoek

Comité-lid De Smedt kon zich dan wel verzetten tegen de wijze waarop het comité het onderzoek voerde, hij kon het niet beletten. Maar omdat het comité een collegiaal orgaan is en wettelijk alles door ieder lid moet bekeken en gestemd worden, formuleerde De Smedt een klacht tegen zijn collega's wegens samenspanning van ambtenaren.

Het door een raadsheer van het Brusselse Hof van Beroep gevoerde onderzoek bevestigde wat De Smedt beweerde. In dit onderzoek verklaarde comité-voorzitter Troch: "Op 19 september werd door de minister van Justitie aan het comité de vraag gesteld om advies te geven betreffende de verslagen van de procureurs-generaal. Ik overhandig u een kopie van het desbetreffend schrijven van de minister van Justitie. In dit schrijven vraagt de minister mij uitdrukkelijk te willen waken over de vertrouwelijkheid en de geheimhouding van de documenten. Op dezelfde dag werd ik in de namiddag ontvangen door de heren Swaelen en de Lathouwer, voorzitters van de begeleidingscommissies. Ikzelf was vergezeld van de heer Vandenbruaene die toen nog hoofd was van de dienst enquêtes en dit tot 1 oktober. Tijdens deze vergadering hebben beide voorzitters uitdrukkelijk gevraagd om de heer De Smedt uit te sluiten uit dit bepaalde onderzoek, onder meer in het belang van geheimhouding en de vertrouwelijkheid van het onderzoek."

Het was volgens hem hetzelfde als een zaak die hij in '88 als onderzoeksrechter in Antwerpen had behandeld en de operatie Othello werd daarmee onmiddellijk gelijkgeschakeld. Het was de klassieke vooringenomenheid van de heer De Smedt.

Ook de griffier van het comité formuleerde een verklaring: "Op mijn vraag heeft hij mij uitgelegd dat zij vrijdagavond hadden besloten om die vergadering zondagmorgen te houden. Hij heeft er aan toegevoegd dat dat de verantwoordelijkheid van de voorzitter was om niet de normale procedure te hebben gevolgd. Ik was er sterk door verwonderd. Ik heb geen uitnodiging op mijn bureel gevonden... Zowel de heer De Smedt als ikzelf zijn uitgesloten van iedere informatie betreffende dit dossier. U vraagt mij of ik wist dat de minister van Justitie het verslag verwachtte voor maandagnamiddag ten laatste. Dat is mij nooit gezegd behalve deze maandagmorgen. Ik ben ervan overtuigd dat de heer De Smedt het niet wist... Bovendien heeft Troch mij gezegd dat indien hij mij riep, hij ook De Smedt moest roepen. Hij heeft er aan toegevoegd dat hij gedekt was door politiekers om de heer De Smedt uit te sluiten uit dit dossier. Indien ik over politiekers spreek bedoel ik de twee voorzitters van de parlementaire begeleidingscommissies, de heer De Lathouwer en de heer Swaelen. Dienaangaande heeft de heer Troch mij gesproken van een vergadering die werd gehouden op 18 of 19 september tussen de twee voorzitters en de heer Troch en de heer Vandenbruaene die toen de enquêtedienst leidde. De heer Vandenbruaene heeft mij nadien nog gezegd dat deze stelling van de twee voorzitters hem sterk had verwonderd."

Het verslag en het onderzoeksdossier

Commissievoorzitter Verwilghen nam wel het dossier van onderzoeksrechter Doutrèwe in beslag, maar niet dat van het Vast Comité P. Dat had het beter wel gedaan. Want in dat dossier waren de verklaringen voorhanden die de rijkswachters hadden afgelegd nog voor het parlementaire onderzoek van start was gegaan.

En in die verklaringen hadden dezelfde rijkswachters, die nadien voor de parlementaire onderzoekscommissie beweerden alles ter kennis te hebben gebracht, heel wat anders gezegd. Daarin bekenden zij dat niet alles was medegedeeld. Ze legden zelfs uit waarom: omdat het niet de gewoonte was om interne documenten te overhandigen. Uit hetzelfde dossier bleek ook dat er wel een tiental keer vergaderd werd op de rijkswachtstaf, maar dat daarvan geen nota's werden opgesteld. Dat de persoonlijkheid van onderzoeksrechter Doutrèwe enige invloed zou hebben gehad op het onderzoek werd ontkend, zowel als werd verklaard dat zij - vooraleer op verlof te vertrekken - de adressen waarop zij bereikbaar was en een lijst van haar plaatsvervangers aan de enquêteurs had gegeven.

Huidig belang

Het is geen oude koek en evenmin zijn de persoonlijke elementen van belang. Het gaat om de vraag of dergelijke werkwijze zowel in een politiedienst als in een comité aanvaardbaar en werkzaam zijn in een democratische rechtsstaat en of die nu nog aanwezig zijn of enig gevolg hebben. Of er nu nog op dergelijke wijze wordt gewerkt door een politiedienst of een van het parlement afhangend comité kan door de lopende parlementaire onderzoeken worden bekeken.

Of dit 'systeem' nog gevolgen heeft moet niet worden bevraagd. De verzelfstandigde en geheime politierecherche bij wijze van bijzondere methoden is intussen verder uitgebouwd tot een standaardprocedure. Het gezag, de leiding en het toezicht van de rechterlijke macht is intussen ook verder afgebouwd, ontweken en zelfs vervangen.

Deze afstompingen van de norm maken nu ook geen fouten of nalatigheden meer uit. Het zijn nu 'disfuncties' geworden en door deze lege omschrijving kunnen zij herhaald worden zonder dat er enig gevolg aan komt. Toch wel belangrijk om er twintig jaar later aan te herinneren.

 

LEES OOK