Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

De echokamer van de sociale media

5 augustus 2016 Koen Smets
socialmedia - Koen Smets

Wanneer zoiets gebeurt duurt het meestal niet lang voor diezelfde sociale media worden aangevoerd als (mede-)oorzaak van dat racisme. Wat is daarvan aan, en wat zit daar desgevallend achter?

Virtuele gemeenschappen...

Die sociale media (en hun voorlopers, de bulletin boards en forums op het prille internet) vervullen een belangrijke functie: ze faciliteren het ontstaan en het instandhouden van virtuele netwerken.

Vóór het internet begon door te breken waren de meeste mensen sterk gebonden aan hun geografische omgeving. Ondanks het bestaan van snelle transportmiddelen en real-time communicatie via de telefoon was het moeilijk voor mensen met een minderheidsinteresse om zich op een efficiënte manier te verenigen met gelijkgezinden. Je kon misschien wel eens per maand naar een bijeenkomst 50 kilometer verderop gaan, of nu en dan met een medestander bellen, maar veel netwerkeffect kon je zo toch niet bereiken.

Online forums – de antecedenten van Facebook, Twitter, Pinterest en consoorten – boden in de eerste plaats aan computergeeks een manier om zonder belemmering als groep te communiceren. Dat was nuttig voor programmeurs in een bedrijf die nu moeiteloos met specialisten aan het andere eind van de wereld konden communiceren, maar het was vooral wonderbaarlijk voor de eenzame freelancer die vanuit een hoek van zijn slaapkamer in een provinciestadje software schreef. Die was nu plots lid van een virtuele gemeenschap.

En al gauw breidde de online wereld zich uit, en ontstonden honderden groepen van liefhebbers van Dinky Toy autootjes, van mensen die lijden aan Irritable Bowel Syndrome, en van amateurkoks. Niets was (en is) te obscuur: het doet niet ter zake waar ter wereld de leden van de groep te vinden zijn, een kritische massa van enkele tientallen mensen is gauw bereikt.

De meerderheidsillusie: een fenomeen waarin een kleine minderheid de attitudes van de meerderheid beïnvloedt.

Ook minder fris gedachtengoed profiteerde hiervan. Waar iemand met diep-racistische ideeën vroeger hooguit een handvol gelijkgezinden in zijn of haar directe omgeving zou hebben gehad, geven de sociale media nu meteen toegang tot tal van medestanders: zelfs wanneer maar één op de 10.000 mensen er laakbare denkbeelden op nahouden, zijn dat er in België vele honderden – ruim voldoende om op bijvoorbeeld op Facebook een samenhangende groep te gaan vormen.

..reële sociale normen

Binnen een gemeenschap gelden bijna altijd bepaalde sociale normen. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het de normen zijn die de gemeenschap bepalen. In het pre-sociale-media tijdperk, was een persoon met racistische tendenzen in een maatschappij waar racisme relatief zeldzaam is, vaak omringd door vooral niet-racisten, en dus wat geïsoleerd. De (niet-racistische) normen en waarden in zijn of haar omgeving werkten temperend.

Maar de sociale media hebben dat isolement doorbroken, en hebben nieuwe gemeenschappen geholpen zich te vormen – nieuwe gemeenschappen met hun eigen normen. Binnen zo’n virtuele gemeenschap kan racisme net een centrale norm zijn. De sociale invloed (social proof) die inherent binnen elke gemeenschap heerst, werkt versterkend: racistische uitspraken worden niet alleen gedoogd, ze worden aangemoedigd.

Dit netwerkeffect wordt verder aangedikt door de meerderheidsillusie. Dat is een fenomeen waarin een kleine minderheid van mensen de attitudes van de meerderheid beïnvloedt. Dat werd intensief onderzocht door onder meer Kristina Lerman en haar collega’s aan de University of Southern California. Een artikel in de Washington Post legt helder uit hoe dat werkt.

Een illusoire meerderheid

Dat gaat ongeveer als volgt. Binnen een gemeenschap vind je vaak dat de meeste mensen slechts een klein percentage van de andere leden kennen, maar dat er ook enkele heel populaire mensen zijn die bijna iedereen kent. Anna, een typisch lid van een club van een dertigtal mensen, zal zo bijvoorbeeld zes personen kennen, waaronder de populaire leden Piet, Patricia en Paula. Bert, ook een typisch lid, kent vijf andere mensen, waaronder de Piet, Paula en de even populaire Pascal. Caroline kent zeven mensen, waaronder de vier al genoemde high profile leden.  En Dirk, Erik, Fiona, en de meeste andere leden volgen datzelfde patroon.

Majority illusion

Precies omdat ze zo bekend zijn zien we dus steeds diezelfde bekende mensen terugkomen binnen de kennissenkring van de gewone leden: ze vertegenwoordigen vaak de helft of meer van al hun kennissen. Als deze gerenommeerde personen samen eenzelfde standpunt innemen dan gaat bijna iedereen denken dat een meerderheid van de gemeenschap daarachter staat. Zo kunnen vier mensen (samen amper 13%) de opinie van een groep van 30 beïnvloeden als waren ze de meerderheid. En je ziet meteen hoe een handjevol heethoofden, die zichzelf een sterk profiel aanmeten, dankzij die populariteit de normen van een grotere groep kunnen verschuiven.

Het racisme dat vroeger een randverschijnsel was dat de meeste mensen met succes konden negeren, wordt nu veel gauwer zichtbaar

Neemt het aantal racisten daardoor toe? Niet noodzakelijk: wat vooral gebeurt is dat, binnen die gemeenschap, het uiten van racistische gedachten meer aanvaardbaar wordt, en dat de leden van de groep zich gesterkt voelen en zelfs aangemoedigd voelen om meer extreme uitspraken te doen.

De sociale media zorgen echter niet alleen voor een platform dat aan kleine minderheden toelaat gemeenschappen met een voldoende kritische massa te vormen. Ze werken ook als echokamer: het racisme dat vroeger een randverschijnsel was dat de meeste mensen met succes konden negeren, wordt nu veel gauwer zichtbaar. Verontwaardigde Facebook- en Twittergebruikers verwijzen naar de meest verfoeilijke uitspraken, die zo steeds meer verspreiding vinden.

En dan gaat ook hier de meerderheidsillusie spelen. De timelines van duizenden en duizenden mensen worden gedurende een tijd gedomineerd door verwerpelijke boodschappen en tweets. Maar het gaat om hooguit enkele tientallen boodschappen – steeds dezelfde, die gezamenlijk een infinitesimaal klein percentage vertegenwoordigen van de totaliteit van wat op de sociale media verschijnt.

De saillantie ervan wordt nog verder opgedreven door de conventionele media. Nochtans is het soort weerzinwekkende uitspraken dat Youssef Kobo bundelt lang niet nieuw. Aan wat vroeger niets meer was dan marginale cafépraat wordt nu, dankzij de sociale media, een onverdiende relevantie toegekend.

Een moeilijke, maar futiele vraag

Dat draagt bij tot een vervormd beeld van wat werkelijk gebeurt: de incidentie van racisme wordt buiten alle proporties uitvergroot. Is dat een kwalijke zaak? Dat is een moeilijke vraag.

Mogelijk is er een wervend effect – als racistische praat het nieuws haalt, dan wordt zoiets voor sommigen misschien meer aanvaardbaar. Mogelijk leidt het ook tot overreactie (bijvoorbeeld tot nieuwe beperkingen op de vrije meningsuiting). Anderzijds kan het schokkende karakter van de racistische boodschappen ook de afkeur voor racisme versterken, en mensen laten inzien dat ook een klein beetje racisme verwerpelijk is.

Aan wat vroeger niets meer was dan marginale cafépraat wordt nu, dankzij de sociale media, een onverdiende relevantie toegekend.

Het is vooral ook een futiele vraag: de sociale media en de manier waarop ze inspelen op de samenleving zijn here to stay. Die kat krijg je niet meer terug in de zak.

Maar we hebben geen baat bij het overschatten van het fenomeen. Op communiefeesten en bruiloften zien we altijd wel eens een racistische oom of tante opdagen, en die racistische ooms en tantes verenigen zich nu op Facebook en Twitter. Hun onsmakelijke gedachtengoed kan ons daardoor gemakkelijker en vaker bereiken en maakt het een stuk meer saillant.

Vóór de sociale media als echokamer gingen fungeren betekende zo’n racistisch familielid, dat we nu en dan eens ontmoetten, niet meteen het begin van het einde van de beschaving. Het feit dat we ze samen met hun consoorten nu wat meer frequent te horen krijgen verandert daar niets aan.

LEES OOK