Rwanda: de andere kant van het verhaal


Net als bij de Holocaust en de Armeense genocide ontkennen ook veel daders van de genocide tegen de Tutsi’s in Rwanda wat er heeft plaatsgevonden. Een wetenschapper van de Universiteit Maastricht waarschuwt nu voor de toenemende genocide-ontkenning onder Westerse intellectuelen: “Het staat verzoening in de weg.”

In 1994 vindt er in het Afrikaanse land Rwanda een genocide plaats. Extremisten van de Hutu-meerderheid in het land vermoorden 75% van de Tutsi-minderheid. In totaal vallen er een miljoen dodelijke slachtoffers in amper 100 dagen. Als twee jaar later de eerste processen van het Internationale Rwanda tribunaal (ICTR) van start gaan zijn het niet de genocideverdachten die de aandacht op zich vestigen, maar zorgt een advocaat voor opschudding.

“De strategie van advocaat Luc de Temmerman is even brutaal als de misdaad zelf,” schrijft een Britse journalist geshockeerd. “De Belgische advocaat ontkent dat er ooit een slachting van Tutsi’s heeft plaatsgevonden in Rwanda.”

Michael Karnavas, een andere advocaat bij het ICTR, verklaart later dat hij persoonlijk onder druk is gezet door de Temmerman. De Belg zou Karnavas gewaarschuwd hebben dat hij niet zijn client, maar ‘de Hutu-natie’ vertegenwoordigt. “Ik moest ontkennen dat de genocide had plaatsgevonden”, aldus Karnavas. “Als er al een genocide had plaatsgevonden dan waren de Tutsi’s verantwoordelijk voor het uitroeien van Hutu’s.”

‘De andere kant van het verhaal’

Inmiddels zijn we twee decennia verder en is het fenomeen genocide-ontkenning een alledaags verschijnsel geworden. Volgens Roland Moerland van de Universiteit Maastricht vinden we het tegenwoordig in allerlei vormen terug op internet en sociale media, maar ook in pseudo-wetenschappelijke publicaties en in de reguliere westerse media.

Dr. Moerland, die jarenlang onderzoek heeft gedaan naar het onderwerp, meent dat de toenemende populariteit van genocide-ontkenning in het westen voor een belangrijk deel te wijten is aan de postmoderne behoefte om ‘de andere kant van het verhaal’ te tonen.

“Het zijn niet de daders, of uitgesproken racisten,” vertelt Moerland, “maar het gaat steeds vaker om academici, intellectuelen, advocaten, journalisten die veelal een indrukwekkende staat van dienst hebben en die je niet direct met het vorige regime in verband brengt.”

In zijn pas verschenen boek The Killing of Death, denying the genocide against the Tutsi biedt Moerland een verhelderend inzicht in de mechanismen van genocide-ontkenning. Hij legt gedetailleerd uit hoe ze zijn verweven met het genocidale proces. Daarbij besteedt hij veel aandacht aan de politieke, linguistische en sociaal-psychologische aspecten van ontkenning. De studie maakt vooral duidelijk hoe verraderlijk de ontkenningsretoriek is.

“Dit komt vooral omdat het vaak schuilgaat onder, of aanhaakt bij, kritiek op de huidige regering  van Rwanda”, zegt Moerland. Hij legt uit dat genocide-ontkenning floreert bij argumenten die de complexe realiteit van de genocide reduceren tot een simpel conflict tussen twee partijen. “Het idee dat er twee kanten aan het verhaal zitten, biedt de ontkenners de gelegenheid om de genocide te ‘de-historiseren’.”

Dat de ontkenningsretoriek door Westerlingen zo makkelijk omarmd wordt, vindt Moerland reden tot zorg. Het staat verzoening in Rwanda in de weg en verleent geloofwaardigheid aan de propaganda van de Hutu Power beweging.

“Het ergste is nog wel dat we met twee maten lijken te meten,” meent Moerland. “We zouden deze discussie nooit hebben als het om de Holocaust ging. Als ze een dergelijk narratief met betrekking tot de Holocaust zouden ontwikkelen dan zouden ze in de problemen komen, maar als het om Rwanda en de genocide tegen de Tutsi’s gaat, dan kan dat kennelijk allemaal.”

Van kwaad tot erger

Moerland waarschuwt dat de huidige retoriek sterke gelijkenissen vertoont met het officiële ontkenningsdiscours dat hij is tegengekomen in documenten van gevluchte politieke en militaire leiders uit de jaren negentig. Alleen de motivatie lijkt deels  verschoven te zijn, van sympathie voor de Hutu Power ideologie, zoals bij de Temmerman die zijn clienten als politieke gevangenen beschouwde, naar links radicale, anti-imperialistische, of meer opportunistische overwegingen.

Een toenemend obstakel in de communicatie over genocide-ontkenning is volgens Moerland de polarisatie in het debat over Rwanda. Zijn studie toont bovendien een dynamisch karakter van de ontkenning aan. “Als je eenmaal gegrepen bent door het proces lijkt er nog maar één weg te bestaan: die van kwaad tot erger.” Dit leidt volgens Moerland tot een ‘binair’ wereldbeeld bij sommige mensen. Hij vertelt dat hij om die reden ook regelmatig nare emails ontvangt.

“Het is het gevolg van een vals dilemma. Het feit dat ik genocide-ontkenning een serieus probleem vind en daartegen ageer wil niet automatisch zeggen dat ik daarmee de misstanden van het RPF over het hoofd zie. Integendeel, hoe Kagame en zijn regering het één en ander aanpakken is vanuit het bestrijden van genocide-ontkenning juist vaak contraproductief en ik ben in dat opzicht dan ook eerder kritisch over hun bewind.”

Een ander probleem is dat genocide-ontkenning voor leken niet altijd makkelijk te herkennen is.  De ontkenningsretoriek wordt volgens Moerland steeds geraffineerder en is inmiddels aangepast aan het publiek dat men wil bereiken. Hij onderscheidt drie globale vormen van ontkenning: complete ontkenning, ontkenning van de implicaties en ontkenning van de precieze betekenis. De eerste vorm wordt ook wel ‘negatie’ genoemd en spreekt voor zich. De tweede vorm accepteert wel de feiten, maar niet de consequenties. De derde vorm accepteert de feiten, maar herinterpreteert ze en geeft ze een andere betekenis. Het is vaak niet meer zo dat de genocide in zijn totaliteit wordt ontkend.

“Dat zou niemand serieus nemen”, zegt Moerland. “Tegenwoordig beginnen de ontkenners hun verhaal juist met het erkennen van de genocide, om daarna een scala aan argumenten op te sommen die de gepleegde misdaden trivialiseren of allerlei essentiële details ontkennen.” De in brede wetenschappelijke kring geaccepteerde geschiedenis van de genocide wordt bijvoorbeeld afgedaan als ‘de versie van Kigali’ om de betrouwbaarheid ervan te ondermijnen en tegelijk ruimte te scheppen voor een alternatieve, concurrerende lezing van de gebeurtenissen.

Sensatie

Zo’n alternatief discours is vaak gebaseerd op sensatie-achtige onthullingen. In het huidige klimaat van politieke schandalen en complottheorieën vindt dat gretig aftrek. “De kern van hun boodschap is dat het publiek jarenlang voor de gek is gehouden over Rwanda. De ‘echte’ waarheid over de genocide zou compleet anders in elkaar zitten.” Moerland merkt op dat zulke onthullingen op ongecontroleerde wijze de wereld in worden geholpen door degenen die de historie van de genocide willen verdoezelen.

“Vanwege hun vaagheid en oncontroleerbaarheid zijn zulke stukken uitermate geschikt om verwarring te zaaien”, aldus Moerland. “Vaak missen we een hoop informatie over het concrete onderzoek zelf en worden we alleen met de uitkomsten geconfronteerd. Door het gebrek aan context gaan zulke resultaten een eigen leven leiden en kunnen ze op verschillende manieren worden geïnterpreteerd.”

Het is volgens Moerland overigens niet zo dat ontkenning pas na afloop van de genocide is ontstaan. In zijn boek legt hij uit dat ontkenning een aspect is dat in alle fasen van het genocidale proces voorkomt. Een genocide is niet beperkt tot het uitmoorden van geïsoleerde slachtoffergroepen. Naast dit fysieke aspect moet er ook sprake zijn van een geestelijke component: de intentie om de bevolkingsgroep uit te roeien. Het op industriële schaal vernietigen van grote groepen mensen doe je niet in een opwelling. Dat vereist voorbereiding, bureaucratie, logistieke planning en uitvoering, maar ook het ontkennen van al die handelingen.

Tijdens het lezen van Moerland’s boek herinner ik me een van de uitzendingen van het beruchte radiostation RTLM waarin verschillende fasen van het genocidale proces door elkaar lopen. In mei 1994, terwijl de slachtpartijen in volle gang zijn, wordt de volgende bizarre ‘opinie’ uitgezonden:

“Tutsi’s zijn er zeer weinig. Als we stellen dat ze 10% van de bevolking uitmaakten en dat er in de oorlog al 2% is verdwenen, dan zijn er nu nog 8%. Zullen ze doorgaan met het plegen van zelfmoord door tegen een meerderheid te vechten? Zullen ze dan niet worden uitgeroeid? Zoals ik het zie, is iemand onder de Inkotanyi (het Rwandees Patriottisch Front) verantwoordelijk voor hun uitroeiing. Ik weet niet of het Kagame is of iemand anders. In ieder geval moet iemand onder de Inkotanyi vastbesloten zijn om de Tutsi’s te laten uitroeien, om alle Tutsi’s op de wereld uit te roeien. In dat geval zullen de mensen de Tutsi’s voor eens en voor altijd vergeten. We weten niet wie het is maar laat hem zo doorgaan. Ik denk dat hij zelf de gevolgen zal ervaren en dat het dan te laat zal zijn om er nog iets aan te doen.”

In dit huiveringwekkende fragment worden verschillende elementen van genocide-ontkenning uitgedrukt. Het uitroeien van onschuldige en ongewapende Tutsi-burgers wordt door de spreker uitgelegd als een legitieme oorlogshandeling in de strijd tegen de vijand in die oorlog: het Tutsi rebellenleger van Paul Kagame. Het RPF wordt voor het gemak rechtstreeks verantwoordelijk gesteld voor de genocide op de Tutsi’s. De Hutu-extremisten zijn volgens deze logica wel het moordwapen, maar het is Kagame die de trekker overhaalt. De genocide is dus niet iets wat de Tutsi-burgers overkomt, maar eerder een collectieve ‘zelfmoord’-actie onder leiding van het RPF.

De genocidale intentie van de extremisten wordt eveneens helder verwoord: Tutsi’s moeten niet alleen uitgeroeid worden, hun bestaan moet voor eens en voor altijd vergeten worden. Het is deze intentie waar Moerland naar verwijst met de titel van zijn boek: The killing of death. Een genocide bestaat niet alleen uit het collectief vermoorden van een slachtoffergroep, maar ook uit het uitwissen van de herinnering aan die groep. Het is het vermoorden van de doden. Het aangewezen gereedschap om dat doel te bewerkstelligen is de ontkenning.

Zelfverdediging

Het afschuiven van de verantwoordelijkheid op de slachtoffers zelf is volgens Moerland een voorbeeld van de officiële ontkenningsretoriek dat vandaag de dag nog steeds gerecyceld wordt. Volgens de anti-Tutsi propaganda uit de jaren negentig zouden de RPF-rebellen de voorhoede van het Oegandese leger vormen. President Museveni van Oeganda zou van plan zijn om een groot Hima-Tutsi imperium te stichten in het midden van Afrika en daarom de Hutu’s willen uitroeien. Op basis van deze angstpropaganda zijn door het hele land ‘zelfverdedigings’-milities opgericht die in 1994 zijn ingezet om de Tutsi’s op systematische wijze ‘preventief’ uit te moorden.

Het idee van een internationaal complot tegen Hutu’s is later overgenomen in het Westen. De vermeende raciale motieven achter het complot zijn inmiddels vervangen door theorieën over het westerse imperialisme in Afrika. Volgens dit alternatieve scenario zou het RPF een proxy oorlog tegen de Hutu’s hebben gevoerd om de belangen van de Verenigde Staten en Groot-Brittannië in Centraal Afrika veilig te stellen. De Hutu’s zouden ook in deze versie dus geen andere keuze hebben gehad dan zich te verdedigen tegen de Tutsi’s.

Relatief nieuw in het revisionistische repertoire is de theorie van een dubbele genocide. Volgens deze theorie zouden er twee genocides zijn geweest, één op de Tutsi’s en een andere op de Hutu’s. In de ogen van de ontkenners zou je de misdaden tegen elkaar moeten wegstrepen en is er nu sprake van ‘Victor’s justice’ – het recht van de overwinnaar. Om dergelijke theorieën aannemelijk te maken wordt er flink gegoocheld met cijfers over slachtoffer-aantallen.

In sommige scenario’s wordt nog een derde genocide meegerekend die zou hebben plaatsgevonden in Congo. De Amerikaanse journalist Keith Harmon Snow, een van de genocide-ontkenners wiens werk door Moerland wordt geanalyseerd, heeft zelfs een ‘multiple genocide’ theorie geopperd, die verspreid over vier verschillende landen zou hebben plaatsgevonden. Als mastermind van al deze vermeende genocides wijst Harmon Snow het RPF aan.

Door de groeiende verzameling theorieën over meerdere genocides dreigt de term ‘genocide’ een betekenisloos begrip te worden. Maar ook dat is een methode om de realiteit van de genocide op de Tutsi’s te trivialiseren. Moerland beschrijft enkele gevallen waarbij ook niet-gespecialiseerde academici revisionistische theorieën hebben gepubliceerd, zonder dat er een gedegen onderzoek aan ten grondslag ligt.

Helaas gaan zulke pseudo-wetenschappelijke verhalen er bij nietsvermoedende media-redacties in als koek, ook in Nederland en België. Moerland vindt dat een gevaarlijke ontwikkeling omdat genocide-ontkenners natuurlijk dankbaar citeren uit het werk van deze academici om zo hun eigen publicaties een schijn van wetenschappelijke verantwoording te verschaffen.

Tegen het einde van het boek merkt Moerland tegen beter weten in op dat intellectuelen en journalisten de verantwoordelijkheid hebben om aan waarheidsvinding te doen, in plaats van de waarheid te verbergen achter een sluier van vervorming en vervalsing. Met de groeiende polemiek in het debat over Rwanda is de noodzaak tot zorgvuldigheid groter dan ooit.

 

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Jos van Oijen

Jos van Oijen is een landbouwkundig ingenieur die verschillende periodes in Afrika heeft gereisd en gewerkt. Later is zijn focus verlegd naar geschiedenis en sociale psychologie. Speciale interessegebieden zijn Zimbabwe en Rwanda.


Over dit artikel

BronApache [https://www.apache.be]
TitelRwanda: de andere kant van het verhaal
Auteur(s)Jos van Oijen
Permalinkhttps://www.apache.be/?p=60268
Gepubliceerd 04 juli 2016 @ 11:25
Opgevraagd24 september 2020 @ 14:41
Klik hier om te printen