Het grote gelijk van substituut Peter Van Calster

 Leestijd: 4 minuten3

Deze week schreef Apache dat de telefoongesprekken van de Antwerpse substituut en specialist diamantfraude Peter Van Calster meer dan een jaar – van maart 2012 tot en met juni 2013 – illegaal werden afgetapt in het kader van een onderzoek naar lekken en dat hij wellicht ook achtervolgd en geschaduwd werd in opdracht van het Antwerpse parket-generaal. Dit artikel was gesteund op een mail die Van Calster stuurde aan Karel Anthonissen, directeur bij de Bijzondere Belastinginspectie (BBI) in Gent. Het Antwerpse parket-generaal ontkent nu in de media dat er een telefoontap of andere bijzondere onderzoeksmaatregelen tegen substituut Peter Van Calster werd uitgevoerd of bevolen.

Daardoor zitten wij opnieuw in het verhaal met de erg tegengestelde verklaringen tussen substituut Van Calster en de toenmalige procureur-generaal Liégeois, zoals die gedurende de Antwerpse diamantoorlog door Apache uitvoerig werden toegelicht.

De ontkenning door het Antwerpse parket-generaal is evenwel niet het enige antwoord dat in dit aanslepend conflict werd gegeven. Zowel over de grond van het conflict als over de verschillende onderzoeken die door het Antwerpse parket-generaal werden gevoerd, en die niet kunnen worden ontkend, zijn er intussen duidelijke antwoorden gekomen. Die antwoorden zijn minstens even belangrijk om te begrijpen waar het werkelijk over gaat, welke middelen door procureur-generaal Liégeois werden aangewend, en wat de hoogste instanties daarover hebben beslist.

Afkoopwet

Waar het conflict over ging: substituut Van Calster was en is helemaal geen tegenstander van de afkoopwet die het parket toelaat in fraudedossiers minnelijke schikkingen te maken met de verdachten. Hij vond het enkel aangewezen om deze werkwijze in overeenstemming te brengen met de supranationale wetgeving die naar de vereisten van het behoorlijk proces voorschrijft dat de burger recht heeft op een openbare behandeling voor en door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Daarom wou Van Calster zijn dossiers, ook wanneer een minnelijke schikking was tussengekomen, aan de strafrechter voorleggen. Procureur-generaal Liégeois was van mening dat de rechterlijke tussenkomst niet hoefde. Liégeois kon, als procureur-generaal, zijn substituut het bevel geven om zijn crimineel beleid toe te passen zoals hij, en overigens ook de justitieminister, het hadden uitgetekend. Hij deed evenwel iets anders.

Want de procureur-generaal heeft ook een persoonlijk privilege waardoor alleen hij een andere magistraat strafrechtelijk kan vervolgen. Liégeois nam de persoonlijke beslissing om verschillende straf- en tuchtdossiers te openen tegen Van Calster. Hij liet ook huiszoekingen en in beslagnames uitvoeren. Niet alleen Van Calster moest het ontgelden. Ook de naaste medewerkster van Van Calster werd aangepakt en omdat zij als ambtenaar gedelegeerd was vanuit de BBI, werd zij gewoon de laan uitgestuurd. Liégeois bediende zich ook van de media om Van Calster in een slecht daglicht te stellen en hem publiekelijk aan het kruis te nagelen. Tot slot werd Van Calster, op één na, van de grote fraudedossiers gezet.

Ongelijk

Procureur-generaal Liégeois kreeg evenwel over de gehele lijn ongelijk. In de door hem persoonlijk opgestarte straf- en tuchtdossiers kon, hoewel zowat alles werd omgedraaid, geen enkel misdrijf en geen enkele fout worden aangetoond, zodat alles zonder gevolg moest worden gerangschikt.

Maar ook over de grond van de zaak, de vraag of een minnelijke schikking aan de strafrechter moet worden voorgelegd, kwamen duidelijke antwoorden. Vooreerst was er de publieke uitspraak van de hoogste rechter in dit land, de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie. Die noemde ons land een “Schurkenstaat” omdat het de supranationale regelgeving, zoals de verplichtingen van het eerlijk proces, niet volgt.

En dan was er het arrest van 2 juni 2016 van het Grondwettelijk Hof over de toepassing van de afkoopwet:

“Een minnelijke schikking zonder daadwerkelijke rechterlijke controle is een schending van én onze grondwet, én van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, én van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten. Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent. De controle moet ook op een voldoende, effectieve en inhoudelijke wijze door een onafhankelijke en onpartijdige rechter gebeuren. Krachtens deze bepaling (grondwet) is het openbaar ministerie onafhankelijk in de individuele opsporing en vervolging, onverminderd het recht van de bevoegde minister om de vervolging te bevelen en om de bindende richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid, vast te leggen.”

Als een magistraat door de hoogste rechter van het land op dergelijke wijze wordt teruggefloten en het hoogste rechtscollege er op erg gemotiveerde wijze uitspraak heeft over gedaan, mag iedereen er toch van uitgaan dat het incident gesloten is en ook een procureur-generaal zich neerlegt bij de bevestigde supranationale regelgeving? Yves Liégeois deed dat duidelijk niet.

En het was niet de eerste keer dat hij een uitspraak van het hoogste rechtscollege naast zich neerlegde om met gebruik van de hem gegeven privileges verder het tegendeel na te streven. Want ook nadat het Hof van Cassatie de vrijspraak van de door Liégeois voor rechtsweigering vervolgde strafrechter De Smedt had bevestigd, verklaarde de procureur-generaal in de media dat de wetgeving dan moest worden aangepast om zijn toezicht mogelijk te maken. Hoewel Yves Liégeois zijn mandaat als procureur-generaal moest opgeven bleef hij, als eerste-advocaat-generaal verantwoordelijk voor de tucht. De tussenkomst van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, waardoor andere hoge magistraten werden aangesteld om Liégeois te “coachen” in de behandeling van deze dossiers, bleef zonder zichtbaar gevolg. Van Calster werd van de grote dossiers gezet en bleef het onderwerp van het “bijzonder” toezicht van de eerste-advocaat-generaal.

Tenslotte werd ook de bewering dat de behandeling van een grote fraudezaak voor de strafrechter niet meer mogelijk is en daarom een minnelijke schikking noodzakelijk is, door Van Calster onderuitgehaald: Van Calster bracht de zaak Monstrey toch voor de strafrechter en verkreeg de veroordeling van een honderdtal Antwerpse diamantairs en de verbeurdverklaring van bijna 100 miljoen euro illegale winsten.

Principes

In voorliggende aangelegenheid gaat het niet alleen om een persoonlijke vete tussen twee parketmagistraten. Het gaat, integendeel, om de onderliggende betwisting over de grote principes van het gerechtelijk optreden in strafzaken: hoe moet de vervolging, het onderzoek en de berechtiging van strafzaken verlopen, ook wanneer er heel veel geld mee gemoeid is? Het grote belang van deze vragen moet niet worden aangetoond: iedere dag komen schandalen zoals bijvoorbeeld de Optima-zaak naar voor.

Hierbij vormt de vraag naar het statuut en de bevoegdheden van het Openbaar Ministerie de kern van het probleem: kunnen de opdrachten en bevoegdheden van de strafrechter naar de grondwettelijke en supranationale regelgeving, zoals dat in de afkoopwet gebeurt, door het Openbaar Ministerie worden overgenomen? Dit debat is intussen door de hoogste rechtscolleges met een ontkenning gesloten.

Daarmee is de kous echter niet af: wat moet er gebeuren indien hoge magistraten als een procureur-generaal deze principes en de uitspraken daarover blijven miskennen? En wat indien daarbij ook gebruik gemaakt wordt van het persoonlijk privilege om op een niet gebruikelijke wijze in de dagelijkse praktijk, en in tegenspraak met wat is beslist, zijn eigen ongelijk toch te kunnen afdwingen? Het persoonlijk privilege van een procureur-generaal, waardoor hij alleen een andere magistraat kan vervolgen, is niet daarvoor bedacht maar integendeel gemaakt om de rechter te beschermen tegen een roekeloos en tergend geding door een procespartij die door de rechter in het ongelijk werd gesteld.

Is dat dan niet het geval met de aangehouden acties van de heer Liégeois tegen substituut Van Calster? Gaat het hier niet om een tergende en roekeloze houding van een procespartij, die het Openbaar Ministerie is, tegen de uitspraak van de hoogste rechtscolleges in?

Verantwoordelijkheid

In voorliggend dossiers kunnen noch de justitieminister, noch de hoogste gerechtelijke instanties, en evenmin de wetgever hun verantwoordelijkheid ontzien. Er zijn voldoende én duidelijke procedures om een eind te maken aan dit meer dan onfris verhaal.

De Gids voor de magistraten mag daarbij een leidraad zijn:

“In de uitoefening van zijn ambt en zelfs daarbuiten neemt de magistraat een gedrag aan dat het vertrouwen in de onpartijdigheid van Justitie bevordert en de situaties die tot wraking kunnen leiden, tot een minimum beperkt. Indien hij aan de basis ligt van reële of potentiële belangenconflicten, houdt de rechter geen zitting of trekt hij zich onmiddellijk uit de zaak terug om te vermijden dat zijn onpartijdigheid in twijfel wordt getrokken”.

Deze omschrijving geldt ook voor een advocaat-generaal.

Wordt het geen tijd om dit beslecht geschil te beëindigen, iedereen te geven waar hij recht op heeft en de maatregelen te nemen die zich opdringen om het belang dat de personen overstijgt, de toepassing van de grote principes zoals die andermaal werden bevestigd, te herstellen?

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Walter De Smedt

Walter De Smedt is gewezen raadslid van Comité I en Comité P.