Bedrijven hebben geen nood aan doctors

 Leestijd: 4 minuten0

De onderwijshervorming roert zich opnieuw. Vorige week haalde Gwendolyn Rutten (Open VLD) de inadequate talenkennis bij scholieren als pijnpunt in het onderwijs aan. Tegelijkertijd kreunen onze universiteiten onder een langdurige chronische onderfinanciering. Een materie die frequent terugkeert wanneer het hoger onderwijs bij elk beleidsjaar vaststelt dat een blijvende stagnatie van de inkomstenstroom botst met de toenemende uitdagingen van onze hoogtechnologische samenleving. Met als resultaat een objectief vastgesteld gebrek aan academisch personeel, te weinig geld voor vakdidactische ondersteuning en een voortdurende tendens naar hogere inschrijvingsgelden.

Aan de universiteiten kunnen alleen de kredieten voor zeer specifieke onderzoeksprojecten in de medische, economische en technologische kennisvelden rekenen op een gevoelige stijging wanneer de koppeling wordt gemaakt naar directe valorisatiemogelijkheden voor de private sector. Bijvoorbeeld bij de economische wetenschappen is er een wildgroei aan het aantal privaat-gesubsidieerde leerstoelen gesponsord door het bedrijfsleven. Kijkend naar de concrete doelstellingen van deze economische leerstoelen, moet worden geconcludeerd dat geen aandacht wordt besteed aan onderzoek naar de conceptuele onderbouw van de geïmplementeerde beleidsmodellen, de logische correctheid van de econometrische methodes of de diverse maatschappelijke contexten waarbinnen modellen waarheidsaanspraken genereren. Waardoor de wetenschappelijke waarheidsaanspraken an sich in het gedrang komen. Voorts kan worden vastgesteld dat de algemene kennisbagage over de structurele complexiteit van onze samenleving, een thema bij uitstek in de macro-economie, matig tot zwak is binnen deze onderzoeksgroepen.

Deuren open voor bedrijfsleven

Daar waar de private sector geld ter beschikking stelt aan onderzoek, krijgt men ook het effect dat dit onderzoek een verarming in termen van bredere kennisverwering en conceptuele vaardigheden ondergaat (een vaststelling die niet het succes van de medische of technologische toepassingsvelden wil relativeren). Beleidsmakers hameren voortdurend op het belang van kennis en vaardigheden bij onze leerlingen en studenten om later economisch competitief te kunnen zijn. Tegelijkertijd tonen zij weinig wil om ook de budgettaire conclusies te trekken, terwijl de private sector de vrije hand krijgt om haar logica van een instrumentele rationaliteit, onderzoek als kant en klaar marktproduct, uit te bouwen.

Misschien even terugkeren in de tijd. Sinds begin jaren 90 zijn alle beleidsteksten van zowel de departementen Onderwijs als Economie overspoeld door twee cruciale neologismen: “ondernemerscreativiteit” en “kenniseconomie”. De tal van Europese projecten, ministeriële kabinetten, agentschappen, economische belangengroepen en talloze private-public beleidsinstituten hebben een ware papierberg geproduceerd waarin telkens opnieuw, maar zeer vaagweg, staat te lezen hoe ons landje zich dynamisch en innovatief moet opstellen in de sectoren van nieuwe hoogtechnologische industrieën en complexe “knowledge-based” diensten (Horizon 2020, Vlaanderen in Actie (ViA) of Pact2020). In deze beleidsteksten wordt geëist dat universiteiten de deuren openzetten voor het bedrijfsleven. Dit betreft niet alleen de alom geprezen en gekende privaat-publieke samenwerking bij bijvoorbeeld biotechnologisch onderzoek. Tegenwoordig worden ook de mandarijnen van het bankwezen en de intermediaire financiële diensten uitgenodigd op universitaire infodagen om jonge onderzoekers te wijzen op hun rol binnen de nieuwe dynamische economie. Er bestaat dus een transfer van publiek geld naar de private sector om opnieuw de voornoemde instrumentele rationaliteit te promoten.

Tijdens een van deze infodagen werd recent gepeild naar de waarde van een doctoraat binnen de taal- en menswetenschappen op de arbeidsmarkt. De instrumentele rationaliteit was voelbaar. De “Senior General Manager Group Human Resources” van KBC stelde dat jonge onderzoekers zich moeten aanpassen aan de noden van haar instelling, en niet omgekeerd. Onderzoek is alleen relevant indien het nuttig blijkt te zijn voor de dagdagelijkse praktijken van haar sector. Het bankwezen bleek geen nood te hebben aan de vaardigheden en deskundigheid die doctoraathouders mogelijk met zich meebrengen. Een partner van het juridische zakenkantoor Deloitte, geassisteerd door instemmend geknik van de VBO-delegatie, was eenzelfde mening toegedaan.

Een boute stelling voor een sector die in 2008 de wereld op de rand van de complete economische chaos bracht. Chaos voortgebracht uit een algemeen gebrek aan kennis en inzicht in de noodlottige rol van dubieuze financiële producten binnen de sociale ontwikkeling van onze samenleving. Tevens een boute stelling omdat deze sector nu reeds een klein decennium niet in staat blijkt te zijn de langdurige recessie te overwinnen, terwijl haar beleid momenteel zeer éénzijdig is gestoeld op het laten afvloeien van “ondergespecialiseerd” personeel. Een boute stelling omdat het bedrijfsleven zelf klaagt dat de uitstroom aan nieuwe werkkrachten ondermaats presteert op vlak van taalvaardigheden en het algemeen vermogen om conceptueel te kunnen nadenken. Sterker nog, het Amerikaans bedrijfsleven heeft onlangs aan de alarmbel getrokken dat haar nieuwe werkkrachten net niet behoren tot de groeiende groep van functioneel analfabeten. Met andere woorden, MBA’s kunnen een reeks acroniemen van financiële derivaten opsommen (ABS, CDO, CFD, CDS …), maar zijn niet in staat om “there” van “their” te onderscheiden. Het concept van multicausaliteit toepassen buiten het eigen model? Niet aan de orde. Maar goed, het bankwezen, orerend op een universitair platform, is dus overtuigd dat de academische titel van doctor geen toegevoegde waarde voor hun activiteiten betekent.

Onmiddellijke return

Een doctor macro-economie, naar alle waarschijnlijkheid een overbodige job, kan de stoutmoedige vraag stellen of de economische activiteiten van KBC of Deloitte wel daadwerkelijk beantwoorden aan het beeld van een “innovatieve kenniseconomie binnen het kader van duurzame groei”. Een socioloog kan de bedenking maken of zij recentelijk enigszins hebben bijgedragen aan het sociale welzijn van de bevolking. Moraal van het verhaal is dat speculatieve activiteiten op kapitaalmarkten of fiscale optimalisatie geen doctors behoeven. Doctors brengen niets bij, vermits hun kennis en vaardigheden onmogelijk kunnen worden geconvergeerd in een directe toegevoegde waarde voor de desbetreffende private ondernemingen. Wat met taalkundigen? In hoge mate overbodig, “on-the-job training” zullen jonge werkkrachten inwijden in de taal van Shakespeare of Molière.

Universiteiten hebben zich de laatste tien jaar zichzelf uit de naad gewerkt om bedrijfsvriendelijke instellingen te worden. Het antwoord van de uitgenodigde gasten is ontluisterend. Alle inspanningen van universiteiten om hun jonge onderzoekers te onderrichten in het creëren van “transferable skills” zijn voor hen tevergeefs. De bedrijfsmandarijnen juichen alleen privaat-publieke samenwerking toe indien een snelle “return-on-investment” kan worden gegenereerd. Met een toekomstvisie die op haar best 36 maanden ver reikt, wordt ‘”snel” dan als vrijwel onmiddellijk begrepen.

Het vermarkten van kennis heeft niet het veronderstelde creatieve potentieel van de markten doen ontluiken. Eerder mobiliseren de desbetreffende marktspelers een nieuw disciplinair discours, waarin vele vormen van kennis niet welkom zijn binnen het domein van de instrumentele rationaliteit. Er bestaat geen creatieve progressie, maar eerder een doelbewuste neutralisatie van kennisvelden die niet volledig kneedbaar zijn naar de directe belangen van de voornoemde marktspelers. Het is bijvoorbeeld binnen de economische wetenschappen niet toevallig dat de crisis niet heeft gezorgd voor het conceptueel herdenken van de financiële modellen. Meer dan ooit geldt het adagium dat de enige mogelijke kennisverwerving het ideaalbeeld van een markt moet weerspiegelen. En meer dan ooit is de macro-economie, met haar bezorgdheid voor langdurige economische stagnatie, verbannen uit het rijk van de private leerstoelen. Het fundamenteel onderzoek naar de economische oorzaken van de crisis worden gevoerd in de departementen geschiedenis, sociologie, politieke geografie, etc. Private leerstoelen analyseren de maatschappij volgens de veronderstelde alomvattende marktrelatie, terwijl de gevolgen van de crisis zich ook laten gelden op andere domeinen. De private leerstoelen eigenen zich het biologisch concept van homeostase toe, een organisme neigt altijd naar interne stabiliteit, terwijl we de chaos van 2008 nog niet hebben verteerd.

Indien de overheid werk wil maken van een kenniseconomie, dan is het de hoogste tijd dat de bancaire wereld en aanverwante sectoren zichzelf herscholen. Het getuigt van een schrijnend gebrek aan algemene kennis dat zij de samenleving herleiden tot een imaginaire oefening in “marktefficiëntie”, terwijl 2008 heeft aangetoond dat hun ideeën en belangen in hoge mate contraproductief zijn voor de bredere lagen van de bevolking. Het gospel van de nieuwe financiële economie die zij hadden verkondigd, met religieuze ijver, blijkt weinig creativiteit of innovatie teweeg hebben gebracht. Een doctor in de theologie zal grif toegeven dat gelovigen blind zijn in het willen dienen van hun God, zelfs wanneer die God reeds heeft gefaald.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Jelle Versieren

Historicus en onderzoeker aan de Universiteit Antwerpen. Lid van Centre for Urban History, UA.