Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Moeilijke start van fluwelen commissie

4 mei 2016 Walter De Smedt
Schermafbeelding 2016-05-04 om 16.01.25

Experten

De parlementaire onderzoekscommissie was duidelijk verkeerd gestart. Terecht waren meerdere commissieleden het niet eens met de voorgestelde experten. Dat komt niet alleen door het gewicht van de Nederlandstaligen, maar vooral doordat professor Brice De Ruyver erin werd aangeduid. Van een expert mag je immers eisen dat hij onafhankelijk en onpartijdig is, en dat is professor De Ruyver langs geen kanten. “Professor De Ruyver is al jaren de toonaangevende veiligheidsexpert in ons land. Van april 2000 tot maart 2008 was hij de veiligheidsadviseur van premier Guy Verhofstadt (Open VLD). Daarvoor was hij ook al als expert aanwezig in verschillende parlementaire onderzoekscommissies, zoals rond mensenhandel ('92-'94), drugsbeleid ('96-'97) en de affaire Dutroux ('96-'97)" (bron Knack). Wat stoort, is minder zijn rol in de vorige parlementaire onderzoekscommissies, maar vooral zijn verantwoordelijkheid als dé nationale veiligheidsadviseur van de regeringen Verhofstadt.

Gênant

Hij werd de paus van het veiligheidsbeleid genoemd: onder de regeringen Verhofstadt kon er in het veiligheidslandschap niets gebeuren zonder dat professor De Ruyver er zijn hand in had. Dat hij in de Wetstraat 16 als nationale veiligheidsadviseur een vaste stek kreeg, was op zich al opmerkelijk. Voor het veiligheidsbeleid waren er immers twee verantwoordelijke vakministers, justitie en binnenlandse zaken, en die hadden elk een eigen kabinet met eigen experten. Vooral Marc Verwilghen, de voormalige voorzitter van de onderzoekscommissie Dutroux en stemmenkanon van de VLD, moest vanwege de PS onder toezicht gehouden worden.

Hoe en waarom dat kon gebeuren, werd recent door Marc Verwilghen toegegeven aan Knack: "Elio Di Rupo en Laurette Onkelinx (beide PS) hebben rond de eeuwwisseling een doeltreffend beleid tegen terreur tegengehouden." Verwilghen werd naar eigen zeggen ook niet gesteund door premier Guy Verhofstadt (Open VLD). "Hij vroeg me het los te laten, omdat hij de PS toch niet kon overtuigen. Di Rupo kon de regering met een vingerknip laten vallen", besluit Verwilghen (Belga/AVE).

Daarom was professor De Ruyver ook voorzitter van het College voor inlichtingen en veiligheid (MCIV), een politiek orgaan dat de algemene politiek inzake inlichtingen vaststelde, de prioriteiten van de veiligheid van de staat en van de Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht bepaalde en hun activiteiten coördineerde. Wat er in dat politiek orgaan onder het voorzitterschap van de heer De Ruyver werd beslist, is altijd een goed bewaard geheim gebleven. Dat zette meermaals kwaad bloed in het Vast Comité I: "Nochtans heeft het Comité meermaals aangevoerd, zowel bij het parlement als bij de bevoegde ministers, dat het absoluut noodzakelijk is dat het toegang krijgt tot de richtlijnen van het ministerieel Comité voor inlichting en veiligheid en tot de richtlijnen van het College voor inlichting en veiligheid, zodat het zijn toezichtopdracht met kennis van zaken kan uitvoeren" (toezichtonderzoek 2005.161). Maar de voorzitter van het college liet niet in zijn kaarten kijken en weigerde de richtlijnen van zijn beleid aan het comité te bezorgen.

Wij

Dat de heer De Ruyver veel meer was dan gewoon een expert stak hij zelf niet weg. In een reactie op een rapport van het Vast Comité I over de CIA-vluchten antwoordde hij: "We waren een regering die had ingezet op ethische kwesties en we wilden vermijden dat we gerold werden." De Ruyver herinnerde zich drie tot vier bijeenkomsten met een beperkte groep toplui van de veiligheidsdiensten om te achterhalen of vluchten, die door de media als ‘verdacht' waren gebrandmerkt, op Belgische bodem landden. "We hebben nooit iets gevonden", zei De Ruyver, "en daarom gaven we de premier groen licht om in de senaatscommissie te zeggen dat wij niet betrokken waren bij die CIA-vluchten."

Door deze commentaar gaf de professor een duidelijk beeld van zijn rol: we waren een regering en we gaven de premier groen licht. Op de vraag waarom er nooit iets werd gevonden, hoewel daarover meermaals met de toplui werd vergaderd, laat het geheugen van de heer De Ruyver het afweten. Hij vergeet daarbij het verslag dat het Vast Comité I over de vluchten maakte en dat ook aan Wetstraat 16 werd bezorgd: "Het is gepast te benadrukken dat de Belgische inlichtingendiensten geen enkele informatiewinning hebben ondernomen via open bronnen of via andere Belgische partnerinstellingen over dit onderwerp, en dat bijgevolg hiervan ook geen enkele analysenota werd geproduceerd." Als je niet zoekt, kan je niets vinden...

Onafhankelijk

Over de meerwaarde van de veiligheidsadviseur werd door Alexandra Colen aan premier Leterme een parlementaire vraag gesteld. Daaruit bleek dat de opdracht van prof. Brice De Ruyver van de Universiteit Gent aan Verhofstadt tussen 2000 en maart 2008 in totaal 616.538,79 euro kostte. Ook in de elf weken dat Verhofstadt zijn “interim-regering” leidde, werd nog 21.008,72 euro aan 'veiligheidsadviezen' betaald – de mooie som van gemiddeld 1.910 euro per week of 263 euro per dag. Wat doet zo’n veiligheidsadviseur?

Uit de schriftelijke parlementaire vraag aan de nieuwe premier, Yves Leterme, om te weten wat er in die veiligheidsadviezen van De Ruyver aan de eerste minister stond, bleek dat Leterme het niet wist, want: "Deze adviezen waren bestemd voor mijn voorganger en zijn me niet overgemaakt." Premier Leterme liet op 12 november in de kamercommissie doorschemeren dat de adviezen van De Ruyver aan Verhofstadt vermoedelijk mondeling werden gegeven: 263 euro per dag voor mondeling advies?

Kan een nationale veiligheidsadviseur, die gedurende verschillende regeringen het politiek beleid bepaalde, die als voorzitter van het College van Inlichtingen en Veiligheid ook verantwoordelijk was voor de uitvoering van het politiek beleid, die operationeel moest zorgen voor de coördinatie tussen de diensten - wat een aardige stuiver kostte - nadien, als onafhankelijk en onpartijdig expert optreden in een parlementaire commissie die dat beleid moet onderzoeken?

Wat gaat de expert De Ruyver aan die commissie adviseren als er vragen komen over de werking van de nationale veiligheidsadviseur, van de voorzitter van het college, over de richtlijnen die steeds geheim bleven, en over de adviezen die in de Wetstraat 16 mondeling werden gegeven? Of is het de bedoeling om door de aanstelling van de professor als expert ook de gewezen paus van het veiligheidsbeleid en tegelijk de toenmalige regering uit de wind te zetten?

Omdat de kritiek op de aanstelling bleef aanhouden, gaf professor De Ruyver nu zijn ontslag. In een interview met VTM Nieuws weerlegde hij zijn afhankelijkheid van het vorige beleid: "Ik zou zelfs zo onafhankelijk kunnen zijn dat het gênant zou worden."

Een waakhond die bijt

Als je de media mag geloven, is het oorlog tussen het Vast Comté P en de diensten die het als waakhond van het parlement moet controleren. Dat comité heeft onderzocht of de politie in ons land kansen heeft laten liggen om de broers Abdeslam, Bilal Hadfi en Mohamed Abrini te vatten voor ze op 13 november in Parijs aanslagen pleegden. In de conclusies van zijn geheim rapport stelt het comité dat de Brusselse federale politie meer had moeten doen met de informatie die ze in 2014 en 2015 had.

De top van de federale politie, het federaal parket en het parket-generaal in Brussel zijn het daar niet mee eens en schreven een vertrouwelijke brief waarin gesteld werd dat het Comité P de mogelijkheden van de politie ‘hypothekeert’ in terreuronderzoeken.

Dat er een meningsverschil is tussen de controleur en de gecontroleerde is helemaal niet ongewoon. De wijze waarop het wordt afgedaan, roept wel vragen op over het doel van het toezicht en over de wijze waarop het parlement ermee omgaat: wat zal de onderzoekscommissie ermee doen?

Essentie

Met deze betwisting zitten wij volop in de kern van het te onderzoeken probleem: hadden onze diensten informatie over de daders van de aanslagen en werd deze niet of slecht aangewend? Het antwoord op deze vragen is natuurlijk ook bepalend voor de kritiek die ons land kreeg, zowel vanuit Parijs als van over de hele wereld: failed state of niet? Iedereen beseft volkomen dat, wanneer mag blijken dat er bruikbare informatie was, of de daders wegens andere redenen hadden kunnen of moeten opgesloten worden, dat een ernstige blaam zou betekenen voor het beleid en de jarenlange gevoerde politiek van lankmoedigheid. De comité-verslagen zijn daarom ook voor het parlement als een steen in de kikkerpoel. Het Vast Comité is immers een instelling van het parlement zelf en is in feite niets anders dan de permanente uitoefening van het parlementair toezicht. De leden van de parlementaire commissie die reeds kennis kregen van de verslagen, omdat zij het comité 'begeleiden', hebben reeds een voorzichtige houding aangenomen: zij stellen de vraag of het comité niet te veel 'à charge' heeft onderzocht.

Geheim en vertrouwelijk

De comité-verslagen zijn geheim. Wat de begeleidingscommissie erover denkt, is wegens de informele regel "For Your Eyes Only", waardoor de leden van de commissie geen gebruik mogen maken van de verkregen vertrouwelijke informatie. De brief van de top van de diensten en van de korpsoversten van het parket is dat ook. Deze handelswijze staat dan in gehele tegenstelling met wat de burger, terecht, van de parlementaire onderzoekscommissie verwacht: transparantie. Dat het allemaal geheim of vertrouwelijk is geworden, is overigens reeds een 'disfunctie' op zich. Dat het Comité P rekening houdt met de bescherming van de informateurs of de door de diensten gebruikte werkwijzen, is normaal. Het kan en mag echter geen reden zijn om de andere elementen, vooral wanneer die wijzen op fouten of gebreken, geheim te verklaren. Dat geldt ook voor de parlementaire begeleidingscommissie waarvan de leden nu belet worden hun kennis en ervaring te gebruiken in de behandeling in plenaire vergadering. Geldt dat ook voor de onderzoekscommissie? Hier komt het oude zeer terug naar boven: het bestaan van twee soorten parlementairen, zij die het weten maar het niet mogen zeggen, en zij die het wel willen zeggen maar het niet mogen weten: einde van de 'freedom of speech'.

Het opmerkelijke is dat het nog niet eens over de grond van de zaak, over de door het Comité P aangegeven elementen, gaat. De top van de politie en het parket gaat reeds op de achterste poten staan omdat het comité te streng is en te veel onderzoekt waardoor de capaciteit van de diensten zou worden aangetast. In de verdediging van de diensten wordt ook reeds vooruit gelopen op het eindbesluit: "Het personeelstekort zorgt ervoor dat ook andere criminaliteit in de hoofdstad niet meer kan worden aangepakt." Je kan het niet anders begrijpen dan dat de onderzoeken van het comité de werking van de diensten verhindert.

Onderzoekscommissie

De onderzoekscommissie moet op zoek naar twee andere experten, wat op zich - wegens het aanbod van academische expertise in de vele universiteiten en hogescholen in dit land - niet moeilijk is. Wat de onderzoekscommissie met de steen in de kikkerpoel gaat doen, is heel wat moeilijker.

Gaan de leden van de commissie de kans krijgen om alle partijen te horen en alle vragen te stellen die dienstig zijn? En zal daarbij de geheimhouding en de vertrouwelijkheid verder worden gezet of blijven de deuren van de commissie open zodat ook de burger kan uitmaken wie gelijk heeft?

In de beantwoording van deze vragen speelt de onderzoekscommissie met haar eigen lot, maar ook met haar eigen geloofwaardigheid. Indien commissievoorzitter Dewael zijn opdracht als "bruggenbouwer" gaat benadrukken en hij de oorlog tussen de controleur en de gecontroleerde wil overbruggen, kan dat enkel ten koste van de waarheid gaan.

Het zal dan ook vlug blijken wat het echte doel is van de laatste onderzoekscommissie. Als die met de comité-verslagen doet wat de begeleidingscommissies deed met de oude verslagen van de Comité's P en I, waarin zowat alles werd gerapporteerd wat nodig was om het beleid in deze materie in te lichten, wordt de "fluwelen commissie" het einde van het zo geroemde permanent parlementair toezicht op de veiligheidsdiensten.

LEES OOK