Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

De moeilijke klus van commissie aanslagen

19 april 2016 Walter De Smedt
3394887723_d4ddc44626_b

Het venijn zit zoals gewoonlijk in de staart: de laatste opdracht, die overigens het meest aanleunt bij de natuurlijke opdracht van het parlement, het toezicht op de uitvoerende macht, betekent dat het integratiebeleid - de radicalisatie incluis - moet worden geëvalueerd.

Hoe gaat de commissie dat aanpakken? Hoe zal het beleid onderzocht worden? Zullen de verantwoordelijke ministers worden gehoord? En zal daarover een verslag gemaakt en gestemd worden, waarbij de vastgestelde 'disfuncties' worden vermeld?

Een erg moeilijke klus. In de regering Verhofstadt II, die aan zet was van 12 juli 2003 tot 21 december 2007 - dat is binnen de te onderzoeken periode van vijftien jaar - was Patrick Dewael vicepremier en minister van Binnenlandse Zaken, Laurette Onkelinx was vicepremier en minister van Justitie. Dat maakt dat commissievoorzitter Dewael en commissielid Onkelinx hun eigen beleid moeten beoordelen. Hoe gaat dat in de praktijk? De commissievoorzitter naargelang de vraag in zijn zetel of op de getuigenstoel? Een commissielid dat zichzelf bevraagt? En gaan zij erbij zijn als het verslag moet worden opgesteld en gestemd? Er is duidelijk niet alleen een verschil tussen de gerechtelijke en de politieke waarheid, ook de werkwijze om deze te ontdekken is erg verschillend: onderzoeker, actor, getuige, verantwoordelijke, rechter én partij?

3394887723_d4ddc44626_b
Laurette Onkelinx (Foto: Flickr CC)

Rationeel Debat

Volgens de voorzitter wil de commissie tot krachtige aanbevelingen komen, waarbij we ‘boven het partijbelang uitstijgen.’ Vraag is hoe dat kan zonder de toenmalige interne twistpunten te bekijken. Vlaams minister-president Patrick Dewael verklaarde in 2000 in zijn 11-juli toespraak: “Sommigen (…) beschouwen stemrecht als het wondermiddel tegen onverdraagzaamheid en discriminatie. Zij dwalen. Anderen schilderen stemrecht voor migranten af als een regelrecht doemscenario dat het voortbestaan van onze gemeenschap bedreigt. Zij dwalen eveneens. Het komt er nu eerst op aan om een volwaardig integratiebeleid te voeren. Dat zal de vaak emotionele polarisatie rond dit thema doen wegebben en ruimte creëren voor een rationeel debat.”

Enkele maanden later verklaarde toenmalig partijvoorzitter Karel De Gucht: “Principieel is de VLD niet gekant tegen migrantenstemrecht. Maar mensen die betrokken zijn bij een plaatselijke gemeenschap hebben rechten én plichten. Daarom hechten wij zoveel belang aan inburgering. Wij willen dat alle elementen in het debat worden opgenomen.”

De oproep tot een rationeel debat van Patrick Dewael werd door wijlen Steve Stevaert als een 'foularke' afgedaan. Waarom kwam er onder paars geen rationeel debat? Marc Verwilghen gaf recent een antwoord in Knack: “Elio Di Rupo en Laurette Onkelinx (beide PS) hebben rond de eeuwwisseling een doeltreffend beleid tegen terreur tegengehouden." Verwilghen werd naar eigen zeggen ook niet gesteund door premier Guy Verhofstadt (Open Vld). "Hij vroeg me het los te laten, omdat hij de PS toch niet kon overtuigen. Di Rupo kon de regering met een vingerknip laten vallen", besluit Verwilghen (Belga/AVE). Karel De Gucht werd door de premier als partijvoorzitter afgezet.

Waarom wou de PS geen rationeel debat?

“Het Comité I heeft zich de vraag gesteld of binnen de Veiligheid van de Staat niet een bepaalde diffuse neiging bestaat om geen moeilijkheden te veroorzaken, of een vrees om zaken te zeggen 'die men niet wenst te horen', de angst om bepaalde overheden of politieke personaliteiten in opspraak te brengen en dit alles onder het voorwendsel dat deze voorgaanden de informaties die de Veiligheid van de Staat in deze materie bezit als een bevestiging beschouwen van een 'racistisch of xenofoob' discours tegenover immigranten of de moslimwereld.

Nochtans verklaart de Veiligheid van de Staat dat zij de bevoegde ministers regelmatig en zonder informatie achter te houden op de hoogte brengt van de strategie van de islamistische milieus in België. Ze stuurt inderdaad regelmatig nota’s en gedetailleerde rapporten naar de minister van Justitie en naar de politieke en gerechtelijke overheden van het land. Maar het Comité heeft kennis genomen van een aantal van deze rapporten. Het heeft vragen bij de leesbaarheid ervan en bij het directe nut dat de politieke overheden daaruit halen, gelet op de soms heel algemene inhoud en de dubbelzinnige besluiten. Voorts denkt het Comité dat het misschien overdreven was om bepaalde rapporten als ‘geheim’ of zelfs ‘zeer geheim’ te klasseren.

Tijdens de uitoefening van zijn mandaat heeft een minister korte rapporten nodig en syntheses met ondubbelzinnige besluiten. Al te veel rapporten van de Veiligheid van de Staat bevatten lange uiteenzettingen die weliswaar relevant zijn, maar niet altijd nuttig of onmiddellijk bruikbaar voor de minister om op grond daarvan een beslissing te nemen.”

Voorgaande tekst uit het verslag van het Comité van 2001 is duidelijk: het politiek beleid werd op de hoogte gebracht, maar wenste het niet te horen uit angst voor een racistisch of xenofoob discours tegenover de immigranten of de moslimwereld én om bepaalde overheden of politieke personaliteiten niet in opspraak te brengen. Dezelfde dubbelzinnigheid vind je ook in de rapportering door de diensten.

Ondanks het Comité aangaf welke manoeuvres een reële, ernstige en precieze bedreiging vormden, deed het politiek beleid er weinig of niets mee. Daardoor konden bedreigende islamistische stromingen zoals in Molenbeek, of het wahabisme in de institutionele islam zoals in de grote Moskee van Brussel, hun gang gaan.

Stemmen

Herman Decroo had gelijk toen hij - wellicht in een onbewaakt moment - zei dat het de eerste plicht is van een politicus om herverkozen te worden. Vraag is wat je daar voor over hebt, wat je er van jezelf voor laat vallen, wat je ook echt zegt en doet. Met deze vragen zitten wij in de kern van het politiek beleid van de laatste vijftien jaar: het gebrek aan integriteit. Toegegeven, het was voorheen gemakkelijker: socialisten waren socialist, liberalen dachten liberaal en christendemocraten konden van beide voldoende overnemen om alternerend aan de macht te blijven.

Toen kwam paars en werden de interne tegenstellingen over het veiligheidsbeleid in de Wetstraat onder het toezicht van een nationale veiligheidsadviseur in de koelkast gestopt. Dat maakt de opdracht van de parlementaire onderzoekscommissie duidelijk: uit de koelkast ermee. Als commissievoorzitter Dewael en commissielid Onkelinx daarbij willen ontzien wie het probleem erin gestopt heeft, is het om het even: als het er maar uitkomt.

LEES OOK