De afkoopwet: duistere deals met criminelen

0

De omstreden Nederlandse miljoenendeal met topcrimineel Cees H., die tot het aftreden leidde van de Nederlandse minister Opstelten en staatssecretaris Teeven, is lang niet de enige geheime afspraak tussen justitie en onderwereld. Justitie sluit wel vaker schimmige deals met criminelen. Het verhaal van Nederland, dat afgelopen weekend terug in de media verscheen, doet denken aan de milardenfraude in de Antwerpse diamant. Het hervormingsplan van minister van justitie Koen Geens pleit echter vreemd genoeg voor verdere uitbreiding van de minnelijke schikking.

Walter De Smedt

Walter De Smedt

Driemaal ontslag

De voorzitster van de Tweede Kamer in Nederland, Anouchka van Miltenburg, nam zaterdag ontslag. Ze had een anoniem document met informatie die de minister van Justitie had verzwegen door de papierversnipperaar gehaald. Ook een tweede brief, die haar door Nieuwsuur (een dagelijkse uitzending op NPO 2) was bezorgd, kreeg dezelfde behandeling. Het ging om ontluisterende informatie over de wijze waarop justitie had gehandeld bij de toepassing van de Nederlandse versie van de afkoop- en kaalplukwet.

Alles begon 22 jaar geleden bij de aanhouding van de drughandelaar Cees Helman en het beslag op zijn bankrekeningen. De officier van justitie (in België de procureur des Konings) Fred Teeven oordeelde dat het onderzoek te moeilijk was en maakte daarom met de verdachte een minnelijke schikking. Na betaling van 750.000 gulden werd Helman niet meer vervolgd en werd bovendien zijn in beslag genomen geld – zonder dat er belasting op betaald werd – teruggegeven.

Reeds in 2002 kwamen over deze “afhandeling” vragen in het Nederlandse parlement. De toenmalige regering moest toegeven dat de overeenkomst de overheid 2 miljoen gulden kostte. Maar in maart 2014, twaalf jaar later, kwam in het nieuwsprogramma Nieuwsuur een bonnetje boven water waaruit bleek dat de deal niet om 2 maar wel om 5 miljoen gulden ging. De minister van Justitie, Ivo Opstelten, en procureur Fred Teeven – die ondertussen staatssecretaris was geworden – ontkenden eerst dat het om 5 miljoen gulden ging. Nadien verklaarden ze het zich niet goed meer te herinneren. Toen het bonnetje bleek te kloppen, moesten minister Opstelten en staatssecretaris Teeven opstappen.

Onderzoek

Nadat een procureur-generaal zich over het dossier had ontfermd maar er niets in gevonden had, kreeg de voormalige nationale ombudsman Marten Oosting de opdracht om de zaak te onderzoeken. De conclusies uit het onderzoek van de commissie Oosting naar de zogeheten “Teeven-deal” uit 2000 waren niet mis. “De deal die Teeven in 2000 als officier van justitie sloot met drugshandelaar Cees H. kan de toets der kritiek niet doorstaan. Inhoudelijk was de deal niet goed en ook niet vanuit het oogpunt van totstandkoming en afwikkeling”.

Teeven splitste de deal in twee afspraken: een over geld en een over strafkorting. Eigenlijk kwam dat neer op een zogeheten “package-deal”. Zo’n deal was eerder door het college van procureurs-generaal en door toenmalig minister van Justitie Benk Korthals al uitdrukkelijk en ondubbelzinnig afgewezen. Teeven en diens baas, de huidige VVD-Senator Ben Swagerman, informeerden het college van procureurs-generaal niet goed over de deal, de belastingdienst werd er bewust buiten gehouden.

De manier waarop Opstelten reageerde toen televisieprogramma Nieuwsuur in maart 2014 met onthullingen kwam over de deal “vertoont tekortkomingen”, aldus Oosting. Ambtenaren wilden een onafhankelijk onderzoek door Kees Vendrik van de Algemene Rekenkamer. Maar Opstelten besloot oud-procureur-generaal Henk van Brummen te vragen. Die kreeg uiteindelijk te weinig tijd, mocht niet met Teeven praten en slaagde er niet in door te dringen tot de juiste informatie. Hij vond het bewuste bonnetje over de deal van 4,7 miljoen gulden niet.

Opstelten en de ambtelijke top voerden geen “goede regie” in de periode na de onthullingen. Opstelten hield in een Kamerdebat vast aan het onjuiste bedrag van 1,2 miljoen. Later moest hij toegeven dat het om 4,7 miljoen ging. Oosting schrijft dat als er wel een goede regie was gevoerd, er dan waarschijnlijk geen situatie was ontstaan waarin Opstelten zich op 9 maart van dit jaar gedwongen zag af te treden, gevolgd door het opstappen van Teeven (De Post online 9/12/2015).

Aanbevelingen

Het 431 bladzijden tellende rapport van de door de minister van Veiligheid en Justitie ingestelde onderzoekscommissie “ontnemingsschikking” is niet alleen een nauwgezette weergave van alles wat verkeerd kan gaan wanneer het openbaar ministerie vertrouwelijke deals maakt met criminelen om de behandeling in openbare zitting door de rechter te vermijden. In het rapport worden ook aanbevelingen gedaan om disfuncties te vermijden: er moeten beleidsregels, procedurevoorschriften en een interne handleiding voor het openbaar ministerie komen, het openbaar ministerie moet voor de interne besluitvorming externe verantwoording afleggen, rechterlijke toetsing is wenselijk, de wetgeving moet helderheid brengen of toezegging aan getuigen omtrent voordeelsontneming ook aan de onderzoeksrechter ter kennis moet worden gebracht en de bereidheid om door een geldbedrag de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te voldoen kan niet leiden tot het verlenen van gratie. Ook voor de Belgische lezer is dit rapport nuttig. Want ook bij ons hebben we dezelfde disfuncties bij de toepassing van de afkoopwet. Vraag is dan ook of de Nederlandse aanbevelingen ook onze justitie terug op het pad van de behoorlijkheid kunnen brengen.

Parketoorlog

In 2002 onderhandelden de advocaten van de diamantsector met de Antwerpse procureur-generaal Yves Liégeois over de toepassing van de afkoopwet om een einde te maken aan de vervolging van meerdere diamantairs voor grootschalige fraude. De procureur-generaal wou graag ingaan op het voorstel om een minnelijke schikking te maken maar stuitte daarin op het verzet van het parket in eerste aanleg. De fiscale substituut Van Calster meende dat het onderzoek best eerst verdergezet werd vooraleer een schikking te overwegen, zodat er een duidelijk zicht kwam op de totale fraude en dat, indien er een schikking zou komen, dit voor de strafrechter in openbare zitting moest worden behandeld.

Om zijn persoonlijke mening te kunnen doorzetten, gebruikte de procureur-generaal zijn persoonlijk privilege. Hij liet huiszoekingen en inbeslagnames doen, niet bij de criminelen, maar op het parket. Hij ontsloeg de medewerkster van de substituut, vervolgde de parketmagistraat voor valsheid in geschrifte en gaf in de media ruim bekendheid aan deze vervolging. Intussen werden in meerdere dossiers schikkingen gemaakt. Zo zou in het Omega dossier een schikking van 160 miljoen zijn gemaakt hoewel Douane en Accijnzen een vordering van 4,6 miljard in voorbereiding hadden. De wijze waarop de procureur-generaal handelde kwam uitvoerig in de media. De kritiek was dermate zwaar dat de procureur-generaal er zelfs een journalist voor dagvaardde in een procedure van schadevergoeding. De door de procureur-generaal ingestelde vervolging en dagvaarding hadden geen succes: zonder gevolg en vrijspraak. Hoe het juist met de schikkingen afliep is heel wat minder duidelijk. Daarover werd niet of erg onduidelijk gecommuniceerd. Of er onderzoek kwam over de door de procureur-generaal toegepaste praktijken is even onduidelijk en communicatie daaromtrent is onbestaand. De procureur-generaal bleef op post tot het einde van zijn mandaat.

Evaluatie

In België kwam er geen extern onderzoek naar de praktijken van  procureur-generaal Liégeois. Er kwam wel een interne evaluatie van de afkoopwet door het college van procureurs-generaal. Magistratuur & Maatschappij, een denktank van maatschappelijk bewogen magistraten, vroeg aan het college het rapport op maar kreeg het niet omdat de bescherming van de privacy dat zogezegd niet toeliet.

In het tijdschrift voor strafrecht Panopticon verscheen onder de titel “De verruimde minnelijke schikking: een ‘meerwaarde’of ‘win-win’ situatie? Evaluatie van de praktijk”, wél een uitvoerige bespreking van de evaluatie. De eerste vraag is daarom waarom de auteurs van het artikel wel toegang tot het rapport kregen en de magistraten van M&M niet. Het antwoord wordt in het artikel zelf gegeven. De auteurs zijn allen ofwel lid van de Steundienst Openbaar Ministerie of van de Dienst voor het Strafrechtelijk Beleid. Dit geeft reeds aan in welke academische sfeer het college van procureurs-generaal en de justitieminister die er richtlijnen aan geeft, denken en handelen. Zij evalueren de maatregelen die ze zelf genomen hebben en wensen niet dat maatschappelijk bewogen magistraten daarin worden gekend. Niet alleen de deelnemers, de enkele bevraging van parketmagistraten, maar ook de evaluatie zelf is zeer beperkt. Ondanks in fine van het rapport een waslijst van kritische artikelen wordt vermeld, gaat de evaluatie enkel over de praktijk.

Ook een arrest van de Raad van State is hierin belangrijk. Een arrest van 19 december 2013 bevestigde nogmaals de functionele onafhankelijkheid van het openbaar ministerie. In de door de Liga voor de Mensenrechten aangebrachte betwisting m.b.t. de verruimde minnelijke schikking stelt de Raad van State enerzijds dat “deze zogenaamde minnelijke schikking aan de parketmagistraten de mogelijkheid biedt misdrijven op een buitengerechtelijke wijze af te handelen” en anderzijds dat het college van procureurs-generaal, dat samen met de justitieminister het strafrechtelijk beleid bepaalt, “tot de rechterlijke macht behoort”.

Het bestaan, de denk- en handelswijze van deze nieuwe “buitengerechtelijke” rechterlijke macht, wordt door de wijze waarop de evaluatie gebeurt duidelijk geïllustreerd: geen evaluatie van de vele strikt juridische elementen die door zowel de academische als de gerechtelijke wereld werden opgeworpen, geen aandacht voor de maatschappelijke kritiek die even talrijk was. Hoe het anders kan, werd nochtans recentelijk in de mercuriale van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie over het eerlijk proces op schitterende wijze aangetoond. Een grondige studie van de internationale voorschriften m.b.t. het eerlijk proces en een antwoord hoe daarmee rekening dient te worden gehouden. Hier enkel een evaluatie van de door de parketten en de parketten-generaal aan de eigen voorschriften gegeven “praktijk”.

Opportuniteit

De denk- en handelswijze van de nieuwe “buitengerechtelijke rechterlijke macht” is ook voor de toepassing van de verruimde minnelijke schikking zelf van groot belang. Het geheel steunt immers op het monopolie van het openbaar ministerie om de opportuniteit van de vervolging te beoordelen. Uit de evaluatie kan je opmaken dat dit voor het openbaar ministerie een praktische kwestie is waarbij voornamelijk naar de cijfers moet gekeken worden. Of het een win-winsituatie is wordt vooral bekeken vanuit de opbrengst die er voor de staat uitgehaald kan worden. De grote tijdwinst, de meest benadrukte motivering voor het systeem, wordt echter door de bevraging volledig onderuit gehaald. De meeste bevraagde magistraten geven aan dat de VVSBG extra werklast meebrengt voor zowel de titularis van het dossier als de referentiemagistraat.

Een VVSBG wordt niet beschouwd als een gemakkelijkheidsoplossing. Het veronderstelt, zoals bij andere zaken, immers een zorgvuldig opgebouwd dossier (het onderzoek moet zijn gevoerd, de dagvaarding en de eindvordering opgemaakt). Daarna moeten verschillende stappen worden doorlopen vanaf het ogenblik dat een VVSBG wordt overwogen: het beoordelen van de opportuniteit van de VVSBG en het bepalen van het bedrag rekening houdend met de omvang en de ernst van de feiten, het oproepen van en het overleggen met de partijen, de interne aftoetsing binnen het openbaar ministerie, het opmaken van het voorstel VVSBG, het opvolgen van de betaling en desgevallend het opmaken van de vordering van het verval van de strafvordering”. Waarin de tijdwinst zit is dus verre van duidelijk, waarin het tijdverlies zit om het “zorgvuldig opgebouwd dossier” aan de rechter voor te leggen evenmin.

Meerwaarde

De voornaamste vraag is welke de meerwaarde is van het systeem. Het antwoord hierop hangt vooreerst af van de waarde op zich. Wat is de waarde van een opportuniteitsbeslissing genomen door een procespartij in een niet openbare behandeling die gesteund is op een niet publiekelijk gemotiveerde evaluatie? Op grond van deze vragen die tegelijk de voorwaarden inhouden om aan een eerlijk proces te voldoen, kan kort worden geantwoord. Volgens de Europese en universele waarden is het systeem van geen waarde. Meer nog, de verruimde minnelijke schikking staat in tegenstelling met wat de meerwaarde uitmaakt van onze vrije westerse beschaving, want die is gesteund op de rechten die eraan de grondslag liggen, nl. het recht van iedere mens op een openbare en onpartijdige behandeling door een onafhankelijke instantie in een openbaar proces.

Plan justitie

Het grote hervormingsplan van justitieminister Koen Geens, de herziening van de wetboeken van straf- en strafvorderingsrecht incluis, was en is een uitgelezen kans om de grote kritiek die zowel vanuit de academische en de gerechtelijke wereld maar ook vanuit de media kwam in aanmerking te nemen en alle narigheid die er het gevolg van was te vermijden. Het plan Geens over de minnelijke schikking: “Het is een beginnende praktijk van een alternatief buitengerechtelijk afhandelingsbeleid op niveau van het openbaar ministerie, dat nog in volle evolutie is en waarvan een goede toepassing vele mogelijkheden biedt om nodeloos lange en complexe strafprocedures te vermijden en tot een snelle vergoeding te komen van de aan het slachtoffer toegebrachte schade of inning van de ontdoken fiscale en sociale rechten, met een stevige geldboete als ontradende sanctie”.

Voor de heer Geens is het alsof er hier niets onbehoorlijks is gebeurd. De grote gelijkenis tussen de Nederlandse “disfuncties” en de daarover uitgebrachte aanbevelingen om deze weg te werken zijn hem blijkbaar eveneens ontgaan. Integendeel pleit hij voor de verdere uitbreiding van wat voor hem maar een beginnende praktijk was. Dat dit “alternatief buitengerechtelijk afhandelingsbeleid op niveau van het openbaar ministerie” oorzaak was van zowel hier als in Nederland algemeen erkende misbruiken en de verdere “evolutie” ervan haaks staat op de bevindingen en aanbevelingen van het Nederlandse externe onderzoek, schijnt hem helemaal niet te storen.

Uiteindelijk wil Geens ook het systeem van play bargaining, de veralgemening van vertrouwelijke deals tussen criminelen en het parket – wat in Frankrijk omschreven wordt als une justice de marchandage – invoeren. Dat deze verder uitgebreide “justice de marchandage” een verregaande ontkenning inhoudt van het universeel en Europees recht dat iedere burger heeft om zijn zaak in openbare zitting voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter te brengen, stoort onze justitieminister niet. Daarmee stelt hij zich op dezelfde voet als zijn Nederlandse ex-collega Teeven. De heer Geens weet immers waar het verschil zit: in ons land wordt deze materie bij wijze van “potpourri” behandeld, zijn externe onderzoeken niet meer mogelijk, en is ook de grondige en door een duidelijk rapport beschreven beoordeling van de ministeriële verantwoordelijkheid uit de tijd.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Walter De Smedt

Er is geen biografische informatie beschikbaar voor deze auteur.