Het luchtige van de zwaarte


Luttele momenten voordat in Parijs de vrijdagnacht werd gesmoord in een kogelregen, stelde dichter, prozaschrijver en essayist Anneke Brassinga in haar lezing ‘Het luchtige van de zwaarte’: ‘Je kan beter een gedicht schrijven dan mensen overhoop schieten.’ Apache publiceert een uitgebreide samenvatting.

(Anneke Brassinga)

(Anneke Brassinga)

‘lezers buigen hun zwanehals / over je gevleugelde woorden / hun ledematen gespannen als / moordenaars onder het moorden.’ Regels uit een gedicht van Lucebert, getiteld aan… oftewel aan wie dit leest. Het eindigt als volgt: ‘bloed en zenuw worden abrupt / gestileerde zuchten en kreten / (…) / eens uit de droge bedding leest men troost / en kei en kiezel slikt men als krenten.’ Die bedding van later, die nu nog bij het schrijven volstroomt met des dichters hartenbloed, zal het opengeslagen boek zijn waar het tot woorden ingedikte lijden uit op te likken is door de troostdruftige lezer die zich tegelijkertijd, als een moordenaar of kannibaal, tegoed doet aan het zachtgeworden zoet dat eens de schrijver als een steen op het almaar brekend hart lag.

Dat is blijkbaar het ambt van de dichter – hij toont ons zijn wonden, die ook de onze zijn of hadden kunnen zijn, en biedt daarmee troost, hij offert zijn geestelijk lichaam en wij vreten het. Zo wijst Lucebert zichzelf een plaats toe in de maatschappij. De dichter is vanouds een zwaan maar ook een martelaar, Orpheus gelyncht. Alles klinkt samen en dooreen: de eucharistie, stenen voor brood, Griekse mythologie, de trauma’s van de Tweede Wereldoorlog, Luceberts achternaam Swaanswijk, noem maar op. Het gedicht bewijst zijn eigen bewering.

Elk gedicht is een van talloze eenmalige formules. Dat onderscheidt poëzie van bijvoorbeeld de katholieke mis, ook een formule, maar met altijd dezelfde tekst, goddank op eindeloos veel manieren verklankt door de eeuwen heen. De formule dient de betovering, de bewerkstelliging van een wonder. Het wonder blijft altijd denkbeeldig.

Meer valt er eigenlijk niet te zeggen over poëzie, we kunnen het hier wel bij laten, ware het niet dat mijn discours zal gaan over het lezen van poëzie en het peinzen over bovengenoemde kreten en krenten als iets waar Hans Groenewegen, aan wiens nagedachtenis deze lezing is verbonden, zich voor heeft ingezet. ‘We moeten opnieuw van de vruchten van de boom der kennis eten om terug te vallen in de staat van onschuld.’ Het is, hoop en geloof ik, een uitspraak van Hans.

Als je veel Groenewegen leest lees je bij hem ook heel veel anderen, de dichters over wie hij schrijft, en soms vergeet je of een zinsnede van hem was, of van de ‘schielijke oplichter’ die hij liefdevol aan het bezien was. Er zijn van die uitspraken die op slag klinken als een gevleugeld woord en zich aldus loszingen van hun bedenker.

Wat is een criticus? Wat doet hij? Verdedigt hij de taal tegen dichters? Verdedigt hij dichters tegen het publiek? Hans Groenewegen was als criticus zo’n invoelend lezer dat hij wel vertaler had kunnen zijn – ik mag het zeggen want ik ben erin gediplomeerd. En vertalen, dat weet u allemaal, is driedubbel gekwadrateerd lezen. We kunnen Groenewegen ook de maatschappelijk werker van de poëzie noemen. Hij bracht het toegewijde, om niet te zeggen ontfermende en tegelijk zoekende lezen meer en meer in stelling tegen het oordelende, kritische lezen en denken over poëzie. In zijn laatste bij leven gepubliceerde essaybundel Met schrijven zin verzamelen stelt hij zich een studie Nederlands voor waarbij de studenten elke week een gedicht uit het hoofd leren en daar iedere maandagochtend over praten om zo elkaars leeservaring te delen en in de loop der studiejaren tevens een innerlijk gesprek te ontwikkelen tussen de diverse dichters, hun tijdperken, verwantschappen en beïnvloedingen. Dat gaat natuurlijk al min of meer vanzelf in het hoofd van iedere afzonderlijke lezer, maar het gemeenschappelijke, het kruisbestuivende gesprek, moet Hans, als de idealist die hij was en de socialist die hij blijkens zijn voorwoord bij de onvoltooide, postuum verschijnende essaybundel De lezer geweest is, erg hebben aangesproken. Poëzie als een bindend en tegelijkertijd verhelderend medium.

(…)

Het hoort bij poëzie dat er iets onmogelijks van de dichter wordt gevraagd: de woorden tot kracht van werkelijkheid bewegen.

Daar is de taal sinds de zondeval nog maar half geschikt voor. Wie een kilo aardappelen aan de groenteboer vraagt, krijgt aardappelen, ongeveer een kilo. Dat bedoel ik met kracht van werkelijkheid, oftewel een werkzame formule. Maar ‘poetry makes nothing happen’. Zelfs een liefdesgedicht blijft vaak zonder uitwerking. En voor abstracte tovenarij is poëzie weer te concreet – voor abstracties moeten we bij de muziektaal wezen, want in de notatie van muziek wordt uitsluitend muziek genoteerd en niets anders, haar taal kent geen andere toepassingen, zodat de taal van de muziek en de muziek zelf elkaar volledig overdekken: samen zijn ze één element, één werkelijkheid waar alles kan.

Voor abstracties moet je volgens sommigen, ik noem hier Novalis, juist wél bij de taal zijn; maar dan moet je in staat zijn het gemekker om bintjes, de betogen bomvol betekenis, de prekerige redenaars, puur als muziek aan te horen, en dat vereist een zekere staat van onthechting. In het aardse gewoel van handel en politiek blijft poëzie altijd hangen op ‘denkbeeldige tuinen met echte padden erin’, zoals Marianne Moore opmerkt in haar gedicht ‘Poetry’. Het begint met een uitspraak die mij uit het hart gegrepen is: ‘I, too, dislike it.’ ‘Ook ik houd er niet van.’ En ook ik houd er niet van.

Volgens Auden, in zijn memorabele essayboek The Dyer’s Hand, geldt het voor alle dichters. Dat het voor lezers anders is, daarvan is Hans Groenewegen altijd een lichtend voorbeeld geweest – hij was ook dichter, misschien gold ook voor hem, tijdens het dichten, dat hij er niet van hield.

Gelukkig komt Moore na haar ferme verklaring van onliefde met een lichte toegeving: ‘Reading it, however, with a perfect contempt for it, one discovers in / it, after all, a place for the genuine.’ Bernlef vertaalt: ‘Wanneer men poëzie leest, echter, en met een volkomen minachting, / ontdekt men er / tenslotte toch ruimte voor het authentieke in.’ ‘Authentiek’ is een gruwelijk modebegrip geworden, zelf zou ik zeggen ‘het echte’ – poëzie is immers het summum van onechtheid, in de werkelijkheid van aardappelen, vluchtelingen, baby’s en geweld. (…)

Lezen kun je volgens mij doen op twee niveaus: je leest de abstractie, de taal, à la Novalis, zoals je een partituur kunt lezen – er bestaat een ontroerende anekdote over de vader van dirigent Benjamin Zander, die zich tijdens de Eerste Wereldoorlog, aan het front, op de been hield door Bruckners vijfde symfonie te lezen, maandenlang. Je leest dan de dynamiek, de klankkleuren, de golfslag van het repetitieve en het veranderende, de toonaarden, de rusten – en hoe meer de potentiële rijkdom van de taal in een tekst gemobiliseerd wordt door ofwel toepassing ofwel juist door weglating, des te beter is het gedicht, in de zin dat het een maximale complexiteit behaalt. Om een zo gelezen gedicht heen strekt zich (net als om een schilderij) een ruimte uit van ‘Het Woord’ zoals dat ene doekje een uitsnede lijkt van ‘Het Zien’, mits je op deze manier leest (of ziet). Door de schilders is voor zo’n manier van kijken de abstracte kunst uitgevonden, maar pas lang nadat Novalis de abstracte taal had ontdekt.

De andere manier van lezen werkt zintuiglijk: betekenis, beeldspraak, duiding, ontvouwen zich uit het gelezene, worden omgezet in levende geuren, beelden, geluiden; u weet hoe dat gaat, de veelgeroemde verbeeldingskracht brengt je tot binnen in de fictie. Daar kun je dan traag of stilstaand lezen, zeker in een gedicht, waar alles met alles in betrekking staat. Daar kun je als een kind geloven in wat je leest en lijk je wel helderziend; dit gedicht is genoeg, voor even of levenslang is het present, het ware licht op de wereld, samengebald in dat ene beeld. Alsof je eindelijk de geliefde hebt ontmoet, zo glansrijk kan lezen zijn.

Het schrijven over het belang en de waarde van poëzie kan voor de lezer het zicht op de poëzie als onmiddellijke ervaring ernstig belemmeren, omdat de schijn kan worden gewekt dat dit genre het hoogste goed behelst van de menselijke beschaving, en dat ieder gedicht, al is het nog zo futiel en lammenadig, de nimbus daarvan draagt. We moeten niet uit het oog verliezen dat de belangrijkste dingen des levens, voor bijna iedereen, zich in het sprakeloze afspelen, ook als er intussen druk bij gepraat of geschreven wordt. Kunst is door de eeuwen heen een koppig pogen om boven het naakte bestaan uit te komen, de eenmalige formule is blijkbaar steeds nodig, minstens voor de maker zelf en ook voor het algemeen – als Gesamtoeuvre, als wolk van behoeftigheid die boven ons drijft, de wolk van het mogelijke, het onmisbare, het onbestaande.

Het sprakeloze, ook wel aangeduid als ‘doen’ of ‘zijn’, het minnen, het moorden, is datgene waar het altijd om blijft draaien. ‘We hebben de kunst, om niet te creperen aan de waarheid’, zo luidt het aan Nietzsche ontleende motto bij The Dyer’s Hand: kunst als noodsprong. Ik kan niet geloven dat ‘poëzie’ c.q. ‘kunst’ als genre het hoogste goed zou zijn (al is het dat wel voor mijzelf); het is een grappig, ontroerend, complex aspect van de mens die naar iets reikt zonder het lijfelijk te willen bereiken. Elastiek voor de geest. Het is een vermogen, dat gekoesterd en opgekweekt moet worden in zoveel mogelijk faculteiten geesteswetenschap, in schoolklassen, volksuniversiteiten, leesavonden, poëziecursussen en andere liefst rijkelijk gesubsidieerde lafenis van dat vermogen.

Want, en Groenewegen zou het met me eens zijn, als de zin van poëzie iets zou zijn waar alleen het beste van het beste ertoe doet, getooid met bolletjes en prijzen, en waar je alleen in het rijk der letteren met ingewijden over spreekt, ver van de wasmachine en de meubelboulevard, dan bekruipt mij een gevoel dat er een wereld wordt afgebakend, toegesloten, en dat poëzie geen verrassingselement meer mag zijn zoals je op weg naar de supermarkt verrast kunt worden door onweer met donder en bliksem, door een oogopslag, een kwetterende menigte; dan wordt het weliswaar een toevluchtsoord voor gelijkgestemden, maar ontstaat eromheen een luchtledig – wat dan weer prikkelt tot gelamenteer over gestage verschraling van de cultuur. Terwijl de onzichtbare substantie waar ik het over had natuurlijk overal is. Iedereen zou gedichten moeten kunnen schrijven of lezen, daar hoeft verder niks mee, het is geen onderwerp voor een studie over high en low culture, evenmin als zondagsschilderen en kleien dat behoeven.

Het gaat om innerlijke vrijheid, om het spelen, als noodsprong misschien ter beheersing van verwoestende beklemming; het gaat niet per se om het exquise en het sublieme. Die beide zijn hoe dan ook onverwoestbaar. Misschien klets ik nu onzin. Maar ik geloof dat poëzie de illusie belichaamt van een denken dat geen heren dient, dat in- en tegenspraak verenigt, en zich losmaakt van de retoriek van zelfbevestiging en overreding.

Hoe dan ook, als iemand zich in taal uitdrukt, hebben we de mazzel dat we er nadien in kunnen blijven delen als we erop stuiten. Zo trok ik laatst bijna per ongeluk de brieven van Rosa Luxemburg uit de kast – ik wist niet dat ik ze had – en omdat ik toch al benieuwd was naar het idealisme van Hans Groenewegen, die in zijn inleiding bij De lezer het reëel bestaande socialisme als beginpunt noemt, begon ik te lezen, en raakte op slag vervuld van de onzichtbare substantie, die zij als geen ander verwoordt.

Het eerste zinnetje waar mijn oog op viel luidde: ‘Mijn diepste ik behoort meer aan de koolmezen dan aan de “partijgenoten”.’ In 1917 zat Rosa in Schutzhaft, ter bescherming van de staatsveiligheid, vanwege haar inzet voor die partijgenoten, zij schreef vanuit de gevangenis brieven aan Sonja, de vrouw van de eveneens gevangen genomen Karl Liebknecht. We weten hoe het met hen is afgelopen. (…)

Rosa wordt betoverd en opgetild uit haar neerslachtige bedruktheid; talloze mensen hebben zulke momenten meegemaakt, en zijn er woordeloos bij gebleven. Hun dichterlijk moment is daar niet minder om. Zoals Rosa het opschrijft is het voor die velen, als ze het zouden lezen, bijna een herinnering. Ik wil zeggen: het is niet bedoeld als poëzie, het is dichterlijk leven, het is oog hebben voor heel andere dan de eigen dimensies en toch juist daar een analogie ontwaren met het eigen benarde bestaan.

Zo schrijft Rosa in een brief aan haar vriend Hans: ‘Ik voel me als een bevroren hommel; heb je wel eens in de tuin, op de eerste vochtige herfstochtend, zo’n hommel gevonden, die helemaal stijf, als dood, op de rug in het gras ligt, de pootjes ingetrokken en het pelsje met rijp bedekt? Pas wanneer de zon hem behoorlijk doorwarmt, beginnen de pootjes langzaam te bewegen en zich te strekken, vervolgens wentelt het lijfje zich om en verheft het zich eindelijk met gebrom onwennig in de lucht. Het was altijd echt iets voor mij om bij zo’n bevroren hommel neer te knielen en hem met de warme adem van mijn mond tot leven te wekken. Als de zon, mij arme, ook maar uit mijn doodskou wilde opwekken.’

Poëzie is alle spreken over je persoon in het licht plaatsen van de condition terrestre. Daarbij zijn het merkwaardig genoeg de allerpersoonlijkste gemoedsbewegingen die zich als vanzelf uitbreiden naar een ruimer domein van bewogenheid. We zien Rosa Luxemburg knielen in het gras bij de verstijfde hommel, die zij warmt met haar adem, heel voorzichtig. We zien tegelijk de Bijbelse Schepper die Adam de adem inblaast en hem daarmee de taal schenkt. We voelen aan onze huid de warmte van ontferming, van kracht die niet doodt maar behoedt. En vooral: we zien dat Rosa zulke dingen ook echt heeft gedaan, niet louter een poëtisch beeld in zich voelt opkomen. Er is in haar beschrijving een ongezochte stilering, die niet het belang van het schrijven dient, maar voortkomt uit een wijdere blik die voor de lezer veel meer aandraagt dan er staat.

Zo’n ruime blik in een echt als gedicht bedoeld gedicht zichtbaar te maken, die als dauw opkomt uit de grazige weide van de tekst – dat zou je iedere dichter toewensen; omdat juist daarin ’s levens ellende zo mooi tot zijn recht komt. In ieder geval is dat wat lezers ook uit grote poëzie zouden kunnen putten: de dualiteit van het lijden en de momenten van verlichting, opheldering, objectiviteit.

Daarom, vanwege die momenten, heeft Auden het in The Dyer’s Hand over ‘sacred objects’ en ‘sacred events’ die de impuls geven voor het gedicht, en die in het gedicht helemaal niet ter sprake hoeven komen. Het kan, zegt hij, de aanblik zijn van iemand die een sigaret opsteekt, een hond die uit de trein springt, een appel op de tafel. Je kan er niet op voorbereid zijn, het overkomt je: een ding of voorval dat is wat het is, neutraal en zonder aanmerkelijk belang, wordt ineens de drager van universele betekenis, het behelst in al zijn futiliteit ‘het al’, in een flits, een kier in de stroom der dingen. Het brengt een indruk mee van overweldigende, ondefinieerbare betekenis. De bij de explosie vrijgekomen energie wordt omgezet in een gedicht; het ondefinieerbare geeft je het lef en de vrijheid.

Volgens Auden is er dus een ding, dat je aanraakt, je opschrikt. Volgens Proust, schrijvend over de schilder Moreau, is kunst: binnengaan, kortstondig, in je eigen binnenste ziel. Het kunstwerk is de ingespannen poging om dat moment daar in die binnenkamer vast te houden. Later zien wij, kijkend, lezend, hoe vanuit die afzondering de binnenste ziel van de maker ons aankijkt, gevangen in het schilderij of het gedicht (…). Het kunstwerk, in casu het gedicht, biedt aan de buitenwereld als enige een glimp, een kier waardoorheen we iemand werkelijk leren kennen; in het dagelijks leven zien we alleen elkaars buitenkant en is de kunstenaar even onbenullig als alle andere deelnemers aan het sociale verkeer.

Ik kan niet kiezen tussen Auden en Proust: komt het van buiten of moet je ervoor naar binnen? Hun gedachtegangen staan haaks op elkaar, dat is altijd verheugend. De dichter die zich in zijn gedicht laat kennen is een ander dan wanneer hij op de televisie aan een quiz meedoet of zijn hart uitstort, zoveel staat wel vast, en zelfs de dichter die een schoft is is een ander wanneer hij zijn gedicht schrijft. Dat begreep Diderot al toen hij zei dat Racine een schoft én een genie was, en dat Racine hem liever was dan elke banale braverd. De poëzie gehoorzaamt geen morele instantie. De poëzie ís een morele instantie. Je kan beter een gedicht schrijven dan mensen overhoop schieten. Je kan zelfs beter een slecht gedicht schrijven dan een vlieg doodslaan.

Volgens Nijhoff zit het met de poëzie nog weer anders dan Auden en Proust betogen: ‘Elk goed gedicht bevat een confrontatie van puur heelal en inwendigheid,’ zegt hij. ‘Poëzie houdt rekening met de inademing. Zij doet inademen op de levende plekken, door de regelmaat, door het metrum, de woordrepetitie, de alliteratie, het rijm, de cesuur. Hierdoor ontstaat telkens, een ondeelbaar moment, een stilte, juist op deze plekken, en in dit trillend oponthoud confronteren ziel en oneindigheid. Bij poëzie voelt de lezer zich niet in gezelschap, niet bij een ander mens. Hij is terstond in het heelal.’

Dat is nog eens mooi: vanuit de structuur wordt de lijfelijke werking van het gedicht geduid. Zowel voor maker als lezer.

Heelal, of diepste ziel – beide ruimten zijn even ver weg als spiegelwerelden voor de lezer. In zo’n kleedhokje is aandachtig, zoekend lezen en denken – zoals Hans Groenewegen voor ogen stond – uit te breiden naar stilstaand lezen en denken. Lezen is immers ook: een tekst innemen als geheel, één capsule met wat water.

In zijn laatste boek probeert Groenewegen dat zoeken toe te passen op zijn lectuur van mystici, het zengende en verscheurende bij Hadewijch, Johannes van het Kruis, Teresia van Avila, bijvoorbeeld. Daaraan koppelt hij doorwrochte, deels eerder verschenen essays over het werk van Nachoem Wijnberg, Hans Faverey, Lucebert, om dichters en mystici naar elkaar toe te lokken.

Ook als er verbanden zijn tussen beide, blijft er een essentieel verschil: poëzie is ongeacht haar lading en inzet altijd op een zekere manier speels, en heeft effecten nodig om zich te verwezenlijken. Mystiek is een vorm van naaktheid tegenover het ontbreken van wat zich ooit absoluut aanwezig heeft gemaakt, zonder enige poëzie, en al helemaal niet speels. Hoewel Auden het moment van dichterlijke aandrang benoemt als ‘absoluut, verstoken van humor, dwingend en aan de tijd ontheven’, geldt dat alleen voor dat ene moment, niet voor het gedicht zelf. En misschien geldt het trouwens voor élke menselijke aandrang.

Een gedicht is in het allermooiste geval een transgressie, een grensoverschrijding, een minieme doorgang naar een andere wereld. Het gemis bezingen, dat kunnen we allemaal wel. De lezer voelt daar een gemoedsbeweging bij, raakt ontroerd of geërgerd. Maar een opening forceren, binnen het gedicht, is iets heel anders. Een doorsnee gedicht is er een dat binnen één dimensie blijft – de anekdotische, de amoureuze, de historische, de hedendaagse, of de digitale voor mijn part. Het geeft een impressie of een verwijzing maar doorbreekt niet een grens tussen beschrijving en de gruwelijke of waanzinnig mooie wereld zelf, van het sprakeloos reële. (…)

Poëzie en mystiek hebben iets gemeen: ze zonderen zich af, van alles wat praktisch is. Het onbeschrijfelijke gebeuren, ‘het’ waarover in woorden niet is te spreken, is voor de mysticus gesitueerd in de bovenzinnelijke onmiddellijkheid – al voerde Teresia van Avila gesprekken, zelfs discussies, met Jezus oftewel met God in zijn belichaming van de neerdaling naar het menselijk lijden. Voor de dichter is ‘het’ de onverwoordbare onderbouwing van het besef van het ontoereikende van alle taalgebruik – ik citeer Hans Groenewegen – grond onder de voeten, weliswaar onverwoordbaar maar toch stevig aanwezig, als de taalbedding, de abstractie: vorm die inhoud toelaat. Het gedicht duidt aan wat het zegt of keihard verzwijgt. Het duidt soms (net als voor gelovigen de mystiek), een ruimte eromheen aan, waaruit de woorden als het ware een ‘toewaaisel’ zijn (de term is van Nijhoff). Waar het besef van het vergeefse en de altijd mogelijke genade – in de poëzie in de vorm van ingeving, vondst – de rijkdom en de verlustiging uitmaken. Voor een dichter is de kwelling minder erg; want hopelijk beseft hij dat hij in poëzie moet geloven zonder erin te geloven. En hij moet ook nog naar de bakker, de stomerij, een verjaardag.

Maar mystici zijn er misschien helemaal niet, in het echt: wie weet schreven ze om de poëzie, om de brandstapel te ontlopen (zoals Teresia, die in opdracht van haar superieuren schrijft), of om de brandstapel zeker te stellen, dat kan ook nog, mensen zijn tot alles in staat. Als mystici bestaan, is voor hen het schrijven een eigenlijk overbodige zaak, zo doordrongen zijn zij van het onverwoordbare van de goddelijke aanraking. Een reëel wonder kun je niet terugroepen. Voor dichters geldt: poëzie is penibel, als niet ieder gedicht je eerste is. Soms zou je bijna denken dat het lijden in de wereld alleen maar vermeerderd wordt door het lijden aan de poëzie – zelf geloof ik dat bij het knutselen met de taal de dichter zijn misère vergeet en er zelfs vreugde en glorie aan beleeft, gewoon met pen en papier, aan een tafel.

Groenewegen was in zijn laatste boek bezig te proberen een beeld te geven van de ziel die, poëtisch dan wel mystiek, zich verscheurt in vergeefse verwoording en daarbij het geluk smaakt te beseffen wat hij verlangt – iets wat Mandelstam in dichtregels verwoord heeft: ‘Zo blijven ons alleen maar: kussen / in dons gehuld, als kleine bijen / die sterven op hun eerste vlucht.’ (vert. Kees Verheul). Dat is sprookjesachtig mooi, en meer natuur dan drama. Misschien moeten we concluderen dat poëzie het luchtige van de zwaarte is.

‘Het luchtige van de zwaarte’ is de eerste Hans Groenewegen-lezing, uitgesproken op 6 november in Amsterdam en op 13 november in Gent. De integrale tekst is in beperkte oplage uitgegeven door Poëziecentrum. De lezing is vernoemd naar criticus en dichter Hans Groenewegen (1956 – 2013) en vindt vanaf nu tweejaarlijks plaats. Het oogmerk is om traag lezen en denken, met opschorting van een oordeel, levend te houden.

Van Hans Groenewegen, ter wiens nagedachtenis het evenement is bedacht, verscheen postuum het boek De lezer van poëzie en mystiek

Auteur: Anneke Brassinga

Anneke Brassinga (1948) is dichter, prozaschrijver, essayist en vertaler. Sinds haar debuut in 1987 is ze een van de meest eigenzinnige stemmen in de literatuur van de Lage Landen. Haar oeuvre werd in 2008 bekroond met de Constantijn Huygens-prijs en in 2015 ontving ze de P.C. Hooft-prijs voor poëzie.

Dit artikel is enkel toegankelijk voor leden. Log in of registreer om dit artikel af te drukken.


Over dit artikel

BronApache [https://www.apache.be]
TitelHet luchtige van de zwaarte
Auteur(s)Anneke Brassinga
Permalinkhttps://www.apache.be/?p=54475
Gepubliceerd 19 november 2015 @ 12:18. Met update op 19 november 2015 @ 17:13
Opgevraagd21 oktober 2017 @ 13:57
Klik hier om te printen