Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

De crisis in de roman

30 september 2015 Yves Peeters
aan-de-oever

Zijn conclusie dat opbrengsten uit vermogen sneller stijgen dan opbrengsten uit arbeid, stelde het meritocratisch principe dat werken loont in vraag. Piketty’s lijvige boekdeel bevat voldoende munitie voor de voltallige oppositie om de regering-Michel haar volledige ambtstermijn het vuur aan de schenen te leggen.

Dichter bij huis kwam Jos Geysels in De schande en de keerzijde, het pamflet dat hij samen met Erik Vlaminck schreef, met schokkende cijfers op de proppen: 15 procent van de Belgen leeft in armoede en nog eens 1 op de 5 Belgen geeft aan met moeite het eind van de maand te halen, terwijl 20 procent van de bevolking 60 procent van de rijkdom in ons land bezit.

Hoe goed Piketty ook mag schrijven of hoe schrijnend de cijfers in De schande en de keerzijde ook mogen zijn: feiten blijven feiten en cijfers blijven cijfers. Ze werken verhelderend en bieden inzicht, maar tegelijkertijd ligt in hun aard iets abstracts besloten. Ze maken de crisis niet zichtbaar, de armoede niet voelbaar.

En daar komt de literatuur om de hoek kijken. De Deense auteur Jens Christian Grøndahl verwoordde het zo in een lezing die hij op 12 maart 2014 in Brussel gaf naar aanleiding van The time of the author, een seminarie waarin de relatie tussen literaire verbeelding en de wereld van vandaag centraal stond: “Literatuur is nooit een tijdverdrijf hors du temps. Alleen makers van kitsch kiezen voor de eeuwigheid.” De roman kan en moet misschien de financiële en economische crisis, en hun impact op en gevolgen voor mens en samenleving tastbaar en invoelbaar maken.

aan-de-oever

Twee eind vorig jaar in het Nederlands verschenen romans, Aan de oever van Rafael Chirbes en Johann Holtrop van Rainald Goetz, en het recent vertaalde In het licht van wat wij weten van Zia Haider Rahman gaan elk op hun eigen manier de uitdaging aan en kwijten zich met verve van die taak.

In Aan de oever maken we kennis met Esteban, een man van zeventig die in zijn poging een graantje mee te pikken van de vastgoedhausse in Spanje alles is kwijtgeraakt: het familiebedrijf, een meubelmakerij die drie generaties teruggaat in de tijd, de spaarcenten van zichzelf en zijn vader, en het huis van zijn ouders. Esteban verdeelt zijn tijd tussen het ouderlijk huis, waar hij zijn dementerende vader verzorgt in afwachting van de inbeslagname door de bank, en bar Castañer, waar hij de tijd doodt met drinken, dobbelen, kaarten en praten in het gezelschap van een aantal dorpsgenoten: zijn jeugdvriend Fransesco, de ritselaar Justino en de ondernemer Bernal.

De roman spreekt tot de lezer via stemmen, die net als het koor in een Griekse tragedie commentaar leveren op de gebeurtenissen.

Zo zijn er de stemmen van de inmiddels ontslagen werknemers van de meubelmakerij: Álvaro, Joaquín, Julio, Jorge en Ahmed. Mannen en echtgenoten die een bijstandsuitkering of werkloosheidsvergoeding van 400 euro per maand krijgen waarmee zij de hypotheek moeten betalen; gezinshoofden die moeten schooien en zichzelf verlagen om te zorgen dat er elke dag eten op tafel komt; vaders die de flesjes mineraalwater van hun schoolgaande kinderen vullen met kraantjeswater.

Of Liliana: de Colombiaanse die Estebans vader heeft verzorgd en die hij heeft moeten ontslaan omdat hij haar niet langer kon betalen, maar voor wie Esteban een vaderlijke genegenheid heeft opgevat, zodat hij ook na haar vertrek denkbeeldige gesprekken met haar blijft voeren. Liliana heeft zichzelf moeten prostitueren om de overtocht van haar man, een bruut en nietsnut, en kinderen te kunnen betalen. Net als zovele lotgenoten is zij een ontheemde ziel in een land dat haar het beloofde of verwachte geluk niet heeft kunnen schenken.

Maar het is toch Esteban die de boventoon voert. Zijn gedachten kristalliseren zich in ellenlange monologen en filosofische terzijdes over leven en dood, doordrongen van een loodzware somberte die herinneringen oproept aan het naamloze hoofdpersonage uit Aantekeningen uit het ondergrondse of Bardamu uit Reis naar het einde van de nacht.

In de ogen van Esteban wordt de mens gedreven door een ongebreidelde hebzucht en onstilbare geldhonger, die de grondstroom vormen waar de samenleving op drijft. Geld: de aanblik ervan volstaat om mensen compleet te verblinden, de geur om elk gevoel van solidariteit of mededogen in het niets te doen oplossen. Het is een panacee waarmee de rijken hun handen in onschuld wassen en waarvoor de armen diezelfde handen met bloed besmeuren.

De mens is geen rationeel of redelijk wezen, maar een genot- en roofzuchtig dier dat voortdurend jaagt op seks en geld. Zijn inktzwarte mensbeeld heeft Esteban gemeen met zijn vader, die hem het volgende heeft geleerd: “Het menselijk leven is de grootste economische verspilling die de natuur kent: net wanneer het erop lijkt dat je eindelijk de vruchten kunt gaan plukken van wat je allemaal hebt geleerd, ga je dood, en zij die na jou komen beginnen weer bij nul.” Vader en zoon hebben het nooit goed met elkaar kunnen vinden. Stukgelopen idealen en de daaruit voortvloeiende verbittering hebben hun belet in het heden te leven, zodat het leven als een gemiste kans aan hen is voorbijgegaan. In een laatste daad van barmhartigheid die een gruwelijke schoonheid in zich draagt, herenigt Esteban zijn vader en zichzelf met de enige plek die hen ooit verbonden heeft: het moeras.

Soms kunnen woord en beeld volledig samenvallen, hetzelfde gevoel oproepen. Herinnert u zich nog de foto van de Griekse man die bij het verlaten van een bank ontroostbaar in elkaar zijgt en overeind moet worden geholpen door een bankbediende en veiligheidsagent? Rafael Chirbes, die op 15 augustus van dit jaar aan de gevolgen van longkanker stierf, verleent in Aan de oever een stem aan de existentiële wanhoop van die man, en bij uitbreiding aan alle sociaal-economische onfortuinlijken , die het hoofd boven water proberen te houden in een maatschappij die niet alleen economisch maar ook moreel bankroet is.

Johann Holtrop, het hoofdpersonage uit de gelijknamige roman van Rainald Goetz, bevindt zich aan het andere uiteinde van het economische spectrum. Hij is het prototype van de gehaaide CEO voor wie aan het begin van het nieuwe millennium the sky the limit is, maar die een decennium later net als Icarus in al zijn hoogmoed zijn vleugels brandt en te pletter stort. Rainald Goetz beschrijft de opkomst en ondergang van een man die in geld zijn uiteindelijke levensbestemming vindt en van wie het grafschrift Greed is good, het motto van Gordon Gekko uit Wall Street, zou kunnen luiden.

Holtrop belijdt een visionair kapitalisme waarin fantasie en emotie belangrijker zijn dan de economische werkelijkheid en geeft lezingen met als titel: De economische revolutie, kansen in de 21ste eeuw. Holle, nietszeggende frasen die moeten verbergen dat hij een man zonder eigenschappen is, een charismatische windbuil gespeend van elk inlevingsvermogen. “Hoe kan iemand zo STOM zijn”, oppert een journaliste die hem een dag lang volgt voor een portret.

Met vlijmscherp scalpel dissecteert Rainald Goetz de geldwereld van binnenuit en onthult aldus het ware gelaat van het kapitalisme: “Alleen de liefde kon de menselijke geest net zo totaal beheersen als het geld. Maar het geld moest het stellen zonder het element dat de ― ook in de liefde gebruikelijke ― egomanie van repliek diende, namelijk de op de ander gerichte waan. De waan van het geld kende geen wereld en geen mensen. De leegte drijft de geldwaanzinnigen manisch tot elkaar, treurig en obsessief, op een manier die we kennen uit de geel-rode boulevardpers, maar helaas ook uit de werkelijkheid. Heb je al, was je al, ga jij ook? Daarbij struikelden ze achter iets nietigs aan, mannen evengoed en in dezelfde mate als vrouwen trouwens, ook de boosaardigste seksist zal daar geen onderscheid ten nadele van vrouwen vast kunnen stellen, iets nietigs dat voor hen onbegrijpelijk en definitief onbereikbaar bleef, maar dat hun bij elk contact een stuk van de ziel ontrukte. Er bleven ruïneresten van de ziel over, maar zonder ziel heeft het denken, hoe scherpzinnig het ook bedreven mag worden, geen kompas, het kan de juiste richting niet herkennen, het blijft dom.”

Goetz beschrijft zeer duidelijk de door het casinokapitalisme en de graaicultuur veroorzaakte paleisrevolutie binnen de moderne bedrijfscultuur. Weg met de saaie, ietwat kleurloze oudere generatie in hun grijze krijtstreeppakken, die traditioneel de dienst uitmaakte in de raad van bestuur en als een goede huisvader over de belangen van het bedrijf waakte. Strategische beslissingen worden voortaan genomen door hemelbestormers, die zichzelf in navolging van topvoetballers op basis van hun salaris een goddelijke status toedichten. Illusionisten voor wie economie geen wetenschap is, maar een door henzelf gecreëerd luchtkasteel.

Johann Holtrop begint als een scherpzinnige satire maar verandert gaandeweg in een grimmige dystopie. De auteur schetst een weinig verheven beeld van de top van de economische piramide, waar middelmatigheid en onmenselijkheid regeren, bevolkt door “ratten in mensengedaante”, waarvan het bestaan gekenmerkt wordt door een grote innerlijke leegte en geestelijke armoede en die elkaar minachten in hun dagelijkse strijd om de macht.

Een overtrokken en groteske ver-van-mijn-bedshow, denkt u,? Goetz baseerde zijn protagonist op de voormalige topman van het mediaconcern Bertelsmann, Thomas Middelhoff, die in november 2014 door het Duitse gerecht tot een gevangenisstraf van drie jaar werd veroordeeld wegens schending van vertrouwen en belastingontduiking. Middelhoff werd bij het verlaten van de rechtszaal na de uitspraak trouwens meteen in de boeien geslagen omdat de rechtbank hem als vluchtgevaarlijk beschouwde. Het verleent de woorden van Yanis Varoufakis, de voormalige Griekse minister van Financiën, dat “economie te belangrijk is om alleen aan economen over te laten”, alleen maar meer kracht en urgentie.

In het licht van wat wij weten, de duizelingwekkende debuutroman van Zia Haider Rahman, hoort thuis in het rijtje van zeldzame meesterwerken die inhoudelijk zo veelomvattend zijn, dat woorden als het ware tekort schieten om recht te doen aan hun grootsheid, omdat ze over alles en niets gaan. Rahman stelt existentiële vragen met betrekking tot de verschillende puzzelstukken die de identiteit van de mens als denkend, handelend en voelend subject definiëren: afkomst, bezit, dood, geloof, kennis, liefde en haat. In hoeverre bepaalt de sociale klasse waartoe iemand behoort zijn slaagkansen in het leven? Leidt kennis tot antwoorden of roept kennis net meer vragen op? Is de mens een wezen dat daadwerkelijk tot empathie in staat is?

De roman bruist van de briljante metaforen en paradoxen en doet met zijn vele verwijzingen naar en citaten en theorieën uit de wereld van de filosofie, literatuur, wiskunde en wetenschap denken aan een monumentale middeleeuwse kathedraal, waarin je, onder de indruk van de pracht en praal, eindeloos kunt ronddwalen zonder de uitgang te vinden. Niet toevallig loopt de eerste onvolledigheidsstelling van Kurt Gödel, de wiskundige, logicus en filosoof die finaal verstrikt raakte in het doolhof van zijn eigen genialiteit, en volgens dewelke er binnen elk systeem ware beweringen zijn die niet kunnen bewezen worden en omgekeerd, als een rode draad door het boek.

Wanneer de naamloze verteller uit In het licht van wat wij weten onverwacht met het verleden wordt geconfronteerd, in de vorm van zijn vriend Zafar die na een lange periode van afwezigheid en stilzwijgen opeens voor zijn deur in Londen staat, ontspint zich een verhaal dat de lezer van Oost naar West voert en terug: van Bangladesh via Londen, Oxford en New York naar Islamabad en Kabul. De gesprekken tussen de twee mannen, allebei afkomstig uit Zuidoost-Azië, voormalige studiegenoten en collega’s, raken aan alle grote thema’s die de wereld na 11 september vorm hebben gegeven: ballingschap, migratie, geopolitiek, moslimfundamentalisme, westers paternalisme, financiële crisis.

Rahman beschrijft glashelder het ontstaan van de financiële crisis in 2008 en het aandeel van de banken daarin. De auteur werkte zelf als investeringsbankier op Wall Street en kon dus als insider beschikken over informatie uit de eerste hand. Ook bij hem ontbreekt het niet aan cijfers die tot nadenken stemmen: “De salarissen van bankiers waren altijd al hoger dan in de rest van de economie, ging ze verder, maar in de jaren tachtig schoten ze echt als een raket omhoog. Het is geen toeval dat het gemiddelde inkomen in de VS nu lager is dan in 2000. Lager! De grote meerderheid verdient nu driehonderd dollar minder dan in 1980. Alle groei van de afgelopen dertig jaar ging naar een bovenlaag die nul komma één procent van de bevolking uitmaakt. De één-procentbovenlaag beschikt over veertig procent van het Amerikaanse kapitaal. Je zou nu de salarissen van bankiers met tachtig procent moeten korten om nog maar enigszins in de buurt te komen van de honorering in vergelijkbare functies. Kun je mij een bedrijf noemen waar die bankiers hetzelfde betaald zouden krijgen als in het bankwezen?”

Ergens twee derde ver in de roman, in het vijftiende hoofdstuk dat de titel draagt Waar krediet is, is schuld, weet één van de personages, een zekere Forrester, senator en prominent lid van de New Yorkse haute finance, wonderwel het credo van Wall Street te vatten: “Geld vrijmaken is hetzelfde als geld verdienen.”

Bankiers hullen zich net als politici graag in nieuwspraak om hun clientèle dat onwetend is te epateren met ronkende neologismen als hypotheekobligatie, buitenbalansvehikel of Credit default swap, terwijl oeroude begrippen als schuld en verantwoordelijkheid voor hen alle betekenis verloren hebben. Bestaat de paradoxale kern van het bancaire systeem niet hierin, dat wij onze centen toevertrouwen aan mensen die in de beslotenheid van achterafkamertjes en met de bereidwillige medewerking van kredietbeoordelaars allerlei schimmige financiële constructies en producten bedenken, waarvan zij amper weten hoe die zullen uitpakken en waarmee zij exorbitant veel geld vangen, maar die telkens wanneer hun spelletje faliekant afloopt, zonder scrupules of schaamte de rekening aan de belastingbetaler presenteren? Het management wijst met een beschuldigende vinger naar individuele medewerkers, die zich op hun beurt achter het systeem verschuilen.

De crisis van 2008 die op een haar na de totale implosie van het mondiale financiële systeem tot gevolg had, mag dan tot een verscherpt overheidstoezicht geleid hebben, toch blijft de financiële wereld een amoreel El Dorado dat zomin mogelijk pottenkijkers duldt en alles in het werk stelt om zich te onttrekken aan de door de toezichthouders opgelegde maatregelen zoals verhoogde kapitaalbuffers, belastingen op bepaalde financiële transacties of restricties die betrekking hebben op salarissen en bonussen.

Zolang het grote publiek onverschillig blijft tegenover banken en de precaire rol die zij in de samenleving vervullen en de door de overheid aangestelde toezichthouders aan de ketting gelegde waakhonden blijven, kan de coterie van bankiers ongestoord haar gang blijven gaan en is het wachten tot het kaartenhuisje opnieuw in elkaar stort.

De drie hierboven besproken romans hebben naast hun onderwerp nog een tweede gemeenschappelijke deler. Ze verschenen allemaal bij kleine, onafhankelijke uitgeverijen die nog niet zo lang het levenslicht zagen, met de nadruk op diepgang, eigenzinnigheid en kwaliteit, voor wie een boek niet alleen een commercieel maar ook een esthetisch en inhoudelijk product is.

Aan de oever is het eerste boek dat verscheen bij Meridiaan uitgevers, de nieuwe uitgeverij van Nelleke Geel, die voorheen bij Signatuur werkzaam was. Johann Holtrop verscheen bij Leesmagazijn, dat zich meer en meer opwerpt als de koploper waar het om recent vertaalde, hedendaagse Duitse literatuur gaat en zich onderscheidt door het sobere, herkenbare en elegant vormgegeven jasje waarin het zijn boeken steekt. In het licht van wat wij weten vond onderdak bij Hollands Diep, het nieuwe geesteskind van Robbert Ammerlaan, gepensioneerd uitgeefdirecteur van de Bezige Bij, van wie iedereen dacht dat hij het boekenvak vaarwel had gezegd.

“Aandacht is belangrijker dan massa. Liefdevolle zorg is meer waard dan overdaad. Inhoud is belangrijker dan overdaad. Laat dit de boodschap zijn van uitgeverij Hollands Diep”, aldus Robbert Ammerlaan in het voorwoord bij de eerste aanbiedingsbrochure van Hollands Diep.

De grote uitgeefconcerns met hun schaalvergroting en winstmaximalisatie als voornaamste betrachting lijken daarmee op de terugweg te zijn in de boekenbranche. De lezer die de wereld echt wil begrijpen, kan er alleen maar wel bij varen.

LEES OOK