De naoorlogse waarheid


De waarheid kent geen monopolie, er zijn er verschillende: de officiële, de volkse, de gerechtelijke en de wetenschappelijke. Een goed voorbeeld van hoe de officiële kan verschillen van de volkse is de vraag of er op de luchtmachtbasis van Kleine-Brogel kernkoppen liggen. Hoewel de media daarover herhaalde malen hebben bericht en er zelfs regelmatig protestacties over gehouden werden – wat de volkse waarheid weerspiegelt – zijn die er officieel niet zolang de regering blijft ontkennen dat die er zijn.

Walter De Smedt

Walter De Smedt

De hardnekkigheid waarmee het politiek beleid bij zijn eigen waarheid blijft, is veelal ingegeven door wat de “raison d’état” wordt genoemd: het belang dat het beleid heeft om zijn waarheid voorop te stellen ook wanneer die verschilt van de andere. Dat is in deze materie niet alleen ingegeven door de wil van het nationale beleid. Een verdrag als datgene wat de NAVO-partners bindt, houdt immers een overdracht van soevereiniteit in: de verbondenen beslissen niet alleen over wat er mag gedaan en zelfs over gezegd worden. Probleem is dat dergelijke verdragen meestal clausules bevatten die onder de geheimhouding vallen van diegenen die er een eed over hebben afgelegd. De “raison d’état” is in dergelijk geval een “raison d’états”, en de bijkomende “s” is hier van doorslaggevend belang.

Gladio

Het naast elkaar bestaan van de verschillende vormen van waarheid is een netelige aangelegenheid. Want daardoor kunnen spanningen ontstaan die het politiek beleid in ernstige moeilijkheden kunnen brengen.

Dat was het geval toen onderzoeksrechter Felice Casson tijdens zijn onderzoek naar de bomaanslagen in Italië niet alleen het bestaan van het geheim stay behind netwerk Gladio ontdekte maar hij ook vaststelde dat het netwerk bindingen had met andere organisaties en het daardoor betrokken was bij de aanslagen. Dat dwong premier Giulio Andreotti om op 3 augustus 1990 het bestaan van het netwerk, dat moest dienen om in geval van bezetting door de Sovjet Unie weerstand te bieden, publiekelijk te erkennen. Omdat het netwerk deel uitmaakte van de Navo organisatie bracht de Italiaanse officiële waarheid ook de andere lidstaten in verlegenheid. Op 14 november 1990 moest onze defensieminister Guy Coëme publiekelijk erkennen dat er ook in ons land een afdeling van het netwerk bestond. Dat had tot gevolg dat er een senaatscommissie werd opgericht om het bestaan en de werking van de Belgische Gladio te onderzoeken en er een permanent comité van toezicht op de inlichtingendiensten, het Vast Comité I, werd opgericht.

Maar noch de Gladiocommissie in de Senaat, noch het Vast Comité I hebben tot de ontdekking van de waarheid geleid. Wie er deel uitmaakte van Gladio, wat dit netwerk nu juist heeft gedaan en vooral of er bindingen waren met de bende feiten of de aanslagen van de CCC’s, kon de senaatscommissie niet beantwoorden omdat de leden van het netwerk zowel als de burgerlijke en militaire inlichtingendienst uitdrukkelijk op hun plicht tot geheimhouding gingen staan, en de commissie het er bij liet. Het comité I kwam er in zijn nu toch langer bestaan zelfs niet toe hierover onderzoek te doen.

Bourgeois

Dat de “raison d’états” de voornaamste rem op het ontdekken van de waarheid was, kan moeilijk worden ontkend en dat geldt zowel voor de Gladio-affaire als voor de bende aanslagen. De parlementairen die bij het onderzoek hierover betrokken waren hebben dat dan ook niet gedaan.

Op de Senaatsvergadering van 28 november 1995 waren verschillende sprekers er duidelijk over. Senator Anciaux:

Waarom kleeft aan dit dossier de bijna-zekerheid dat er politieke bemoeienissen en ingrepen zijn gebeurd om de waarheid niet aan het licht te brengen?

Senator Bourgeois, gewezen voorzitter van de eerste bende commissie:

Ik vind het nieuwe initiatief van de minister dan ook een stap in de goede richting. Er moet meer klaarheid worden gebracht in deze duistere zaak. Het onderzoek dat 10 jaar heeft geduurd, moet toch ergens enig resultaat hebben gehad. Men verzamelt toch niet zomaar meer dan 400.000 bladzijden materiaal zonder dat daarin enig concreet spoor is te vinden. Het is een goede zaak dat alle betrokkenen thans inzage kunnen krijgen in het dossier en vooral dat ze een gratis kopie kunnen krijgen. Het geheim van het onderzoek is een belangrijk beginsel en de heer Coveliers heeft gelijk wanneer hij zegt dat wij dat moeten blijven respecteren. In deze zaak is het geheim van het onderzoek echter meer en meer de “geheimzinnigheid van het onderzoek” geworden. Daardoor werden allerlei geruchten de wereld ingestuurd zonder dat ze konden worden betwist. Dat alles heeft bijgedragen tot de algemene onzekerheid bij de publieke opinie. Er is volgens mij dus te weinig bekend van het onderzoek en wij kunnen het ook niet behoorlijk evalueren. Wij mogen niet uit het oog verliezen dat een parlementaire onderzoekcommissie gedurende geruime tijd een diepgaande analyse heeft uitgevoerd van de werkmethodes van gerecht- en politiediensten. Misschien is dit belangrijk voor de twee professoren die door de minister werden aangesteld. Voor alle duidelijkheid voeg ik eraan toe dat de onderzoekscommissie voorafgaandelijk geen inzage heeft gekregen van de basisdossiers die op dat ogenblik werden onderzocht en dat de commissie zich niet in het eigenlijk onderzoek mocht mengen. De parlementaire onderzoekscommissie heeft enkele donkere zones in het onderzoek aangestipt waarvan men niet weet of zij, nadat de onderzoekscommissie haar werkzaamheden in 1990 heeft beëindigd, door de gerechtelijke instanties verder werden onderzocht. Ook dat is belangrijk voor de professoren. Ik zal niet al deze donkere zones opsommen. De heer Coveliers zal het met mij eens zijn dat de ene zone al duisterder is dan de andere. Zo werd bijvoorbeeld de diefstal van de zeer moderne wapens van de groep-Diane uit de rijkswachtkazerne van Etterbeek nooit voldoende opgehelderd. Deze wapens werden op een nieuwjaarsnacht blijkbaar op de meest eenvoudige manier gestolen en we zijn ervan overtuigd dat zij ook werden gebruikt, maar echte duidelijkheid daarover kwam er nooit. Mijns inziens moet deze zaak dus opnieuw worden onderzocht. Een ander duister punt is het bestaan van de groep G, Gendarmerie, binnen de rijkswacht en haar rol in dit dossier. Aanvankelijk werd het bestaan van deze groep betwist maar op een bepaald ogenblik kon men dit niet meer volhouden. Volledige duidelijkheid hebben we echter nooit gekregen. Ging het werkelijk om een puur marginale aangelegenheid, zoals men heeft beweerd, of waren er toch meer implicaties dan men tot nu toe weet ? Hebben de gerechtelijke instanties dit voldoende onderzocht ? Ook in verband met de rol van de rechtbank te Nijvel, het parket en de onderzoeksrechter, hebben wij altijd onze twijfels gehad. Zo duiken twee feiten geregeld opnieuw op. Misschien zullen daarover later detectiveverhalen worden geschreven. Ik hoop dat men dan een goeie Sherlock Holmes of Maigret vindt. Het eerste feit, namelijk dat een onderzoeksrechter in Nijvel het onderzoek naar een wapen dat werd toevertrouwd aan de gerechtelijke politie van Wiesbaden in Duitsland, maandenlang in zijn lade vergeet, doet toch vragen rijzen. Het tweede feit werd evenmin opgeklaard en wordt door de pers herhaaldelijk terug opgerakeld. Het gaat hier om een uitspraak van de procureur des Konings van Nijvel die verklaart dat hij in zijn kluis een dossier heeft dat hij nooit openbaar zal maken. Is dit waar en wat is de waarde van dit dossier? Welke rol speelt dit dossier eventueel in de zaak van de Bende van Nijvel? Dit alles wijst erop dat wanneer men zich concentreert op alles wat in het verslag staat en door ons niet kon of mocht worden onderzocht, er misschien nog mogelijkheden zijn om het één of het andere aan het licht te brengen.

Geheimzinnigheid van het onderzoek

De gerechtelijke waarheid heeft het grote voordeel dat zij steunt op een in een publiek debat beoordeelde beantwoording van én de bewijsvoering én de schuldvraag. De gerechtelijke waarheidsvinding heeft dan weer één groot nadeel : tijdens het vooronderzoek blijft alles geheim en dat vooronderzoek kan erg lang duren. Dat is overigens het geval met het bende onderzoek dat nu de verjaring bereikt en daarom een wetswijziging nodig is om het te kunnen voort zetten. Intussen kan dergelijk onderzoek verworden tot wat senator Bourgeois terecht de “geheimzinnigheid van het onderzoek” noemde. Wie het negatief wil stellen, kan zelfs beweren dat een gerechtelijk onderzoek daardoor de beste plaats is om een geheim te bewaren.

En dan is er de wetenschappelijke benadering.

Tot wat deze vorm van waarheidsvinding leiden kan, wordt uitstekend aangetoond door het werk van Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij (CEGESOMA).

Op 13 december 1967 werd het Navorsings- en Studiecentrum voor de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog (NCWOII) opgericht om: “alle nodige maatregelen te treffen voor het inventoriëren, bewaren en excerperen van de documenten of archiefstukken welke betrekking hebben op de tweede wereldoorlog, zijn voorgeschiedenis en zijn gevolgen” (Belgisch Staatsblad, 10 februari 1968, nr. 29, p. 1259-1260/61).

Het NCWOII wordt oorspronkelijk opgericht bij het Algemeen Rijksarchief en stond onder de voogdij van het ministerie van Nationale Opvoeding. Parallel met het onderzoek legt het Centrum zich toe op het verzamelen van belangrijke archieffondsen uit de jaren 1939-1945 en de uitbouw van een rijke bibliotheek, die haar collectiedomein geleidelijk uitbreidt. De fototheek van het CEGESOMA was, wat de Tweede Wereldoorlog betreft, van bij het begin één van de rijkste in Europa. De jongste jaren kende de fototheek een flinke uitbreiding. De digitalisering van de collectie, die in de jaren 1990 begon, is versneld na 2000. Om de band te leggen met het academisch milieu organiseert het Centrum sinds de jaren 1980 maandelijkse Seminaries en vanaf 1990 internationale colloquia. Het Centrum werkt meer en meer eigen onderzoeksprojecten uit. Op 10 januari 1997 verandert het NCWOII zijn naam in Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij (CEGESOMA). Het perspectief verruimt tot de geschiedenis van de twintigste eeuw . Op dit moment werkt een veertigtal personen in het Centrum, inbegrepen een permanent wetenschappelijk kader van acht wetenschappelijke medewerkers, een informaticus en de directeur

De onderzoeken van het CEGESOMA hebben geleid tot twee boeken die in de hier behandelde materie van erg groot belang zijn en die voor wie een goed inzicht wil krijgen in de verschillende waarheden over de naoorlogs duistere periode verplichte lectuur uitmaken : “De moord op Julien Lahaut” van historici Etienne Verhoeyen en Rudi Van Doorslaer en “Wie heeft Lahaut vermoord? – De geheime Koude Oorlog in België” van de historici Gerard Emmanuel,De Ridder Widukind,en Muller Françoise.

Lahaut

Julien Lahaut was de leider van de Kommunistische Partij van België (KPB). Hij werd vermoord een week nadat prins Boudewijn op 11 augustus 1950 de eed als koning aflegde en iemand op de plechtigheid “Vive la République” riep.

Het gerechtelijk onderzoek naar deze moord slaagde er niet in de waarheid te ontdekken en werd door een beslissing van 4 december 1972 van de raadkamer te Luik afgesloten. Een voorstel van de senatoren Patrick Vankrunkelsven en Josy Dubie van december 2007 tot oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie had geen succes. Met steun van alle fracties in de Senaat kon wel een archiefonderzoek door het Soma verkregen worden. Dat had goed gevolg. Etienne Verhoeyen en Rudi Van Doorslaer slaagden er met hun boek in 1985 wél in de moordenaars te ontmaskeren. Hoewel de “ zot van Halle” er niet met naam in werd genoemd werden de feiten er wel door opgehelderd. Het boek beantwoordde ook aan het tweede deel van de titel en gaf een goed beeld van “ het communisme als binnenlandse vijand”. Het boek vroeg om voortzetting van het wetenschappelijk onderzoek. Het duurde evenwel tot eind februari 2011 eer het Soma een eerste fase van het onderzoek in deze zaak kon aanvatten en het bleef voor het centrum een hele karwei om aan de beloofde centen te geraken om het te kunnen beëindigen.

Het nu gepubliceerde boek heeft grote waarde niet alleen wegens het eerste deel van de titel, “Wie heeft Lahaut vermoord?”, maar ook wegens het tweede deel : “De geheime Koude Oorlog in België”.

Het boek brengt het op grond van wetenschappelijk onderzoek verkregen en dus op archiefstukken gesteunde bewijs van het bestaan in ons land van een naoorlogs, geheim parallel en privé inlichtingen netwerk, gefinancierd door de haute finance, de Société Générale en haar filiaal Union Minière en Brufina – Banque de Bruxelles, met medewerking van agenten in verschillende overheidsdiensten als politie en inlichtingendiensten en zelfs het gerecht, bindingen met de hiërarchie in de katholieke Kerk en met correspondenten, opdrachtgevers en bestemmelingen van de rapporten tot op het hoogste echelon van het politiek beleid. Het boek toont ook aan dat de verschillende onderzoeksrechters die de zaak Lahaut behandelden hun onderzoek behoorlijk en actief hebben verder gezet maar er zowel bij de gerechtelijke politie als bij het parket als in het hoogste politiek beleid tegenstand was die tot gevolg had dat belangrijke informatie niet tot bij de onderzoeksrechter geraakte en daardoor de ontdekking van de gerechtelijke waarheid werd verhinderd. Het boek toont ook dat de activiteiten van het netwerk zich niet beperkten tot informatie inwinning en -verwerking maar er ook operaties werden gevoerd die niet alleen in België maar evenzeer in de kolonie werden uitgebouwd.

MILPOL

Wanneer het bestaan, de organisatie en de werking van het naoorlogs netwerk wordt vergeleken met het netwerk waarin dezelfde personen tijdens de oorlog actief waren, moet daaruit worden besloten dat er op één na geen verschil is : enkel de vijand is gewijzigd : de nazi’s zijn vervangen door de communisten.

Een ander besluit is evenmin te verwaarlozen : de ultieme vorm van operatie, de eliminatie.

André Moyen, de hoofdman van het naoorlogse MILPOL (militair en politiek), heeft over zijn activiteiten in het verzet tijdens de wereldoorlog twee boeken geschreven, ”Service 8” en “Ils ont craché sur nos tombes”. In de verzetsgroep Athos waren er twee afdelingen, de tak inlichtingen en de tak contraspionage. André Moyen leidde de eerste maar stond ook aan de leiding van de afdeling Service 8, de actiedienst bestaande uit een dertigtal leden. Zij werkten onder de dekmantel van een officiële dienst de NLVC, de algemene inspectie van de veestapel.

Dat gaf hen de mogelijkheid om zich, gewapend en met dienstwagens, te verplaatsen, valse documenten te maken en ongehinderd operaties uit te voeren: “het verzet steunen, verraders uitschakelen en desnoods met geweld inlichtingen inwinnen”:

De operaties werden zorgvuldig voorbereid en zelden of nooit door diegenen die ze zouden uitvoeren. Daardoor kon zelfs het meest minutieuze onderzoek nooit een verband leggen tussen het komen en gaan van de inlichtingenagenten die de plaats van de executie gingen verkennen of een gedetailleerd plan opstellen, en de actiegroep die uiteindelijk ter plaatse kwam. Vaak kwam die bovendien van erg ver en ging ze uiterst snel te werk om onmiddellijk te verdwijnen zonder één spoor na te laten ( bron: Ils ont craché sur nos tombes, p 65 in Wie heeft Lahaut vermoord?).

Het exacte aantal van dergelijke executies valt niet te achterhalen. In een rapport van 20 november 1945 geeft Moyen een aantal cijfers. Negen “verraders” lieten op die manier het leven in Wellin, een dertigtal in de regio Namen, zes in de regio Laroche-Houffalise ( bron: Wie heeft Lahaut vermoord blz 162).

Het bestaan van geheime parallelle en operationele privé diensten en de reden van hun bestaan is een algemeen gekend fenomeen.

Operaties onder valse vlag zijn operaties die dusdanig zijn ontworpen dat het lijkt alsof ze worden uitgevoerd door andere entiteiten. Zij kunnen worden uitgevoerd door regeringen, ondernemingen andere organisaties en zijn zowel geheim als clandestien. Een militaire operatie onder valse vlag mist de bescherming van het oorlogsrecht. (bron Wikipedia)

Het uitstekend wetenschappelijk onderzoek door het centrum schreeuwt natuurlijk om voortzetting. De door de twee boeken uitgebrachte wetenschappelijke waarheid over de politieke moord op Lahaut bewijst dat deze vorm van waarheidsvinding nog mogelijk is, zelfs vele jaren na de mislukking van zowel de gerechtelijk als de parlementaire waarheidsvinding. Er is ook een in deze tijd van besparing gunstig neveneffect: het kost omzeggens niets en de resultaten kunnen moeilijk worden weerlegd. Is het laatste de reden waarom de financiering van het onderzoekswerk zo lastig was, en het zo lang op zich liet wachten?

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Walter De Smedt

Walter De Smedt is gewezen raadslid van Comité I en Comité P.


Over dit artikel

BronApache [https://www.apache.be]
TitelDe naoorlogse waarheid
Auteur(s)Walter De Smedt
Permalinkhttps://www.apache.be/?p=52303
Gepubliceerd 04 juni 2015 @ 12:02
Opgevraagd15 juli 2019 @ 22:31
Klik hier om te printen