Jihad als therapie: de Westerse denkfout

2

Het maatschappelijk debat rond de Belgische Syriëstrijders slingert van morele verontwaardiging naar viscerale afkeer. Het merendeel van de linkse commentatoren (waaronder Ico Maly, Yves Desmet en de minder partijdige Jozef De Witte) probeert echter een ‘humanere’ positie in te nemen tegenover de vertrokken jihadstrijders en wil hun motieven begrijpen.

Hoewel deze kritiek sociologisch hout mag snijden, is zij moreel meer dan verwerpelijk: zij transformeert de jihadisten van daders tot patiënten, en gunt hen zo het recht op een vorm van ‘therapeutische’ zelfverdediging. Een strijdschrift.

Anton Jäger

Anton Jäger

Voor Ico Maly en Jozef De Witte is het duidelijk. De reden dat tot op heden zo’n 350 Belgische jongeren hun land van herkomst hebben verlaten en zich in Syrië onder de zwarte vlag van de internationale jihad hebben geschaard, ligt bij de ‘structurele discriminatie van moslims in België’. Zoals vaak bij dit soort heikele kwesties – waar de kans op moraliseren groot is en enige politieke correctheid op zijn plaats – is het antwoord van Maly en De Witte dat van de therapeut. Net zoals de dokter geen uitspraken doet over de te onderzoeken aandoeningen van zijn patiënt, weigeren ook zij om enige morele aansprakelijkheid toe te schrijven aan de jonge jihadisten. De ISIS-strijder wordt vooreerst gemedicaliseerd, waarna een obligate jeremiade over de Belgische samenleving volgt: dit is niet hun fout, zij vallen “ten prooi aan radicalisering” en “komen onder de invloed van haatpredikers”, zoals Knack ons wist te vertellen op 21 augustus.

Met deze therapeutische houding voegen Maly en De Witte zich bij een lange en vruchtbare traditie van het Westerse denken. Reeds in 1967 sprak de Amerikaanse cultuurcriticus Philip Rieff over wat hij de “triomf van het therapeutische” noemde: de neiging om alle menselijke handelingen op hun psychologische effectiviteit te beoordelen. “De middeleeuwen hadden de kathedraal”, orakelt Rieff, “de negentiende eeuw had het stadhuis, en wij hebben het ziekenhuis.”

Rieff stelde dat het zogenaamde therapeutisme zowat in alle sferen van het menselijk leven was doorgedrongen: na het onderwijs en de universiteit was onvermijdelijk de kunst gevolgd, die vanaf de jaren 1950 onder de mom der “cultuurindustrie” moest gaan instaan voor de mentale gezondheid van de massa. Nadat zowel de pedagogie en de esthetiek aan de therapeutische waan ten prooi waren gevallen kon ook de religie het niet lang meer uithouden. Reeds in 1930 ontwaarde Freud in elke vorm van godsdienstbeleving het kanaliseren van een infantiele drift.

Freuds discipel en meest toegewijde erfgenaam, Carl Gustav Jung, ging zelfs zo ver om te stellen dat religie de rol kon aannemen van een “zielsverlossing”, een medicijn dat de moderne mens kon innemen wanneer hij door spirituele zorgen werd overmand. Het duurde niet lang of elke uiting van religieuze gevoeligheid liet zich als een verdoken vorm van therapie lezen. De Belgische publicist Mark Van Den Voorde schreef in 2012 nog dat “godsdienst goed voor de gezondheid is” en schreef zo ook het katholicisme in bij de therapeutische traditie.

De heren Maly en De Witte gaan op eenzelfde elan voort. Ook voor hen is het jihadisme eerder een vorm van therapie dan een politieke geloofsovertuiging. Aangezien de patiënt nooit verantwoordelijk kan gehouden worden voor zijn eigen misstappen, zijn externe ingrepen de meest preferabele: hij dient van omgeving te veranderen, hij dient zich weer “thuis” te voelen in zijn vervreemde buurt. Maarten Boudry stelde hierbij ironisch dat wij nu vol met afgrijzen luisteren naar de uitspraken van Bob Maes dat de Vlaamse collaborateurs “hun redenen hadden”, maar dat wij het ons niet getroosten om dezelfde verontwaardiging op te brengen wanneer de motieven van de Syriëstrijders ter sprake komen. Quid morele aansprakelijkheid? Wat met moslims die niets met ISIS te makken willen hebben, en nu geaffilieerd worden met deze boevenbende?

Het probleem van het therapisme is net deze axiomatische amoraliteit. Het belangrijkste kenmerk van de therapeut “is dat hij nooit het morele debat aangaat” (Alasdair McIntyre). Ook de priester dient nu zijn kerkgangers ervan te overtuigen dat “God gelukkig maakt”, dat “geloven gezond is” en dat “Jezus je door momenten van stress helpt”. Therapie neemt de plaats van religie in.

De vraag blijft of de Syriëstrijders het zelf ook zo zien. In de mate dat zij hun project als een vorm van transcendente plichtsvervulling beschouwen kunnen hun daden makkelijk in het therapeutische jargon geïnterpreteerd worden. In de mate dat de jihadstrijders echter ook bereid zijn om te sterven voor hun ideaal verschillen zij diep met de culturele gelovige. Een figuur die om therapeutische redenen een geloof aanneemt (neem, bijvoorbeeld, de overwerkte zakenman die zich voor een boeddhistische meditatiecursus inschrijft) zal nooit bereid zijn om voor dat geloof te sterven; het blijft voor hem niet meer dan een middel tot zelfontplooiing. De jihadist gaat echter een stuk verder dan zelfontplooiing. De islam is voor hem niet enkel een therapie, het is ook een Weltanschauung: een totalitaire blauwdruk voor hoe zijn hemel op aarde eruit zou moeten zien, met kalifaat en belastingsysteem incluis.

Door eenzelfde therapeutische denkraam op het ISIS-fanatisme toe te passen vervangen ook Ico Maly en Jozef De Witte het morele door het therapeutische, en ontnemen zo de jihadstrijder elke kans tot morele inkeer.

Wat eerst een zuiver sociologische analyse was, wordt nu een politieke imperatief: wij moeten begrip tonen voor de vertrokken Syriestrijders, en aangezien deze er zelf nooit voor gekozen hebben om jihadist te worden (dat was een zaak van `omstandigheden`) moeten wij hen ook niet verantwoordelijk houden voor hun misstappen. Een andere Amerikaanse cultuurcriticus, Christopher Lasch, noemde dit “de verlammende werking van de therapeutische sensibiliteit”: op den duur geloven de moordenaars zelf niet eens dat zij hun misdaden hebben begaan, en slagen zij erin zichzelf als het slachtoffer van hun uitspattingen te zien. Dat lijkt wel erg veel op de zaak van een Duitse kampbewaker die Hannah Arendt in een essay uit 1945 beschreef. Na een twee uur durende ondervragingsronde met de Russische geheime dienst, waarin hij had uitgeweid over de gruwelijke praktijken waaraan hij als kampafgevaardigde had deelgenomen (het vergassen en levend begraven van gevangenen, onder andere), kreeg hij te horen dat voor de daden die hij had begaan hij meer dan zeker doodstraf zou krijgen. De bewaker in kwestie brak hierop uit in een penetrant gekrijs, zichzelf met alle heftigheid verdedigend, vol onbegrip voor de uitgesproken straf:

`Waarom zouden ze? Wat heb ik toch gedaan? Wat heb ik toch gedaan?’

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Anton Jäger

Er is geen biografische informatie beschikbaar voor deze auteur.