Kim De Witte heeft gelijk

0

Professor De Witte, docent pensioenrecht aan de KU Leuven en ook voorzitter van de Partij Van De Arbeid in Limburg, verkondigde op 8 oktober in het radioprogramma Hautekiet enkele opmerkelijke stellingen.

Koen Smets

Koen Smets

Hij betwijfelde zo onder meer dat een verhoging van de pensioenleeftijd absoluut noodzakelijk zou zijn: volgens de voorspellingen die de studiecommissie voor de vergrijzing maakte zou de kost van pensioenen in 2060 slechts 15% van het BBP bedragen, een proportie die nu al in Oostenrijk en Frankrijk is bereikt – dus lang niet zo onbetaalbaar als sommigen beweren. Hij wees ook op de, volgens hem, absurde situatie waarbij men langer moet werken terwijl er een overschot is aan werkkrachten met 650.000 werklozen  (hij drukte het iets grafischer uit).

Deze twee punten zijn voer voor economen (die in het laatste ongetwijfeld de lump of labour fallacy zullen herkennen). Maar zijn derde punt, namelijk dat niet iedereen evenveel levensjaren voor de boeg heeft op zijn 67ste, en dat daarom iedereen verplichten tot diezelfde leeftijd te werken onrechtvaardig zou zijn, klopt. Daarin heeft hij gelijk. Vooral diegenen die lager geschoold zijn, hebben lang niet zo’n hoge levensverwachting als zij die een hoger diploma op zak hebben. Dit blijkt o.m. uit een Amerikaanse studie uit 2010, die vond dat een 25-jarige man zonder middelbaar diploma kon verwachten 69 jaar oud te worden, terwijl zijn buurman met een universitair diploma het tot zijn 85ste zou rekken.

Bron: US Population Reference Bureau

Bron: US Population Reference Bureau

Een groot verschil

Of het diploma daarin de causale factor is, is een interessante vraag, maar wat in deze discussie primeert is de vaststelling dat er inderdaad een grote spreiding is in de levensverwachting. In het licht daarvan is het hele idee van een vaste pensioenleeftijd voor iedereen – of dat nu 65 of 67 is – weinig zinvol. Het feit dat men eigenlijk een loopbaan van 45 jaar bedoelt verandert hier niet veel aan: iemand zonder diploma met een verwachte levensduur van 69 die op zijn 18de aan het werk gaat zal moeten werken tot zijn 63ste, en 6 jaar van zijn pensioen kunnen genieten. Een universitair die tot zijn 67ste werkt en tot 85 zal leven heeft een pensioen van 18 jaar, dat dus drie keer zo lang is.

Wanneer je één en ander relatief bekijkt ten opzichte van de totale levensduur blijkt de laaggeschoolde er nog meer bekaaid uit te komen. Het grafiekje toont hoe deze 65% van zijn leven arbeidt, en slechts gedurende de laatste 9% met pensioen, terwijl zijn hooggeschoolde medemens net iets meer dan de helft van zijn leven aan de slag is, maar ruim één vijfde ervan met pensioen.

pensioenproportie

Het verschil in levensverwachting is nochtans geen nieuw gegeven in het pensioenwereldje. Wie zelf voor zijn pensioen spaart en kapitaal opbouwt, heeft de keuze (en in sommige gevallen de verplichting) met dat kapitaal een annuïteit te kopen. Dit is eigenlijk een soort omgekeerde verzekering, waarbij de klant een kapitaal overmaakt aan de verzekeraar, die in ruil een maandelijkse premie uitbetaalt zolang de klant leeft.

Voor verzekeringsmaatschappijen is risicobepaling een kernvaardigheid, en bij het berekenen gaat een legertje actuarissen dan ook na wat de levensverwachting is van de annuïtant om dan het bedrag van de maandelijkse premie te bepalen waar deze voor zijn kapitaal recht op heeft. Zo zal een verstokte roker, of iemand met een wankele gezondheid een aanzienlijk hoger pensioen krijgen dan een fitte en gezonde geheelonthouder.

Meer flexibiliteit, meer rechtvaardigheid

Een dergelijk principe zou de basis kunnen vormen voor veel meer flexibiliteit, en voor een veel grotere mondigheid bij de burger. Op elk tijdstip zou je kunnen nagaan hoeveel pensioen je zou krijgen met het tot dan toe gespaarde kapitaal, op basis van je levensverwachting – of je nu 67 of 57 bent, of zelfs nog jonger. Je kunt dan zelf bepalen of dat genoeg is, en zo niet, hoeveel extra je moet sparen en/of hoeveel langer je moet werken. Hoe groot je pensioen moet zijn, en hoeveel je spaart zijn beide in grote mate keuzes die je als individu kunt maken, en dus ook het moment waarop je met pensioen gaat. De overheid heeft daarin eigenlijk weinig of niets te vertellen. (Ik heb een dergelijke aanpak een tijdje geleden hier wat meer in detail beschreven.)

Wat men verder ook van de andere standpunten van De Witte moge denken: het idee dat hij verdedigde om bij pensioenen rekening te houden met de levensverwachting is niet alleen rechtvaardig, het wordt ook wijd en zijd gehanteerd, om de goede reden dat het financieel zeer robuust is.

Het is overigens niet zo dat men in België niet al in deze richting heeft gedacht – mensen als Frank Vandenbroucke roeren al langer de trom voor een meer doeltreffend en rechtvaardig pensioensysteem, en zelfs binnen CD&V zijn er al een tijd voorstellen om pensioenen aan levensverwachting te koppelen.

Extra jammer dus, dat de nieuwe regering de kans heeft laten liggen om het concept van levensverwachting in te bouwen in hun pensioenvoorstellen, en het werkelijke probleem voor zich uit blijft schuiven.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Koen Smets

Koen Smets is een deskundige op het gebied van organisatie-ontwikkeling, met een fascinatie voor menselijk gedrag op de grens tussen het rationele en het irrationele. Hij is op Twitter als @koenfucius.