Voorbij gebrom en postmoderniteit

0

In een zomerartikelreeks in Apache belichtte Duchka Walraet diverse aspecten van het postmodernisme van nu en hoe onontkombaar het is. Dat leverde haar een grumpy old men-reactie op van Thierry Poutrincourt en Jaromir Hladik die vonden dat die postmoderne wanhoop nogal irrelevant was in vergelijking met de reële sociale problemen die zich uitstrekken voorbij het domein van hipsters die zich afvragen of authentiek leven nog überhaupt mogelijk is. Enkele bedenkingen.

Enerzijds: dat daklozen, Syriëstrijders en diverse kansarmen niet wakker liggen van het postmodernisme, is een bijzonder slecht argument. Je hoeft geen samenleving te kunnen benoemen, laat staan te beseffen dat je er in leeft, om het niet zo te maken. Hun subjectieve realiteit logenstraft niet dat postmoderne structuren alomtegenwoordig zijn.

Ten andere: postmodernisme is een bed van Procrustes waar je alles maar in kan doen passen als je hard genoeg probeert. De universele aanspraken die het maakt, hebben me altijd tegen de borst gestoten, omdat, telkens als je iets opwerpt tegen postmodernisme, de hele structuur als een soort Rubber Johnny terugplooit en dan zegt: “ja, maar ook dàt is postmodernisme”. Nee, dat is een circulaire redenering.

Wat met schildpadden?

Om zinvolle uitspraken te kunnen doen over de maatschappij, gebruik je volgens mij best geen ideologie die in essentie een variant is van de ontstaansmythe dat de aarde gedragen wordt door een schildpad, en dat die schildpad gedragen wordt door nog een schildpad, en zo verder, omdat je met dat soort uitspraken niets kan beginnen.

In die zin geef ik de grumpy old men gelijk dat postmodernisme geen zinvolle bijdrage levert aan reële sociale problemen die voorbij de intussen iconisch geworden hipster en zijn keuze uit verschillende ecologisch gebrouwen lattés gaan.

De worsteling van de hyperzelfbewuste stedeling met een verlies aan ideologie en de moeilijkheid om iets als een consistente identiteit uit te bouwen, verdient echter wel aandacht. Alleen denk ik niet dat postmodernisme de gereedschapskist biedt om dat te gaan onderzoeken.

De rol van ironie

Een centraal element dat daarbij moet besproken worden, is ironie. De Duitse filosoof Peter Sloterdijk heeft terecht gezegd dat ironie één van de grootste barrières is tot zelfverwezenlijking. Net als de eerder vermelde eeuwige stapel schildpadden biedt ironie altijd een makkelijke uitweg: “maar ik meen het niet echt”. Dat ontslaat de ironicus direct van zelfreflectie over zijn of haar positie in de maatschappij.

Ironie kan een nuttig middel zijn om de tegenstrijdigheden van het bestaan bloot te leggen. Bijvoorbeeld rockgroepen die ironisch nazi-esthetiek overnamen om die in te bedden in een politiek tegengestelde context en zo toonden dat extremen niet zo ver uit elkaar lagen als we wel verondersteld werden te geloven. Maar pakweg ironisch grootvaderkleren dragen zegt hooguit dat de persoon die dat doet, geen zin heeft om mainstreammode te volgen.

Bovendien dreigt doorgedreven ironie de ironicus blind te maken voor de gevolgen ervan. Iemand die bijvoorbeeld constant ‘ironisch’ racistische praat uitkraamt, zal door mensen met echte racistische overtuigingen als een geloofsgenoot aanzien worden en hen sterken in hun oprecht discriminerende overtuigingen.

Coherentie

Een gebrek aan coherentie in de wereldvisie is niet iets typisch postmodern. Elke maatschappij gelooft tegenstrijdigheden en elk individu hangt irrationele overtuigingen aan die met elkaar botsen. Geloven dat dat ooit anders was, is naïef.

Mogelijk is het verschil met vroeger dat meer mensen zich bewust zijn van hun eigen inconsistentie, of die van de maatschappij waarin ze leven. Daar zijn antwoorden op geformuleerd, bijvoorbeeld in puristische en fundamentalistische bewegingen – ik denk hier niet enkel aan IS, maar historisch ook aan enkele protestantse groepen.

Een ander antwoord, om er opnieuw Sloterdijk bij te halen, is zijn logische eindconclusie dat de mens een oefenaar is en dat daar de kern ligt van het menszijn. Men oefent met als doel greep te krijgen en een sociale, fysieke of psychische immuniteit op te bouwen tegen de overmacht van het leven.

Postmodernisme en oefening

Walraet formuleerde treffend dat het postmoderne een ontmaagding is: eens je er kennis mee gemaakt hebt, kan je niet meer terug. Maar je kan wel opzij springen – erkennen dat onze wereld gestoeld is op het postmoderne, maar dat het niet haar lot is, laat staan een nuttige leidraad voor het leven van hier en nu.

Ironische afstand, een krampbeweging naar vermeende authenticiteit en bewust volgehouden cognitieve dissonantie zijn net als het reactionaire fundamentalisme doodlopende ‘oefenstraten’, omdat er niets mee bereikt wordt. De menselijke ervaring is veelvormig, niet grijpbaar door één systeem, noch door een antisysteem, maar werkt vooral nog best als een praktijk.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Anton Voloshin

Voloshim is schrijver. Meer informatie vindt u op zijn blog: www.antonvoloshin.net/