IS en wat het betekent om ‘modern’ te zijn

5

In de nasleep van de gruweldaden van de Islamitische Staat wordt er op de opiniepagina’s van de kwaliteitspers een ronde islamitische tekstexegese gehouden. In welke mate heeft het nieuw uitgeroepen kalifaat iets te maken met de canonieke teksten, en in welke mate dienen ‘gematigde’ moslims afstand te nemen van de begane misdaden? Alle deelnemers aan het debat zijn het echter over één punt roerend eens: dat het regime van IS een terugkeer is naar het stenen tijdperk, en dat het nog het meest als een reactionaire constructie kan beschouwd worden. Deze aanname vergeet echter de door en door moderne karaktertrekken van de jihadistische beweging – een diagnose die velen van de ISIS-critici niet lijken te onderkennen.

Anton Jäger

Anton Jäger

De geschiedenis heeft inderdaad de neiging om op zichzelf te rijmen. Toen in 1525 de Duitse prediker Thomas Müntzer een leger van 2000 boeren verzameld had en opriep tot een oorlog tegen de kerkelijke autoriteiten, rechtvaardigde hij zijn daden met de volgende woorden:

“Ik zeg het u, als u niet voor God wilt lijden, dan moet u wel de martelaren van de Duivel zijn! Dus zorg ervoor – begin het gevecht van de heer! Het is hoog tijd. Houd al uw broeders bij u, opdat zij de goddelijke getuigenis niet verkwanselen, anders moeten zij allen vernietigd worden! Vrees niet!”

Twee maanden later hing Müntzer een witte vlag met regenbooginsigne aan een kerk in het Duitse stadje Mühlhausen en riep zijn ‘goddelijke staat’ uit. Nog een maand later trok hij samen met een congregatie van 2000 onteigende boeren en intellectuele zielsgenoten op rooftocht door het Zwarte Woud, daarbij kloosters, kerken en andere ecclesiastische gebouwen vernietigend. Hij bepleitte een algemene herverdeling van de grond naar communistisch model en stelde een wereld zonder privé-bezit voor, waarin de mensheid in een gelukzalige natuurtoestand zou leven (een staat die volgens hem het profane instituut van de Kerk reeds lang verkwanseld had). Wanneer Müntzers ‘Boerenleger’ een tijdje later met hun plundertochten een te grote bedreiging begon te vormen voor de toenmalige wereldlijke leiders, werd Müntzer onderschept. Voor zijn arrestatie hield hij nog een laatste bevlogen rede waarin hij de boeren beloofde de kanonskogels van de Duitse artillerie met zijn cape op te vangen en verzekerde hen nogmaals van de komst van het aangekondigde Aardse Paradijs. Müntzer werd later door Friedrich Engels geroemd in zijn historiografische werk Der deutsche Bauernkrieg, waar hij hem bestempelde als de eerste communist; later nam de DDR zijn figuur over als één van de vaandeldragers van het pre-industriële socialisme.

Het verhaal van Thomas Müntzer is maar één van de vele die de Engelse politiek filosoof Norman Cohn in zijn in 1957 gepubliceerde The Pursuit of the Millennium besprak. Cohn verhaalt in dit werk van de vele middeleeuwse sociale opstanden, die vaak, onder invloed van zelfverklaarde Messiassen, moordtochten ondernamen om hun ‘duizendjarige rijk’ te bewerkstelligen op aarde. Zij die Cohns boek enkel cursorisch doorlezen zullen denken dat zijn werk een zoveelste toevoeging is aan een schimmige branche van de middeleeuwse geschiedschrijving. Aandachtige lezers lazen echter veel meer in Cohns traktaat. Cohn had als militair officier in de Engelse marine gediend ten tijde van de Britse inval in nazi-Duitsland, en had in die functie enkele ondervragingsrondes met hooggeplaatste nazi’s bijgewoond. Tijdens deze gesprekken had hij bij hen een mentaliteit ontwaard die hij het best als ‘apocalyptisch’ kon classificeren. Hun moordlustige houding werd door hen gerechtvaardigd door middel van een geloof in de komst van een Heilig Rijk dat de ultieme strijd tussen het goed en kwaad zou beslechten – een Wagneriaans Götterdämmerung die uiteindelijk de heerschappij van het licht tegen de duisternis zou instellen. De restanten van het millenaristische denken waren volgens Cohn dus doorgedrongen tot in de meest perifere ideologieën van de moderne tijd: zelfs het door en door twintigste-eeuwse fascisme was in wezen gecontamineerd door een gedachtegoed dat vele jaren ouder was en, blijkbaar, christelijk van origine (Cohn zag, in navolging van Engels’ typering, Lenin als één van de meest herkenbare erfgenamen van de middeleeuwse onheilspredikers als Thomas Müntzer, zijn kwade woorden over het privé-bezit indachtig).

Het grote verschil tussen het middeleeuwse millenarisme en het latere totalitarisme betrof dus niet zo zeer een ideologische accent, maar eerder de technische zeggingskracht van beide doctrines. Terwijl Cohns sektariërs voornamelijk boerenwerktuigen tot hun arsenaal konden rekenen, beschikten hun twintigste-eeuwse epigonen over een hoeveelheid vernietigingskracht waarvan deze eersten enkel konden dromen. Men kon zich gemakkelijk voorstellen wat deze middeleeuwse zeloten zouden aangevangen hebben met moderne uitvindingen als de atoombom, het mosterdgas of – het virulente antisemitisme van vele van deze bewegingen indachtig –  het dodenkamp. Het resultaat is ons, bloederfgenamen van de twintigste eeuw, al te bekend. Het werkelijk angstaanjagende aspect van het nazisme was, zoals de Duitse Frankfurterfilosofen Adorno en Horkheimer na de oorlog opmerkten, het door en door ‘moderne’ aspect van de beweging; het nazisme stond geheel in het teken van vooruitgang, techniek en jeugd (moderne kernwoorden par excellence) maar zwoer tevens de vele apocalyptische denkbeelden van de oude doemdenkers niet af: een combinatie die uitermate dodelijk bleek.

Veel van ons modernen lijkt eenzelfde gevoel te bekruipen bij de opkomst van de zelfverklaarde ‘Islamitische Staat’ in de Levant. Natuurlijk beroept het nieuwbakken kalifaat zich op een oude, puriteinse vorm van de Islam, gebaseerd op een pre-Ottomaanse puurheid die volgens hen teloor is gegaan in de imperiale beslommeringen van de sultans. En net zoals het voor vele middeleeuwse theologen (waaronder onze befaamde Jan Van Ruusbroec) moeilijk bleef om de dwalende millenaristen van hun scheve Bijbellectuur te laten afzien, is het nu uiterst moeilijk voor hedendaagse intellectuelen om de expliciet gewelddadige passages in de Koran met een laag hermeneutiek te bedekken.

Anderzijds is het net het moderne aspect van het ISIS-fanatisme zo angstaanjagend. De Britse politiek filosoof John Gray schreef reeds in zijn Al Qaeda and What It Means To Be Modern over het gesofisticeerde aspect van de djihadistische beweging: hoe zij aan leninistische splintergroepen ontleende tactieken toepaste om haar ondergrondse activiteiten uit te voeren, hoe zij in wezen de meest ‘geglobaliseerde’ organisatie ter wereld is, met cellen verspreid over zowat de hele wereldkaart, en hoe zij gretig putte uit de troeven van het informatietijdperk. Deze indruk kwam volgens hem nog het sterkst overeen met wat in het freudianisme het unheimliche wordt genoemd; het onbehaaglijke gevoel met iets geconfronteerd te worden dat ons Westerlingen al te bekend overkomt, hoe onaangenaam het ook overkomt. Ook ISIS doet zich te goed aan de nieuwste snufjes digitale technologie en heeft zijn propagandatechnieken zonder twijfel op Westerse leest geschoeid.

De geronselde Syriëstrijders zijn op intellectueel vlak geenszins ongeschoolde minkukels, maar blijken veelal hoogopgeleide jongemannen – lui die zichzelf ‘John’, ‘Paul’ en ‘Ringo’ noemen getuigen misschien van een macabere artistieke smaak, maar toch vooral van een hoog niveau van scholing, dat een grote affiniteit met de Westerse beeldtaal verraadt.De meeste van de millenaristische bewegingen werden redelijk snel in de kiem gesmoord werden en verdwenen voorgoed in de kerkelijke annalen. De zeloten van ISIS zouden zonder hun moderne slagkracht waarschijnlijk eenzelfde lot beschoren zijn. Nu ook zij echter de moderne instelling hebben overgenomen – internet, straaljagers en hoogstwaarschijnlijk Saoedisch sponsorgeld incluis – is hun dreiging heel wat groter. Valt dat werkelijk een terugkeer naar het ‘stenen tijdperk’ te noemen, of is het niet op een bepaalde manier juist ontzettend hedendaags?

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Anton Jäger

Er is geen biografische informatie beschikbaar voor deze auteur.