Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

De coöperatie in beweging

11 september 2014 Walter Lotens
Walter Lotens
Naamloos

Het idee om dat verhaal te vertellen ontstond in 2012, niet toevallig in het internationale jaar van de coöperatie. Ook in België verschijnen er met de regelmaat van een klok publicaties over deze oude vorm van ondernemen waarvan sommige op het einde van vorige eeuw hun idealistische pluimen verloren hadden door de aantrekkingskracht van het casinokapitalisme, maar die nu, onder invloed van de crisis, aan een nieuw leven zijn begonnen.

Wereldwijd hebben de verschillende soorten coöperaties ruim één miljard leden die goed zijn voor meer dan honderd miljoen banen. Nederland telt op dit ogenblik 7500 coöperaties - België telt er ongeveer 26000 - met een groei van 430 procent de laatste jaren. Alleen al in 2012 kwamen er een kleine duizend bij. In de Nederlandse land- en tuinbouw zijn de veertig grootste coöperaties goed voor een omzet van 37 miljard euro. Er werken 166.000 mensen bij coöperaties in Nederland.

Zakelijke solidariteit

De samenstellers van ‘De coöperatie in beweging’ belichten het coöperatieve verhaal in Nederland zowel vanuit de praktijk als vanuit de theorie. Er werden veertien essayistische bijdragen opgenomen waarin allerlei facetten van coöperatief werken belicht worden. In een zeer heldere bijdrage schetst Gert van Dijk de ‘tussenpositie’ die coöperaties innemen. Hij noemt de coöperatie een verbinder van markt en staat. Volgens de hoogleraar wordt de coöperatie gekenmerkt door een cultuur van zakelijke solidariteit. Zonder uitdrukkelijk te verwijzen naar de Engelse Rochdale-pioniers merkt hij op dat in Noordwest Europa de coöperatieve beweging ontstaan is vanuit een bijna liberale overtuiging: als niemand voor je zorgt dan moet je het zelf doen. Dat is de self help-idee. ‘En als je dat alleen niet kunt, doe je het samen. Waar door het socialisme geïnspireerde coöperanten graag kozen voor namen als ‘eendracht maakt macht’, kozen de terughoudende boeren voor het nuchterder ‘Samen sta je sterker’. De eerste agrarische coöperatie heette heel symbolisch ‘Welbegrepen eigenbelang.’ (p. 94)

Dat is ook de teneur van Self-help by the people. The history of the Rochdale Pioneers van de Engelse journalist Georg Jacob Holyoake dat in de 19de eeuw verscheen. De twee belangrijkste principes waarop de statuten van de Rochdale-pioniers gebaseerd zijn, zijn self help en het elkaar onderling helpen. ‘Welbegrepen eigenbelang aan de ene kant ‘Samen sta je sterker’ aan de andere kant. Kunnen die twee benaderingen wel door dezelfde deur? Het fenomeen ‘coöperatie’ is wegens zijn hybride karakter ideologisch altijd al een glibberig terrein geweest: te ‘socialistisch’ voor de ene, te ‘liberaal’ voor de andere. Breng die twee bij elkaar en je krijgt wat Van Dijck ‘zakelijke solidariteit’ noemt. De kassa moet rinkelen, inderdaad, maar niet alleen dat: er zijn ook nog andere waarden in het leven dan winst maken.  Dat lijkt mij enerzijds de grote kracht, maar anderzijds ook de grote struikelblok bij coöperatief ondernemen. Bij coöperatief ondernemen gaat het voortdurend om het balanceren in het spanningsveld tussen no-nonsense en bezieling.

Dat blijkt ook uit een aantal van de 38 cases die in het boek worden voorgesteld via interviewtjes met betrokkenen, aangevuld met een veelheid aan sfeerscheppende foto’s. Zo komen de auteurs terecht bij bloemenkwekers, prostituees, binnenschippers, ICT’ers, technische groothandelaars, windmolenaars, supermarktketens, erfgoedinstellingen, kaasmakers, dorpscafé-uitbaters, marktkramers, bakkers, bankiers, huisartsen, koolzaadtelers, broodfondsgroepen (ondersteuning van zelfstandige ondernemers) en ga zo maar door. Het is opvallend dat er in de zorgsector vaak gebruik gemaakt wordt van deze ondernemingsvorm. Zorg-zzp’ers (zelfstandigen zonder personeel) zoals ‘Thuiszorg Dichtbij’ organiseren zich coöperatief. Op die manier besparen ze vooral op overheadkosten.

Coöperaties komen niet alleen ‘van onderuit’, maar kunnen ook tot stand komen door samenwerkingsverbanden aan te gaan tussen gemeentelijke overheden. Zo is Wigo4it een overheidscoöperatie waarbinnen de ICT-afdelingen van de sociale diensten van Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht samenwerken. Bij mijn weten bestaat deze formule in België niet - Dirk Barrez pleit in zijn recent boek over coöperaties wel voor ‘gemengde coöperaties’ waarin overheid (heden) en burgers samen het bad in duiken - , maar ook in Nederland zijn overheidscoöperaties een uitzondering.

De liberaal-democratische traditie

Coöperatieve verhalen die bij de overheid beginnen, zijn intussen voorbijgestreefd. De Canadese auteur George Melnyk onderscheidt in zijn uitstekend boek uit 1985 The Search for Community. From Utopia to Co-operative Society vier grote tradities van coöperatief ondernemen: een liberaal-democratische, een socialistische, een communistische en een communalistische traditie. Wat hij het liberaal-democratische model noemt, is gebaseerd op de erfenis van de Rochdale-pioniers en situeert zich in de context van een gemengde markteconomie, waarbij het private eigendomsrecht gerespecteerd wordt. Het is dat model dat vanaf de twintigste eeuw dominant is geworden en zich via de ICA (International Co-operative Alliance) over Europa, Noord-Amerika en de rest van de wereld is beginnen verspreiden. In wat Melnyk de communistische traditie noemt, speelt de vrije markt een ondergeschikte rol. Het is de staat die de productiemiddelen en de distributie domineert. Deze traditie omvat coöperatieve en collectieve ondernemingsvormen die ontwikkeld werden in marxistisch-leninistische regimes. De kolchozen in de voormalige Sovjet-Unie en de volkscommunes in China zijn voorbeelden van dit type. De twee andere tradities zijn ook zeer interessant, maar in de geschiedenis van het coöperatieve ondernemen zijn ze zeker nooit dominant aanwezig geweest, eerder als contrapunt.

‘Welbegrepen eigenbelang’

In mijn bijdrage ‘Van kasmoni tot NewB’ voor dit boek kijk ik vooral naar kleine en grote bewegingen van onderuit, vaak coöperatief georganiseerd, die uitmonden in een breder en sterker wordend maatschappelijk middenveld. Het is die maatschappelijke dynamiek die Menno Bosma en Else de Jonge aantreffen bij coöperatieve burgerinitiatieven rond duurzame energie. Die trend is ook goed merkbaar in België. Op het vlak van hernieuwbare energievoorziening, coöperatief georganiseerd, is Ecopower met ongeveer 45000 aandeelhouders, een lichtend voorbeeld. Toch zijn in België coöperaties van het type Ecopower eerder uitzondering dan regel. Van de iets meer dan 26000 coöperaties zijn er hooguit een 500 die erkend zijn door de Nationale Raad voor de Coöperatie (NRC). Hoe komt dat? België heeft een zeer liberale wetgeving op de coöperaties die nog stamt uit het einde van de 19de eeuw en velen vinden die ondernemingsvorm een interessant vehikel om het ‘welbegrepen eigenbelang’ te versterken.

Tussen de lijnen door kun je lezen dat dit fenomeen zich ook voordoet in Nederland. Zo heeft bijvoorbeeld het advocaten- en notariskantoor Van Doorne uit Amsterdam zich omgevormd van een nv tot een coöperatie primair omdat zoiets fiscale voordelen had. Samensteller Meno Bosma vermeldt in zijn inleiding dat buitenlandse bedrijven van die ondernemingsvorm gebruik maken om er financieel beter van te worden. De Amerikaanse supermarktketen Wal-Mart en PepsiCo, een multinational op het gebied van voedingsmiddelen en dranken, hebben om die reden coöperaties opgericht in Nederland.

Meer problematiseren

‘De coöperatie in beweging’ wil nadrukkelijk aandacht vragen voor het coöperatieve verhaal en doet dat op een enthousiaste manier. Dat is goed. In hun enthousiasme om de positieve kanten van dat verhaal te brengen hebben de samenstellers naar mijn smaak echter te weinig kritische geluiden laten doorklinken. Ook in de essayistische bijdragen blijft het, met uitzondering dan in de bijdragen van Louise Fresco, maar ook van Gunter Pauli en Murat Kotan die beiden op de zwakkere kanten van de Baskische Mondragón-coöperaties wijzen, vooral een hoera-verhaal. De mislukking van Fagor, de groter wordende  loonspanning, het gevaar voor bureaucratisering, zeker in grote coöperaties, zijn maar enkele van de pijnpunten waarover grondig moet worden nagedacht. Coöperaties oprichten en in de markt houden is geen gemakkelijke onderneming. Daarvoor bestaan geen tovermiddelen. Alleen met enthousiasme red je het niet. Dat is wel duidelijk. De knel- en pijnpunten, de randvoorwaarden worden amper of niet geduid in dit boek, waardoor de harde werkelijkheid niet in beeld gebracht wordt. Ook iets moois mag en moet geproblematiseerd worden. Dat gebeurt bijvoorbeeld wel in Coopy Paste, bouwstenen voor coöperatief ondernemen in Vlaanderen van Wim Van Opstal, Astrid Coates en Imran Uddin.

Ondanks deze kritiek blijf ik ‘De coöperatie in beweging’ een goed boek vinden, maar misschien is er nu een vervolg nodig waarin meer het procesmatige verhaal van vallen en opstaan of, anders gezegd, van de moeilijke zoektocht naar een balans tussen no-nonsense en bezieling geschetst wordt.

Menno Bosma & Else de Jonge (red.), Publiek Geheim, De coöperatie in beweging, Frisse Wind BV, Amsterdam, 2014, 240 blz. ISBN 9789080790902, 29, 95 euro

LEES OOK