Kritische dromers, verenig u (waarom activisme goed is voor de democratie)

 Leestijd: 11 minuten2

[Occupy Reflection Space #2] Hoe kunnen we in deze wereld nog een betekenisvol punt maken, in de zin van een argument dat het potentieel heeft om iets ten goede te veranderen in die wereld? In een reeks teksten, ingeleid onder de titel OCCUPY REFLECTION SPACE – Filosofisch activisme voor het algemeen belang gaan we op zoek naar de theoretische wortels en de praktische mogelijkheden van een nieuwe noodzakelijke vorm van politiek overleg.

Gaston Meskens

Gaston Meskens

Activisten maken vandaag het nieuws. Ze komen op tegen politieke of economische machtsstructuren die in hun ogen uitbuitend, schadelijk en onaantastbaar zijn, en daardoor ook principieel onrechtvaardig zijn. Ze roepen, zowel op straat als via internet, op tot weerstand tegen ongelijkheid en onderdrukking en vragen meer aansprakelijkheid en transparantie. In de meeste gevallen is hun motivatie niet gebaseerd op a priori scepsis of wantrouwen tegenover politieke of economische macht op zich, maar wel op een overtuiging dat bepaalde concrete toestanden of plannen gewoonweg onaanvaardbaar zijn. Of het nu gaat over algemene visies op de staat van de wereld, het leefmilieu en de economie, of over specifieke alternatieve oplossingen voor mobiliteit, één ding kunnen we vooropstellen: activisme is niet leeg, maar gebaseerd op inhoud.

Niet alleen de lokale Antwerpse actiegroepen met hun alternatieve visie op mobiliteit, maar ook de globaal georiënteerde Indignados, activisten van Occupy Wall Street en alle andersglobalisten die hen voorafgingen, begrijpen dat activisme verder moet gaan dan het uiten van ontevredenheid. Hun massale acties van de laatste jaren duiden alvast op een algemene bewustwording dat er iets grondig mis is met ‘het systeem’. Welk systeem? Ik heb het in deze tekst niet over de activisten in Libië, Egypte, Turkije of Syrië. De opstanding tegen dictators en de vreselijke offers die daarbij gemaakt worden zijn van een andere orde en kunnen niet genoeg aandacht krijgen. Maar in het kader van deze reeks teksten wil ik het niet hebben over activisme tegen brutale politieke onderdrukking en voor het recht op democratie op zich, maar wel over activisme tegen beschaafde politieke manipulatie en voor het recht op ‘meer’ of ‘betere’ of ‘echte’ democratie.

Het engagement van die tweede groep is minder gevaarlijk, maar daarom niet gemakkelijker. En het is evenzeer nodig.

Bij gebrek aan beter – kritisch activisme in een oude politieke wereld.

De activisten van Occupy Wall Street hebben Wall Street nooit bezet. Kritisch-gemotiveerd maar beschaafd als ze waren bezetten ze een park vlakbij de straat en verleenden zo doorgang aan de hebzuchtige speculanten die ze viseerden.

Hun serene vorm van protest en hun doordachte anarchie zorgden er voor dat het debat in het park continue gestimuleerd en gevoerd werd, maar ook dat er uitdrukkelijk geen poging gedaan werd om iedereen achter één duidelijke boodschap te krijgen. Het resultaat was dat de ‘sit in’, ondanks alle media-aandacht, gemakkelijk kon worden genegeerd. ‘Zij die zich aangesproken zouden moeten voelen’ hoefden er maar gewoon langs te lopen. Bovendien was er tegen hen geen formeel j’accuse neergelegd dat een formele repliek vereiste. De actie werd een uitputtingsslag, niet omwille van een hardnekkige weerstand van de vijand, maar wel omwille van de eigen niet onuitputtelijke kracht om de actie vol te houden. Op 15 november 2011 gaf de politie van New York, in opdracht van de privé-eigenaar van het park, aan dat de plaats moest ontruimd worden ‘due to its purportedly unsanitary and hazardous conditions’, een order dat ook gesteund werd door groeiend protest vanwege de omringende bewoners.

Er volgden nog meerdere pogingen om het park terug te bezetten, al dan niet hardhandig gecounterd door de politie. Sindsdien zijn de meningen onder de New Yorkse demonstranten over het nut van het bezetten van publieke plaatsen verdeeld en gaat de aandacht van de beweging eerder uit naar ‘occupying banks, corporate headquarters, board meetings, college and university campuses, and Wall Street itself’[1] … De beweging leeft verder, maar is versplinterd en heeft daarmee een belangrijk deel van haar kracht verloren. En met het spectaculaire van de actie verdween ook de aandacht van de media.

Hetzelfde overkwam ook de originele Indignados die de wereldwijde protesten naar aanleiding van de economische crisis ingezet hadden. De ‘Marchas de la dignidad’ die ze op 22 maart van dit jaar organiseerden rond de publicatie van een nieuw manifesto[2] waren weerom massaal, maar de dag daarna was de aandacht van de media alweer verdwenen.

Als het bezetten van symbolische plaatsen of het publiceren van pamfletten niet meteen helpt, wat kunnen activisten dan nog doen? Eerst dit: wat sceptici ook mogen beweren, het feit dat kritiek massaal georganiseerd wordt maar ook weer uitdooft is geen teken dat ontevredenheid vluchtig is, maar toont net het bestaan van een sterke kritische onderstroom aan. En die onderstroom is vandaag standvastig en wordt gevoed door bezorgdheid. Mensen hebben, zoals ik in de inleiding op deze reeks teksten ook stelde, meer dan ooit het gevoel dat er een systeem aan het werk is dat ons overkomt en manipuleert, en waarin we niet kunnen ingrijpen. Democratische politiek is vandaag verworden tot een strategisch spel dat zich voor de ogen van de burger afspeelt, en waarvan die burger om de zoveel jaar gevraagd wordt om ‘de kaarten te verdelen’.

Maar wat voor zin heeft het nog om kaarten te verdelen als er meer en meer signalen zijn dat het spel niet eerlijk wordt gespeeld? We moeten niet verder kijken dan onze eigen omgeving: voorakkoorden met betonboeren, klassenjustitie voor havenmogols en diamantfraudeurs, bochtenwerk om mee te profiteren van het succes van actiegroepen met een vooruitstrevende kijk op mobiliteit, een simplistische visie op profiteurschap die burgers stigmatiseert maar zelfbedruipende netwerken van grootkapitaal ongemoeid laat, en die vooral bedoeld is om gefrustreerde Vlaeminghen en verzuurde of cynisch-onthechte middenklassers aan te spreken, …

We zijn een eind in de 21e eeuw, en de achterkamerpolitiek en het populisme verpest het beleid als nooit tevoren. Mandaten worden gezien als vrijgeleides om, als het moet, eender wat te zeggen en te doen. Debat is verworden tot een aaneenschakeling van gemediatiseerde sensationele wedstrijden van stoere retoriek, en de stroom van publieke al dan niet strategische ‘ongelukkige’ uitspraken van politici en hun wederzijdse zwartmakerij en onderling gescheld doen ons afvragen of een aantal onder hen eigenlijk wel intellectueel in staat is om politiek te functioneren. Ze beledigen met hun gedrag niet alleen de burger, maar ook nog eens al hun collega’s die, met zin voor pragmatiek, achter de schermen wel ernstig werk proberen te doen. En ondertussen wordt de aandacht afgeleid van, om maar iets te noemen, een haperend Europees economisch beleid dat enerzijds pretendeert ecologisch en sociaal bewust te zijn, maar anderzijds oliebaronnen, sweatshopuitbaters en andere monsantos vrij spel geeft.

Het klopt dat we blij mogen zijn dat we niet met het soort disfunctioneel en openlijk corrupt staatsapparaat moeten leven dat elders in de wereld nog welig tiert, maar net daarom is het probleem hier pertinent: we zijn, bij gebrek aan beter, verplicht om dat strategisch spel dat ‘representatieve democratie’ heet serieus te nemen, maar staan tegelijk toe te kijken hoe meer en meer politici dat systeem naar eigen goeddunken hanteren en manipuleren.

Wat is dan meer of betere of echte democratie? Waarom is ze nodig, en wie bepaalt wat meer, beter of echt is? Een stelling die deze reeks teksten onderbouwt is dat onze traditionele vorm van representatieve democratie via partijpolitiek niet geschikt is om de complexe sociaaleconomische uitdagingen op een faire en effectieve manier aan te pakken. De hedendaagse problemen zijn namelijk zo complex dat visies op oplossingen niet meer in simpele socialistische, liberale, nationalistische of christendemocratische standpunten kunnen gewrongen worden. Veel politici weten dat natuurlijk, maar het probleem is dat de strijd om de stem strategisch vereenvoudigde partijstandpunten in de hand werkt, waardoor het debat polariseert of bij voorbaat niet van de grond raakt. Het middenveld oefent wel politieke druk uit maar bestaat zelf uit een mix van organisaties die publieke of private belangen verdedigen, waardoor het zelf in een periferisch politiek systeem opereert…

In een wending van probleemstelling naar voorgestelde oplossing zou deze tekst nu kunnen concentreren op een pleidooi voor het model van deliberatieve democratie, met een kritische beschouwing van de bestaande theoretische argumenten voor en tegen. Het idee deliberatieve democratie is essentieel, niet alleen voor politiek filosofen, maar vooral voor het welzijn van mens en milieu. Deliberatieve democratie als noodzakelijke mogelijkheid zal aan bod komen in de twee volgende geplande meer ‘theoretische’ teksten, en terugkomen in de verslaggeving over het ‘veldwerk’. Maar deze tekst vraagt nu eerst en vooral aandacht voor de noodzaak en de betekenis van activisme in de realiteit van vandaag: een maatschappij die geregeerd wordt door een voorbijgestreefd maar hardnekkig standhoudend politiek machtssysteem dat ook nog eens verwikkeld zit in onfrisse relaties met de grote spelers van de markt.

Activisme is nodig. Niet het activisme van de ontregeling en de sabotage, maar het doordachte, kritische, positieve en solidaire activisme dat zichzelf organiseert daar waar de heersende macht faalt of strategisch afstand neemt. Dat soort activisme concentreert op praktijk én theorie. Het zijn de vrijwillige initiatieven van solidariteit zoals geefpleinen en collectieve eco-moestuinen, en de vrijwillige initiatieven van kritisch confronterend studiewerk in verband met alternatieve beleidsmaatregelen die vandaag het verschil maken. En de mensen die deze initiatieven dragen zijn geëngageerd en gedreven, maar verre van naïef…

De domme massa bestaat niet

In 2012 lanceerde het Departement van Sociale en Economische Zaken van de Verenigde Naties het ‘My World’ initiatief[3]. Deze ‘Global Survey for a Better World’ was één van de acties die voortkwamen uit de wereldconferentie duurzame ontwikkeling die de VN dat jaar, twintig jaar na de ondertussen beroemde conferentie in Rio de Janeiro, in dezelfde stad georganiseerd had. ‘My World’ is een eenvoudig anoniem onderzoek dat mensen vraagt om 6 prioriteiten te kiezen uit een vooropgestelde lijst van 16 zaken van algemeen belang (van onderwijs en tewerkstelling over politieke vrijheid en gelijkheid tussen vrouw en man tot bescherming van het leefmilieu) of eventueel alternatieve prioriteiten voor te stellen. De resultaten van de bevraging zullen voorgesteld worden tijdens de algemene vergadering van de VN in september 2015. Hoewel al meer dan twee miljoen mensen uit 194 landen deelnamen en vrijwilligersorganisaties helpen om resultaten te verzamelen in gebieden met weinig of geen toegang tot internet moeten de resultaten natuurlijk voorwaardelijk genomen worden, in de zin dat er geen gelijkmatige vertegenwoordiging van bevolkingsgroepen is en men afhankelijk is van lokale campagnes om het bestaan van de enquête kenbaar te maken.

Maar zelfs met die bedenkingen in het achterhoofd zijn er al opmerkelijke conclusies te trekken. Een recente analyse[4] van resultaten van My World toont aan dat mensen over heel de wereld wel degelijk geloven in de noodzaak van een overheid die hun zaken behartigt. Ongeacht afkomst of staat van welvaart toont de bevraging verpletterend duidelijk aan dat voor iedereen waar ook ter wereld een goede opleiding (‘a good education’) de topprioriteit is, en in het wereldgemiddelde komen betere gezondheidszorg en werkgelegenheid op de tweede en derde plaats. Op de vierde plaats in dat wereldgemiddelde staat de noodzaak van ‘een eerlijke en responsabele overheid’, en wat opvalt is dat hoe hoger de staat van welvaart van de respondenten is[5], hoe hoger die prioriteit scoort. Het inzicht dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen een functioneel systeem van democratie en welvaart is ondertussen wetenschappelijk onderbouwd (waarbij die enkele rijke oliestaten als uitzondering fungeren). Maar uit deze en andere studies blijkt dus ook dat net in de welvarende landen mét een modern systeem van democratie er extra aandacht gevraagd wordt voor een eerlijke en responsabele overheid.

Deze bevinding is alvast in lijn met de observatie hierboven dat ‘hier bij ons’ de kritiek met betrekking tot het traditionele politieke systeem groter is dan ooit, maar er is meer. Sceptici zouden kunnen zeggen dat ontevredenheid met het systeem een luxeprobleem is van welvarende burgers die zich geen zorgen meer moeten maken om voedsel of gezondheidszorg, en die niets beter te doen hebben dan hun tijd te vullen met klagen over de politiek. Dat soort burgers bestaat ook, maar we zien of horen ze nauwelijks. Ze komen hun zetel niet uit, en hun occasioneel gekanker op internet heeft veel (bedenkelijke) vorm, maar weinig inhoud. Zij die geëngageerd naar buiten komen doen dat niet uit verveling, maar vanuit een diepe overtuiging dat ze kunnen bijdragen aan solidariteit en concrete oplossingen. En ze doen dat zowel in arme als in rijke landen.

De conclusie is daarmee misschien triviaal, maar ze kan niet genoeg benadrukt worden: de boosheid van de kritische activist in verband met de manier waarop het huidige ‘beschaafde’ politieke systeem door politici en hun bevriende consultants en privéondernemers gehanteerd en gemanipuleerd wordt is niet gebaseerd op leeg fatalisme, blind egoïsme of decadente verveling, maar op een diep en kritisch inzicht in de gang van zaken. De Indignados en activisten van Occupy Wall Street organiseren continu conferenties en workshops, maar in de media krijgen we meestal enkel de tamtamfeestjes en de rellen te zien. Burgers die massaal de alternatieve visie op mobiliteit van de Antwerpse actiegroepen steunen doen dat niet alleen omwille van de catchy prentjes met het mooie toekomstbeeld, maar ook en vooral omdat ze weten dat er over de technische en sociale kant van de zaak diep nagedacht en gedebatteerd is en dat ze bovendien volop de kans hadden om mee in dialoog te gaan. De domme massa bestaat niet meer. De kritische onderstroom organiseert zelf haar eigen solidariteit, onderzoek en debat, en wil daarmee maar al te graag naar de politieke onderhandelingskamers trekken. De legale middelen daartoe zijn beperkt, en deliberatieve democratie is een toekomstideaal.

De kritische maar positieve zin voor engagement van de burgers en hun creativiteit en verlangen om mee na te denken, krijgen in ons huidig politiek systeem geen kans, en worden door veel politici ook niet serieus genomen. Het bewijs daarvan zit in de manier waarop zij die burgers tegenwoordig aanspreken. In plaats van hen te betrekken bij een reflectie in verband met de mogelijkheden en beperkingen van het politieke systeem zelf krijgen we betuttelende sermoenen waarin benadrukt wordt dat ‘ze wel weten dat we het moeilijk hebben’ en dat het ‘met hen beter zal worden’ als we ‘hen maar de kans geven’.

Daarmee wordt de echte kloof tussen kritisch verenigde burgers en politiek duidelijk: de breed gedragen overtuiging dat een eerlijke en efficiënte aanpak van problemen niet kan zonder eerst het systeem aan te pakken dat die problemen mee veroorzaakt heeft en nu het beleid polariseert en blokkeert staat, bij wijze van spreken, lijnrecht tegenover de politieke samenzwering die vasthoudt aan dat oude systeem en volhoudt dat er geen alternatief is en dat er bovendien geen tijd is om na te denken over ‘political reform’.

 “Come and join us at the periphery” – kritisch activisme werkt.

De My World bevraging is maar één van de studies die aantonen dat burgers van vandaag weten hoe de zaken staan. Ze willen geen totalitaire staat, maar weten dat een anarchistische vrijstaat ook niet werkt. Ze willen leren en meedoen, en begrijpen dat niet alles naar hun individuele zin kan zijn, en dat er een soort van ‘gevestigde orde’ nodig is die gerust hun vertrouwen kan krijgen. Maar veel politici schijnen maar niet te begrijpen dat er nooit maatschappelijk vertrouwen rond beleidsmaatregelen kan zijn als er geen vertrouwen is in de politieke manier waarop die maatregelen onderhandeld worden. Daarom is het essentieel dat onderbouwde inhoudelijke argumenten over zaken van maatschappelijk belang altijd samen gaan met gedegen kritiek op het systeem van de macht. En het feit dat de stem van de kritische activist daarbij noodzakelijk vanuit de periferie rond dat systeem klinkt is niet nutteloos of hopeloos, integendeel. Het is net die periferie die, omdat ze niet verstoord wordt door de verlokking van voorakkoorden of publieke eeuwige politieke roem, een broedplaats voor creativiteit en een vrijplaats voor kritiek, dromen en solidariteit kan zijn.

Geefpleinen en collectieve eco-moestuinen, maar ook debatten en diepgravende studies over alternatieven worden niet opgezet door naïevelingen maar door kritische dromers. Het zijn dromers die niet bang zijn om door het establishment meewarig bekeken te worden, want terwijl het establishment zich nog wat dieper nestelt in zijn eigen zelfgenoegzaamheid begrijpen die kritische dromers dat elke interpretatie van de inhoud van onze maatschappelijke uitdagingen vandaag gekoppeld moet worden aan een visie op hoe we die uitdagingen politiek solidair en efficiënt kunnen aanpakken. En het is net zo’n visie op de methode van politiek die op lange termijn gevaarlijk is voor dat establishment.

De weerklank van het verhaal van de Antwerpse actiegroepen toont aan dat kritisch activisme werkt als het zich rond één concreet thema concentreert. Het engagement van de kern van de Indignados en van de Occupy Wall Street beweging is even oprecht, en hun inzet even intens, maar hun kritiek is algemener, en daardoor is het voor politici en ondernemers gemakkelijker om zich niet aangesproken te moeten voelen. Maar ook die meer algemene bedenkingen over de staat van de wereld zijn meer dan ooit nodig, en het is zinvol om daarbij de raakvlakken met de filosofie te onderzoeken en te gebruiken. Het activisme van de kritische dromers, zowel die van de geefpleinen als die van de diepgravende studies, is praktisch georiënteerd, maar tegelijk ook diep filosofisch geïnspireerd: dat activisme organiseert of formuleert niet alleen onderbouwde alternatieven, maar analyseert ook hoe politieke en economische machthebbers in hun inhoudelijke argumenten refereren naar feiten, normen en waarden, en hoe zij daarbij de legitimiteit van hun eigen macht rationaliseren.

Concepten zoals ‘identiteit’, ‘waarheid’, ‘zekerheid’ en ‘vrijheid’ hebben filosofische en poëtische betekenis, maar elk gebruik ervan ter ondersteuning van een politiek programma is bij voorbaat verdacht. Filosofisch activisme begint dus met het waakzaam zijn voor het verdacht gebruik van poëtische concepten in politieke context, en formuleert alternatieve visies op welzijn en milieu met aandacht voor werkbaarheid van die visies en voor de context waarin ze ontstaan. In die zin kunnen we ook begrijpen dat die periferie, die broedplaats voor creativiteit en vrijplaats voor kritiek, dromen en solidariteit, wel vrij maar niet vrijblijvend is. Want kritische dromers organiseren ook hun eigen zelfbevraging, ernstig, kunstzinnig of desnoods met humor, en in die periferie werken ook academici die aandacht hebben voor het praktische nut van theoretische kritiek, en vertegenwoordigers van middenveldorganisaties die solidariteit en het publieke belang voorstaan maar ook het belang van het politieke compromis inzien.

Democratie heeft activisme nodig. Kritisch filosofisch activisme werkt. Doe mee. Kies jouw thema – bijen, voeding, water, energie, mobiliteit, kruidengeneeskunde, kunstsubsidies of pensioen – vorm een groep of sluit aan, lokaal of globaal, op internet, aan de unif, op café of in de achterzaal. Droom en reflecteer, schrijf en debatteer. Activeer en bezet de plaats die de politiek vandaag opzettelijk niet creëert. Occupy reflection space.

Referenties [1] “Occupy Wall Street,” Wikipedia, the Free Encyclopedia, July 9, 2013, http://en.wikipedia.org/w/index.php?title=Occupy_Wall_Street&oldid=563168023. [2] “Manifesto (English) | Marchas de La Dignidad,” Marchasdeladignidad, accessed May 14, 2014, http://marchasdeladignidad.org/objetivos/manifiesto/manifesto/. [3] “The United Nations Wants to Hear from You.,” accessed April 13, 2014, http://www.myworld2015.org. [4] “What’s behind the Demand for Governance? An Assessment of People’s Views,” Overseas Development Institute (ODI), accessed April 13, 2014, http://www.odi.org.uk/publications/8251-whats-behind-demand-governance-assessment-peoples-views. [5] De VN analyseert de antwoorden in relatie tot het algemene welvaartsniveau van de respondenten, en maakt daarbij gebruik van de Human Development Index, een index die, per land, gemiddelde verwezenlijkingen in drie dimensies van ontwikkeling meet (een lang en gezond leven, toegang tot kennis en onderwijs en een behoorlijke levensstandaard). 

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Gaston Meskens

Gaston Meskens is kernfysicus, filosofisch activist en kunstenaar. Als onderzoeker in de moraalfilosofie bij de Universiteit Gent en als vertegenwoordiger van het Centre for Environment and Development bij de Verenigde Naties werkt hij rond het begrip van duurzame ontwikkeling vanuit het perspectief van mensenrechten.