Hoog tijd voor een andere discussie over wat ‘goed’ onderwijs is


De Morgen zou best even opletten met een krantenkop zoals ‘Zet kansarmen samen met slimste kinderen’ (DM 8 mei). Goed bedoeld dat wel, vanuit de overtuiging dat sociale mix in scholen goede resultaten kan opleveren. Maar tezelfdertijd is er de suggestie dat de kansarme kinderen dom(mer) zijn en de kansrijke kinderen slim(mer).

Professor Danny Wildemeersch

Professor Danny Wildemeersch

De Morgen redacteur is in de val getrapt van een ideologisch discours waarbij wordt gesuggereerd dat er een positief verband is tussen intelligentie en sociale klasse. Een discours dat bovendien wordt gelegitimeerd op basis van ‘wetenschappelijke’ gegevens. De krantenkop wordt in de loop van het artikel gelukkig genuanceerd, wanneer er sprake is van ‘kansarme kinderen die terechtkomen in klassen met meer goed scorende leerlingen’.  Die nuance is belangrijk: er is hier niet langer sprake van ‘slimme’ kinderen, maar van ‘goede scorende leerlingen’. Dat zijn vijftienjarige leerlingen die op de Pisa-test goede resultaten behalen. En de Pisa-tests hebben uitdrukkelijk niet de bedoeling schoolse kennis te meten (zoals de redacteur verderop in de krant verkeerdelijk suggereert), maar de capaciteit om in het dagelijks leven rekenkundige, natuurkundige en taalkundige vormen van geletterdheid toe te passen.

Er is dus niet noodzakelijk een verband tussen deze vormen van geletterdheid en de kennis en vaardigheden verworven op de schoolbanken. Toch valt niet te ontkennen dat de PISA-gegevens tegelijkertijd een indicatie zijn voor het niveau van het onderwijs in de verschillende instellingen en de verschillende landen of regio’s die worden onderzocht. Dat is ook de reden waarom de betrokken landen met uiterste spanning uitkijken naar de resultaten van deze studies en in toenemende mate er ook hun beleid op afstemmen. Wat daarbij opvalt is dat deze onderzoekingen wel voortdurend vergelijken, maar wat ‘goed’ onderwijs is wordt niet in kaart gebracht. De discussie hierover is heel erg complex en tegensprekelijk, uiteraard ook onder academici, waardoor men zich het liefst beperkt tot kwantitatieve indicatoren (meten is weten!). Zelf hoeft men geen inhoudelijke positie meer in te nemen. Wat goed onderwijs is, is wat de vergelijkingen meten. Bijgevolg hoeven we niet echt meer na te denken over wat we zelf goed onderwijs vinden. We richten ons op de resultaten van de vergelijkingen. Wie kan de beste resultaten voorleggen? Welk land (of in ons geval, welke regio) scoort minder goed? Of beter?

En de kwestie van de kloof tussen sterke en zwakke leerlingen en hoe ermee om te gaan in het onderwijs is niet zozeer een kwantitatieve, maar een inhoudelijke discussie over de vraag welk onderwijs we willen in onze samenleving. De kwestie van de reproductie van de maatschappelijke ongelijkheid door het onderwijs is al sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw bij herhaling onderzocht en telkens komen we tot dezelfde vaststelling: kinderen en jongeren die zich ‘in de buitenbaan ‘ bevinden worden door het huidige onderwijssysteem benadeeld. De recente interpretatie van de Pisa-resultaten voegt daar in wezen niets aan toe.

En dus is het hoog tijd dat we conclusies trekken en ons afvragen welk onderwijs we willen. Een onderwijs waarmee we in eerste instantie de competitie tussen de individuele leerlingen versterken, een onderwijs waarbij we de zogenoemde ‘besten’ de meeste kansen geven, een onderwijs dat zich helemaal inschakelt in de productiviteitslogica die vandaag de dag overal om zich heen grijpt? Of willen we een onderwijs waar kritische burgers gevormd worden, die op basis van wat hen wordt aangeboden, leren eigen inzichten en standpunten te ontwikkelen. En die ook leren dat voor ieder probleem verschillende oplossingen mogelijk zijn. Kritische burgers ook, die respect hebben voor verschillen en deze ook weten te waarderen.

Zoiets is maar mogelijk als mensen uit verschillende sociale milieus niet vanaf hun kinderjaren, en dit voor de rest van hun leven, van elkaar gescheiden worden. De school heeft op dat vlak, bij momenten, in het verleden een belangrijke democratiserende rol gespeeld. Vandaag de dag staan die democratische ambities onder druk van de productiviteits- en competitielogica. Daarover zou de maatschappelijke en politieke discussie momenteel moeten gaan. Over de vraag wat voor ons een ‘goede’ school is. Dat we ons daarbij laten informeren door cijfergegevens uit onderzoekingen is niet onbelangrijk. Maar het gaat in eerste instantie om keuzes over de betekenis van de school voor onze samenleving in al haar culturele, economische, sociale facetten en over de plaats die we haar willen geven in de vorming van onze kinderen en jongeren.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Danny Wildmeeersch

Prof. dr. em. sociale en interculturele pedagogiek, KULeuven.
Voorzitter vzw Leren Ondernemen – Leuven


Over dit artikel

BronApache [https://www.apache.be]
TitelHoog tijd voor een andere discussie over wat ‘goed’ onderwijs is
Auteur(s)Danny Wildemeersch
Permalinkhttps://www.apache.be/?p=46315
Gepubliceerd 09 mei 2014 @ 16:18
Opgevraagd17 september 2019 @ 21:24
Klik hier om te printen