Een balans heeft twee armen

1

Net voor het Paasweekend kreeg een fait-divers uit Portland, Oregon een onverwachte wereldwijde belangstelling: een tiener had wildgeplast in een voor drinkwater bestemd reservoir (zo bleek uit camerabeelden), en de staatswatermaatschappij had als gevolg daarvan besloten de hele inhoud van 150 miljoen liter te dumpen.  “Mijn klanten verwachten dat hun water niet met opzet is gecontamineerd. Ik kan deze beslissing nemen – en als ik dat kan, waarom zou ik dan niet?”, zei Portland Water Bureau baas David Shaff.

Koen Smets

Koen Smets

De kosten voor het lozen en schoonmaken worden geraamd op $35.000 en de hoeveelheid water lijkt misschien wel astronomisch, maar komt overeen met het jaarlijkse verbruik van zo’n 1.100 huishoudens (er zijn er zo’n 860.000 in Portland volgens Wikipedia). Het gaat dus echt wel om een fait-divers: geen nakend bankroet voor de stad, geen risico op drinkwatertekort – een storm in een glas Oregoniaans drinkwater, als het ware.

En toch is het verhaal typerend voor een denktrant waarin eenzijdigheid primeert, waarin voor een bepaald doel wordt gepleit zonder rekening te houden met de noodzakelijke voorwaarden of met de consequenties. Een voorbeeld dichter bij huis is het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid dat al een tijdlang campagne voert met de slogan Go for Zero: “elke verkeersdode is er een te veel”. Ik twijfel er niet aan dat het BIVV goed werk verricht in het bijbrengen van wat verkeerskunde aan de Belgische weggebruiker (de cijfers suggereren alvast dat die het goed zou kunnen gebruiken: volgens de WHO was het aantal dodelijke verkeersslachtoffers in 2010 in België 10% hoger dan in Italië, 20% hoger dan in Frankrijk en Oostenrijk, 80% hoger dan in Duitsland en minstens het dubbele van Nederland en het Verenigd Koninkrijk). Maar een campagne als Go for Zero is economisch naïef en ongeletterd.

Net zoals de Portlandse watermaatschappij geen tiener-urine in het drinkwater wil, ook al is er geen risico voor de gebruiker (het gaat om een concentratie van 3 deeltjes per miljard (ppb) – ter vergelijking: de grens voor arsenicum is 10 ppb, of ongeveer een druppel op 5000 liter), en ongeacht de kost, zo wil het BIVV naar nul verkeersdoden gaan, zonder stil te staan bij de vraag welke ingrepen nodig zijn om dat doel te bereiken, en wat daarvan de gevolgen zouden zijn.

Er moet immers een prijs betaald worden voor het vermijden van elke verkeersdode (die er een te veel is). Even wat feiten: een voetganger die wordt aangereden door een voertuig tegen een snelheid van 50 km/u heeft zo’n 10% kans ter plaatse te overlijden. Voor een zestigplusser loopt dat risico al gauw op tot 50%. Als men dus alle verkeersdoden van boven de zestig wil voorkomen moet men ofwel (a) alle mogelijke contact tussen rijdende voertuigen en personen van die leeftijd elimineren, ofwel (b) de maximale snelheid van voertuigen op elke plaats waar ook zulke voetgangers circuleren beperken tot – ja, tot wat? 15 km/u lijkt, volgens onderstaande grafiek, wel veilig te zijn, maar het zou toch kunnen dat er nog ergens een oud besje door een boy racer tegen 14 km/u wordt aangereden en deze gebeurtenis niet overleeft.

Het BIVV zal toch niet zo harteloos zijn dat het deze verkeersdode niet ook als “te veel” beschouwt? Dus misschien dan toch maar een maximum snelheid van 10 km/u. En mocht er toch nog een verkeersdode vallen, dan kan het altijd nog wat minder.

(bron: Relationship between Speed and Risk of Fatal Injury: Pedestrians and Car  Occupants, Transport Research Laboratory, UK Department for Transport, 2010)

(bron: Relationship between Speed and Risk of Fatal Injury: Pedestrians and Car Occupants, Transport Research Laboratory, UK Department for Transport, 2010)

Men heeft niet veel verbeelding nodig om te zien dat het prijskaartje voor de maatregelen nodig om zestigplussers en auto’s te allen tijde gescheiden te houden vele nullen aan de verkeerde kant van de komma zou vertonen. Ook de economische gevolgen van een maximumsnelheid van 15 km/u op alle wegen waar de mature voetganger kan worden aangetroffen zouden naar alle waarschijnlijkheid een showstopper zijn.

Het eenzijdige denken dat implicaties en gevolgen negeert of minimaliseert is de antithese van economisch denken: het besef dat in principe elke keuze, elke maatregel, hoe voordelig ook, kosten en consequenties heeft. Johan Cruijff, de stervoetballer uit de jaren 70 was – wellicht zonder het zelf te beseffen – een zeer goed amateureconoom, getuige hiervan zijn gevleugelde woorden “elk nadeel heb zijn voordeel”. Het omgekeerde, “elk voordeel heb zijn nadeel” is zo mogelijk nog belangrijker, niet in het minst tijdens de verkiezingscampagne.

Ondanks het duchtige factchecken van verkiezingsbeloften her en der doet de kritische burger er goed aan na te gaan welke nadelen verbonden zijn aan de voordelen die politici verbinden aan het stemmen voor hun partij. Harry S Truman was het op een zeker moment tijdens zijn presidentschap van de Verenigde Staten zo beu zijn economische raadgevers telkens te horen zeggen “On the one hand this”, en “On the other hand that” dat hij vertwijfeld uitriep dat hij een eenarmige econoom nodig had. Nochtans is een goede econoom precies diegene die alle aspecten van een potentiële maatregel of keuze bekijkt. Voor een evenwichtig inzicht in wat ons aanbelangt en bezighoudt worden we het beste gediend door een balans met twee armen, en doen we er dus dus beter aan de raad van Johan Cruijff te volgen dan die van Harry Truman.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Koen Smets

Koen Smets is een deskundige op het gebied van organisatie-ontwikkeling, met een fascinatie voor menselijk gedrag op de grens tussen het rationele en het irrationele. Hij is op Twitter als @koenfucius.