Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Vlaanderen heeft zijn open ruimte verloederd

9 november 2022 Peter Renard , Tom Coppens , Guy Vloebergh
lintbebouwing
Vlaanderen is met 13.000 kilometer aan lintbebouwing wereldkampioen in deze discipline. (© Sampol)

Vanaf 2050 mag in Vlaanderen geen extra vierkante meter ruimte meer bebouwd worden. “Correctie: vanaf 2040”, verkondigde toenmalige minister van Milieu Joke Schauvliege (CD&V) na veel protest. Dat illustreert het Vlaamse beleid van de jongste vier decennia. Vlamingen wordt een Vlaanderen in het vooruitzicht gesteld met mensen die tevreden zijn met hun woning en omgeving, met echt openbaar vervoer, met ruimte voor natuur én landbouw, met bloeiende en schone economische bedrijvigheid, zonder druk op de open ruimte.

Helaas, het is praat voor de vaak. Tegelijkertijd doet Vlaanderen er immers alles aan om het eigenaars en bouwers maximaal naar de zin te maken. Van een trendbreuk in de ruimtelijke ordening is helemaal geen sprake. De versnippering zet zich voort, en de inspraak en participatie van burgers worden teruggedrongen. 

Het zopas gepubliceerde boek Met voorbedachten rade. De sluipmoord op de open ruimte is het verhaal van de ruimtelijke verloedering van Vlaanderen. Die is niet het resultaat van louter nalatigheid, maar van decennialang bewust gevoerd beleid. Om het met de woorden van Karl Polanyi te zeggen: Laissez-faire was planned, planning was not. Vlaanderen heeft meer dan veertig jaar autonomie voor ruimtelijke ordening. Maar het heeft er dus niets van terecht gebracht.

Die harde conclusie staat haaks op de klassieke mantra dat Vlaanderen het toch zo goed doet en België vierkant draait. Dat geldt niet alleen voor de Vlaamse ruimtelijke ordening, maar voor nogal wat Vlaamse bevoegdheden. Er blijft niet veel over van het adagio van de eerste Vlaamse minister-president Gaston Geens (CVP, voorloper van CD&V): “Wat we zelf doen, doen we beter”.

Biodiversiteitscrisis

We weten dat ruimtelijke ordening een grote maatschappelijke impact heeft. Volgens onderzoek van de KU Leuven rijden Vlaamse medewerkers van de thuiszorg op weg naar hun klanten elke dag samen ongeveer vijftien keer de wereld rond. Openbaarvervoermaatschappij De Lijn verzorgt amper 4,2% van alle verplaatsingen in Vlaanderen. Maar hoe kan openbaar vervoer zonder doordacht mobiliteits- of ruimteplan behoorlijk performant zijn in een regio die met 13.000 kilometer aan lintbebouwing wereldkampioen is in deze discipline?

De ruimtelijke verloedering van Vlaanderen is niet het resultaat van louter nalatigheid maar van decennialang bewust gevoerd beleid

Veel linten betekenen veel wegen en duur onderhoud. De maatschappelijke kosten van nutsvoorzieningen liggen in verspreide bebouwing zeven keer hoger dan in stedelijk gebied. Vlamingen hebben gemiddeld grotere huizen en tuinen dan andere Europeanen, en wonen vaker in vrijstaande woningen. Die zijn doorgaans weinig energievriendelijk. 

Om de globale biodiversiteitscrisis te keren moet 40% van de aardoppervlakte wilde natuur zijn, in Vlaanderen is 10% van de oppervlakte beschermd natuurgebied. Een regenbom zoals vorig jaar in Wallonië zou in Vlaanderen tot 8 miljard euro schade kunnen veroorzaken en 50.000 tot 100.000 mensen treffen. Een achtste van het totale landbouwareaal wordt niet voor professionele landbouw gebruikt, maar bijvoorbeeld om paarden te stallen, in de provincie Antwerpen is dat zelfs 30%.

Door die druk wordt landbouwgrond onbetaalbaar. Kortom, de manier waarop we met ruimte omspringen, heeft diepgaande gevolgen voor mobiliteit, energie, klimaat, biodiversiteit en landbouw. En toch blijven we onze open ruimte onverminderd verslinden.

Sinds 1980 is Vlaanderen bevoegd voor zijn ruimtelijke ordening. Het erfde een behoorlijke Belgische wet op de stedenbouw uit 1962, maar ook onder andere een traditie van gebrekkige handhaving van bouwovertredingen. Er werden wel processen gevoerd en vonnissen geveld, maar tot echte sancties kwam het zelden.

Bovendien was er niet alleen geknoeid bij het opstellen van de gewestplannen (1970-1980), in de loop van dat planningsproces kreeg nog meer grond een harde bestemming, en in een periode van economische expansie en demografische groei was de bebouwing in Vlaanderen na de Tweede Wereldoorlog al snel toegenomen. Dat was de situatie die Vlaanderen erfde toen het autonomie verwierf over zijn ruimtelijke ordening.

Het duurde bijna vijftien jaar vooraleer Vlaanderen een poging deed om orde op zaken te stellen. Met het oog op de actualiteit is het zinvol om even bij die periode van positieve politieke actie in de jaren 90 stil te staan. In 1997 keurde het Vlaams Parlement het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) goed (het werd in 1999 in een decreet verankerd). Zo’n plan werd al twee decennia aangekondigd in elke regeringsverklaring, zonder dat ernaar gehandeld werd. Minstens even belangrijk als het RSV was het vier jaar eerder goedgekeurde nooddecreet.

Dat maakte komaf met de talloze uitzonderingen die intussen de regel waren geworden en die vooral in het buitengebied voelbaar waren. Bedoeling van zowel het nooddecreet als van het RSV was om te redden wat er te redden viel, de ruimte maximaal open te houden en de verwachte bevolkingsgroei meer in dorpskernen en steden op te vangen. In diezelfde periode werden ook de laatste kustduinen beschermd door het Duinendecreet en kwam er een natuurherstelplan voor de IJzermonding. 

Achterban

Ministers van verschillende partijen in de Vlaamse Regering — de CVP, de SP en de Volksunie — staken toen hun nek uit voor de bescherming van de open ruimte. Maar heel snel nadien kwam er een neoliberale contrareformatie op gang die ruimtelijke planning en handhaving wilde ondermijnen, in het bijzonder voor de voor sociale huisvesting en groepswoningbouw bestemde woonuitbreidingsgebieden.

In de jaren 90 werd de Europese regelgeving strenger, ook voor de landbouw. Onder die druk verstrengde onze milieuwetgeving

Hoe kon het dat in de tweede helft van de jaren 90 wel kortstondig een positieve wind door de Vlaamse ruimtelijke ordening woei, en welke lessen kunnen wij daar vandaag kunnen uit trekken? Politieke besluitvorming valt niet uit de lucht en moet in een breder kader worden bekeken. In de jaren 90 werd de Europese regelgeving strenger, ook voor de landbouw. Onder die druk van de Europese Unie verstrengde onze milieuwetgeving.

Bedrijven waren op zoek naar expansiemogelijkheden, en landbouwers zagen dat hun areaal werd bedreigd. Er was het klassieke middenveld van de socialistische en vooral christelijke arbeidersbeweging dat op het ruimtelijk beleid woog, en dat deed ook de jonge natuur- en milieubeweging die aan invloed won en de aanslag op de open ruimte mee aanklaagde. Daarnaast leidde de jarenlang georganiseerde stadsvlucht tot de verpaupering van veel stadsdelen.

Daarmee verbonden was er de doorbraak van het Vlaams Blok op Zwarte Zondag in 1991 en het politieke besef dat ingrijpen noodzakelijk was. En er waren vooral ook twee politici van twee verschillende partijen die gesteund door hun achterban de continuïteit van het beleid in twee opeenvolgende regeringen garandeerden.

Minister Theo Kelchtermans (CVP) gaf de opdracht om daadwerkelijk een structuurplan voor het Vlaamse grondgebied op te stellen. Eerder al legde hij in 1993 en 1994 de uitbreiding van zonevreemde woningen aan banden. Zijn opvolger Eddy Baldewijns (SP) ging gewoon door met de begonnen structuurplanning en wilde als eerste politieke verantwoordelijke dat vonnissen over bouwovertredingen ook werden uitgevoerd. 

Beelden van die sloop van woningen werden nog geen twee jaar na de goedkeuring van het structuurplan gebruikt om de neoliberale contrareformatie in te luiden. Daders van grove bouwovertredingen in natuurgebied werden ook in de media als slachtoffers van een harteloze overheid afgeschilderd. Maar dat is een ander verhaal, en vandaag is de vraag hoe we een eind kunnen maken aan die in 1999 begonnen en nog altijd voortdurende en funeste contrareformatie.

Belangrijk is dat tot dan ministers Kelchtermans en Baldewijns op hun achterban konden rekenen. De steun van de arbeidersvleugel binnen de CVP en de rugdekking binnen de socialistische partij waren cruciaal voor Kelchtermans en Baldewijns om politiek gevoelige knopen door te hakken.

Residentalisering, vertuining, verpaarding en verharding van de open ruimte. De Vlaamse open ruimte is er belabberd aan toe. Dat is mede het gevolg van het sinds 1999 gevoerde neoliberale Vlaamse beleid. Dat ging niet over een betere toekomst voor de Vlamingen in een aangename leefomgeving. Het was een verhaal over de rechten van het individu om zoveel mogelijk te mogen bouwen, ook in de open ruimte.

Het was het bekende riedeltje van de terugtredende overheid die zo min mogelijk mocht opleggen en zo veel mogelijk moest vergunnen. Of de gemeenschap en de toekomstige generaties daar beter van werden, was niet van tel. Het ging om de belangen van grondeigenaars en om geld. 

Wervend project

Na bijna een kwarteeuw neoliberale contrareformatie is het hoogtijd om nog eens een oefening als in de jaren 90 te doen. Uiteraard was toen ook niet alles pais en vree. Het structuurplan was er nooit gekomen zonder de wat dubieuze ruimtebalans die steunde op de optelsom van alle respectieve eigenbelangen. Het verdeelde de ruimte over de verschillende sectoren, van landbouw en wonen tot economie en natuur.

Een nieuw pact tussen landbouwers en natuurbeschermers zou een belangrijke eerste opstap naar een ander beleid kunnen zijn

Vandaag wordt Vlaanderen opnieuw met gigantische uitdagingen geconfronteerd: betaalbaar wonen, de klimaatcrisis (onder meer zeer zorgwekkend te merken in een verdroging van het landschap), een dalende biodiversiteit, de behoefte aan landbouw die breekt met de agro-industrie, economische en energetische transitie, een mobiliteit die verder kijkt dan de auto. Een nieuw pact tussen landbouwers en natuurbeschermers zou een belangrijke eerste opstap naar een ander beleid kunnen zijn, en het begin van meer. 

Hoopvol stemt alvast de eind 2021 door dertien openruimtepartners ondertekende oproep om de verstedelijking van het platteland een halt toe te roepen. In plaats van te kibbelen over de vraag hoe de landbouwsector moet opereren en de milieubeweging aan natuurontwikkeling moet doen, verdedigden ze tijdens de door de Vereniging voor Ruimte en Planning georganiseerde Werelddag voor de Stedenbouw eensgezind de instandhouding van de open ruimte.

Ze wilden dat landbouw en open ruimte een team zouden vormen. Boeren, natuurbeschermers en ruimtelijk planners: één strijd. Het was ooit anders. Daarmee is het pleit uiteraard verre van gewonnen. Maar dat de hoofdgebruikers van de open ruimte en de experten van de ruimtelijke ordening na decennia van gekrakeel arm in arm optrekken, geeft de burger moed. 

Daarom willen we ook niet zonder hoop besluiten. Crisissen bieden mogelijkheden. Misschien komt er toch nog snel een momentum waarop Vlamingen en hun lokale en regionale politieke vertegenwoordigers inzien dat het roer om moet. Misschien doet de afgelopen droge zomer, de vijfde extreem droge zomer in zes jaar tijd, bij hen nu het besef groeien dat we in het licht van grote uitdagingen zoals de klimaatcrisis, de zorgen voor drinkwaterbevoorrading en energievoorziening, de voedselproductie, het verlies aan biodiversiteit … met z’n allen dringend anders met onze open ruimte moeten omgaan.

Hoopvol stemt de eind 2021 door dertien partners ondertekende oproep om de verstedelijking van het platteland een halt toe te roepen

Politici, landbouwers, natuurbeschermers en plattelandsbewoners willen we oproepen om samen met (internationale) experten uit alle relevante disciplines — van planologen en juristen, tot biologen, landbouwingenieurs en fiscalisten — rond de tafel te gaan zitten en een doortastend en uitvoerbaar noodplan op te maken. 

We zijn ervan overtuigd dat het draagvlak daarvoor aanwezig is, maar politici moeten dat draagvlak ook mee willen versterken. Wat is daarvoor nodig? Eerst en vooral het besef van de urgentie van de situatie en van de meer dan kwalijke gevolgen ervan voor de toekomstige generaties. Een politieke visie op de open ruimte moet de waan van de dag en van de partijgrenzen overstijgen, en met alle actoren, en dus ook het maatschappelijke middenveld, een kijk ontwikkelen die de tand des tijds kan doorstaan.

Kortom, een positief en wervend project dat veel mensen motiveert. Dat vraagt wel een overheid die haar verantwoordelijkheid opneemt. Tijdens de jaren negentig werd de drang naar verandering van het maatschappelijke middenveld door politici in een vernieuwend en gedurfd beleid omgezet. Dat was een kwestie van politieke moed die twee opeenvolgende regeringen overspande, maar waarom zou dat vandaag niet meer mogelijk zijn? Veertig jaar na Gaston Geens hebben we nog maar weinig tijd om te tonen dat wat we zelf doen we ook beter doen.

'Met voorbedachten rade. De sluipmoord op de open ruimte' door Peter Renard, Tom Coppens en Guy Vloebergh (2022). Uitgeverij Lannoo, 256 pagina's. Dit artikel verscheen eerder in De Gids.

LEES OOK
Tristan Claus, Hans Leinfelder / 21-09-2022

Hoe lokale politici het ruimtelijk beleid uithollen

Er is nog steeds sprake van politiek dienstbetoon in het ruimtelijk beleid van Vlaamse gemeenten.
Luchtfoto Overmere lintbebouwing ruimtelijke ordening
Steven Vanden Bussche, Frank Olbrechts / 08-09-2022

Steenrijke paardenhandelaar rijgt bouwovertredingen aaneen in Merchtem en Meise

Stephan Conter van Stephex heeft al jarenlang lak aan milieu- en stedenbouwkundige regels.
Stephan Conter Stephex
Tom Cochez / 18-08-2022

Mattheuseffect kleurt inkomensverschillen tussen gemeenten

‘Gemeenten kunnen erg sturen in het publiek dat ze willen aantrekken', zegt professor Pascal De Decker:
euro