Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

De goede dood

29 oktober 2021 Koen Smets
verdiende rust
Beslissingen rond het levenseinde zijn letterlijk een zaak van leven en dood. (© Flickr CC BY-NC 2.0)

Eerder deze week had ik een gesprek met mijn vader over zijn dood. Hij is 94 jaar en kreeg onlangs te horen dat hij de ziekte van Alzheimer heeft. Op dit ogenblik is hij in goede geestelijke en lichamelijke gezondheid en de symptomen van de ziekte zijn sporadisch en mild. Maar dat kan gauw en plots veranderen, dus hadden we het over de keuzes waarvoor hij staat.

Wanneer we ons realiseren dat geen beslissing nemen ook beslissen is, dan begrijpen we dat we letterlijk elke dag beslissen of we zullen leven of sterven. Voor de meesten onder ons is dat natuurlijk geen bewuste keuze. We staan gewoon op en doen de hele dag lang ons ding. En we gaan ’s avonds weer naar bed, in de volle verwachting dat we de volgende ochtend weer zullen opstaan en datzelfde proces herhalen. Kiezen om verder te leven is voor de meeste mensen de onbewust gemaakte standaardbeslissing. 

Maar niet voor iedereen. Anderen hebben de laatste episode van hun leven bereikt en lijden ondraaglijke pijn, herkennen niet langer hun naaste familie of hebben onomkeerbaar hersenletsel opgelopen. Sommigen onder hen zouden, als ze de keuze hadden, opteren om morgenochtend niet meer wakker te worden en voordien vredevol te sterven.

Gelukkig is dat voor mijn vader ook een reële optie. Hij leeft in een land waar euthanasie (van het Griekse eu – goed – en thanatos – dood), ook wel eens stervenshulp genoemd (technisch betreft dat enkel terminale patiënten) wettelijk mogelijk is onder bepaalde omstandigheden. Wie aanhoudend, uitzichtloos psychologisch of fysiek lijden ondervindt, veroorzaakt door een ernstige en ongeneeslijke conditie als gevolg van ziekte of ongeval, kan er aanspraak op maken. Zolang de aanvraag vrijwillig en welbewust is gedaan kan de aanvrager een dodelijke substantie toegediend krijgen en zo daadwerkelijk kiezen voor het tijdstip van haar of zijn dood.

Verhitte discussie

Dit recht bestaat niet in de meeste landen, waaronder ook het Verenigd Koninkrijk, gedurende vele jaren al mijn thuisland. Niet voor het eerst wordt hier in het parlement een wetsvoorstel besproken dat stervenshulp wettelijk zou maken voor mensen die minder dan zes maanden te leven hebben. Zoals voorheen is de discussie ook nu weer verhit. De voorstanders voeren personen op met schrijnende verhalen. Mensen die, als ze in België woonden, zonder probleem euthanasie zouden kunnen krijgen.

De tegenstanders voeren, naast morele imperatieven die het redeneren te boven gaan, aan dat dit het mogelijk maakt om druk uit te oefenen op ouderen en zwakkeren om toch maar op de stippellijn te tekenen, zodat de erfenis wat vroeger kan worden geïncasseerd of zodat ze niet langer een financiële of praktische last zijn voor hun verwanten. Sommigen beweren zelfs dat zo’n wet malafide dokters zoals Harold Shipman, die veroordeeld werd voor moord op vijftien mensen maar die wellicht 250 patiënten doodde in 27 jaar, zou beschermen.

Die bekommernissen zijn voor een groot deel beslist gegrond. Maar ze zijn niet onoverkomelijk. De weerstand lijkt dus eerder een kwaadaardig geval van status-quobias: als je in leven bent, moet je in leven blijven. De meeste mensen willen dat natuurlijk ook, tenminste voor het grootste deel van hun leven. Maar de onbetwiste veronderstelling dat iedereen dat wil, onvoorwaardelijk en onveranderlijk, ongeacht leeftijd of conditie is wel betwistbaar. Tegenstanders van stervenshulp wijzen erop dat goede palliatieve zorg vele van de ongemakken en zelfs het lijden kan verzachten dat oud, ziek en afgeleefd zijn met zich meebrengt.

Dat is wellicht ook zo. Maar je vraagt je af wie uiteindelijk hoort te oordelen of dat voldoende het geval is om de finale maanden van iemands leven levenswaard te maken. Zouden we niet best erkennen dat niemand beter geplaatst is om de afweging te maken of het voordeel van een extra dag te leven opweegt tegen de kosten van de pijn en de vernederingen die daarvoor moet worden doorstaan dan de persoon zelf?

Afweging gemaakt

Mijn moeder leed 25 jaar geleden aan terminale kanker. De pijn die ze leed, was vaak ondraaglijk. Toen ik haar tien dagen voor haar dood voor het laatst zag, vertrouwde ze me toe dat ze niet langer wilde vechten. Dat was moeilijk te verwerken voor mij op dat moment. Het leven moest toch het leven waard zijn, met verschillende kleinkinderen om te zien opgroeien, een man met wie ze bijna veertig jaar getrouwd was en met wie ze tijd kon doorbrengen en zo meer. Maar het zette me aan tot nadenken en geleidelijk aan begreep ik wat ze had bedoeld: ze had de afweging gemaakt.

Afwegingen horen na te gaan of de voordelen opwegen tegen de nadelen, of bijkomende kost voldoende bijkomend voordeel oplevert. Mensen het recht ontzeggen te sterven wanneer ze willen, komt erop neer de weegschaal te manipuleren, zodat er in werkelijkheid geen hoeveelheid pijn en lijden bestaat zo groot dat het redelijk zou zijn te besluiten dat het leven niet langer levenswaard is. Geen discussie: gij zult leven.

Maar zou het dan enkel om pijn en lijden moeten gaan? Als we ervan uitgaan dat het redelijk is dat mensen kunnen bepalen of het lijden dat ze ondergaan niet langer wordt gecompenseerd door de vreugde van het leven en daarnaar handelen, is er misschien nog een andere afweging die we moeten beschouwen.

Fantastisch feest

Beeld je in dat je op een fantastisch feest bent. Onder de duizenden gasten zijn je naaste familie, je beste vrienden en een boel kennissen. Er is een wonderbaarlijk buffet en je amuseert je kostelijk. Een babbel hier, een grap daar, verhalen uit het verleden. Maar naarmate de dag vordert, merk je dat sommige van de mensen die je kent al weg zijn. Op zeker ogenblik blijkt ook je partner verdwenen. Alleen sommige van je kinderen zijn er nog, maar die babbelen met hun eigen vrienden. Je overweegt zelf dan ook maar op te stappen, want er valt niets meer te doen voor jou. Je hebt van al het lekkers geproefd en hebt geen honger meer. Je wil niets meer te drinken en het entertainment is niet je ding. Het wordt laat en je bent moe, je wil gewoon gaan nu. Maar telkens wanneer je opstaat om te vertrekken, komt iemand naar je toe en zegt dat je niet weg mag. Het feest is nog volop aan de gang en je moet blijven.

Beeld je nu in dat dit eigenlijk je leven is. Je bent oud en je partner, de mensen met wie je opgroeide, je vrienden en oude collega’s: ze zijn allemaal al lang dood. Je hebt geen pijn en je hersenen werken prima. Maar je bent gewoon moe. Er is niets meer voor jou om te doen. Je hebt genoeg geleefd en het voordeel van verder leven weegt niet langer op tegen zelfs de kleine ongemakken van het leven.

Niemand zou moeten verplicht worden op dat fantastische feest te blijven wanneer ze genoeg hebben gehad. Moeten mensen dan worden verplicht om verder te leven? Dat is nochtans exact de situatie voor diegenen aan wie het recht op sterven wordt ontzegd. In Nederland is het concept van het voltooid leven opgedoken in het publieke debat, maar zelfs in dit pioniersland wat betreft euthanasie is het nog lang geen geldige reden. Daar, en in andere landen waar wie psychologisch of fysiek lijdt euthanasie kan krijgen, moeten zij die enkel maar levensmoe zijn blijven leven tot ze erbij vallen. Dat is een ethisch bedenkelijke stand van zaken.

Moraalfilosofen en economen hebben het allebei over het ‘goede leven’ (een idee dat op zijn minst teruggaat tot Aristoteles’ eudaimonia), iets dat iedereen moet kunnen nastreven, naargelang haar of zijn noden en voorkeuren. Dat goede leven kan niet betekenen dat er ook een verplichting bestaat onbeperkt en onvoorwaardelijk te blijven leven. Mensen moeten, naast het recht op een goed leven, ook het recht hebben op een goede dood.

(Wie vragen heeft over zelfdoding kan terecht bij de hulplijn op het telefoonnummer 1813.)

LEES OOK