Structurele hervormingen dringen zich op in het onderwijs

19 oktober 2021 Ine Gillis
onderwijs hervormingen
Er was pas geld vrijgemaakt voor de digitalisering van het onderwijs of het is alweer besparen geblazen. (© Belga)

De aankondiging van Vlaams minister-president Jan Jambon (N-VA) eind september viel niet in goede aarde in het onderwijsveld. Na anderhalf jaar ploeteren door de coronacrisis reageren leerkrachten, directies en vakbonden stomverbaasd op de besparingsplannen. Recentelijk investeerde Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) net erg veel geld in onderwijs. Denk aan de Digisprong, waarbij 375 miljoen euro voor digitalisering van het onderwijs is vrijgemaakt of de net hervormde collectieve arbeidsovereenkomst (cao).

In de cao wordt extra geld ingezet, in totaal 188 miljoen euro, om de onderwijskwaliteit op te krikken en om het lerarenberoep aantrekkelijker te maken. Twee weken later volgde de aankondiging om 100 miljoen euro te besparen. Later werd dat cijfer zelfs bijgesteld tot 112 miljoen. Het onderwijsveld vreest dat de eerdere initiatieven zullen worden tenietgedaan.

Tijdens een eerste overleg tussen Weyts en het onderwijsveld kregen koepels en vakbonden te horen dat ze zelf op zoek moeten gaan naar manieren om te besparen. Het overleg strandde al na een klein uur: de vakbonden en onderwijskoepels gaven vooral aan waar het volgens hen niet mogelijk is te besparen.

Nog eens twee weken later kondigde het kabinet-Weyts aan dat de besparingen vooral in uitgestelde investeringen gevonden zullen worden. Ook het hoger onderwijs moet inleveren: 15 miljoen euro per jaar wordt teruggeschroefd uit middelen voor onderzoek.

Vroege keuze

Dat er bespaard moest worden om de Vlaamse begroting op orde te krijgen verraste onderwijspedagoog Pedro De Bruyckere (Arteveldehogeschool) niet. “Door de coronacrisis is veel geld uitgegeven. Dat gat moet op een of andere manier gedicht worden. Maar dat er ook in het onderwijs gesnoeid zou moeten worden, net nadat de cao was afgeklopt, verbaasde me wel.”

In verhouding is het secundair onderwijs in Vlaanderen duurder dan in andere landen

Waar het onderwijs precies moet besparen, is ook voor De Bruyckere een moeilijke vraag. Het secundair onderwijs leek in eerste instantie in het vizier te komen. In verhouding is het secundair onderwijs in Vlaanderen duurder dan in andere landen. In 2017 kostte dat ongeveer 15.000 euro per leerling. Het gemiddelde van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) ligt bijna 5.000 euro lager. In Nederland gaat het om ongeveer 13.900 euro per leerling, in Frankrijk om 13.000 euro en in Spanje en Portugal om 10.000 euro.

“Dat het middelbaar onderwijs hier duurder is, heeft een paar redenen, die bijna ideologische keuzes zijn”, zegt De Bruyckere. “De keuze die leerlingen maken voor een studierichting wordt bij ons relatief vroeg gemaakt. In andere landen ligt die keuze pas op 15- of 16-jarige leeftijd. Als iedereen tot dan in dezelfde klas zit, heb je minder studierichtingen nodig en kan je meer leerlingen samen zetten. Dat is minder kostbaar.”

De discussie over een latere studiekeuze stond een aantal jaar geleden hoog op de agenda van de Vlaamse regering. Het debat kaderde binnen de grote hervorming in het secundair onderwijs, de ‘modernisering’ genoemd, waarover vanaf 2013 onderhandeld is. De bedoeling van toenmalig onderwijsminister Pascal Smet (Vooruit) was om een brede eerste graad in te voeren en de schotten tussen het algemeen, technisch, beroeps- en kunstonderwijs weg te werken. Na erg lange en moeilijke onderhandelingen zijn ze uiteindelijk op een politiek compromis uitgekomen.

Brede eerste graad

Sinds de start van de onderhandelingen over de modernisering zit N-VA in de Vlaamse regering. De partij heeft zich vrijwel altijd gekant tegen de invoer van een brede eerste graad en het uitstellen van de studiekeuze tot een latere leeftijd. Het werd een belangrijk verkiezingsthema in 2014. Voorzitter Bart De Wever zei toen dat er “nooit een eenheidsworst zou komen” en dat “ASO nooit afgeschaft zal worden met N-VA”. Terwijl dat wel als principe opgenomen werd in het Masterplan voor het secundair onderwijs, dat mee goedgekeurd werd door N-VA in 2013.

Groen is voorstander van een brede eerste graad: het zou zorgen voor een algemene vorming van leerlingen en vooral de meest kwetsbare leerlingen een duw vooruit geven

De Vlaamse oppositiepartij Groen heeft zich altijd voorstander getoond van een brede eerste graad: het zou zorgen voor een algemene vorming van leerlingen en vooral de meest kwetsbare leerlingen een duw vooruit geven. “Het is mogelijk dat een vroegere keuze zorgt voor minder uitgaven, maar dat is moeilijk in cijfers te gieten”, zegt onderwijseconoom Kristof De Witte (KU Leuven).

“Een brede eerste graad zou ook zorgen voor meer heterogene klassen, wat het lesgeven voor leerkrachten bijvoorbeeld moeilijker maakt. Er zou dan bijvoorbeeld extra geïnvesteerd moeten worden in differentiatie. Hoeveel het totale budgettaire prijskaartje is, is moeilijk te zeggen."

"De impact op sociale ongelijkheid is er wel: de Nederlandse socioloog Herman van de Werfhorst heeft aangetoond dat een latere studiekeuze de kansenongelijkheid tussen leerlingen vermindert. Ook de sociale mix in scholen verbetert, aangezien leerlingen van verschillende sociaaleconomische milieus minder worden gescheiden bij een latere studiekeuze. Het is een politieke keuze om daar al dan niet op in te zetten.”

Minder zittenblijvers

Uiteindelijk is er toch afgeklopt op een ietwat ‘bredere’ eerste graad, die in de praktijk echter niet veel verschilde van vroeger. In het eerste jaar krijgen alle leerlingen van de A-stroom, dat wil zeggen met een getuigschrift van het basisonderwijs, 27 gemeenschappelijke lesuren waarin ze bijvoorbeeld wiskunde, Nederlands of geschiedenis krijgen.

Vijf lesuren zijn voorbehouden om leerlingen te helpen remediëren of meer te verdiepen in nieuwe leerstof. In het tweede jaar zijn er elf basisopties, zoals ‘maatschappij en welzijn’, ‘economie en organisatie’ of ‘klassieke talen’, waartussen jongeren kunnen kiezen.

24% van de Vlaamse leerlingen blijft minstens een keer in zijn of haar schoolcarrière zitten. Het gemiddelde van de zittenblijvers in de 38 Oeso-landen ligt op 12%

In de praktijk ligt de studiekeuze voor jongeren nu op 13- of 14-jarige leeftijd en dat is nog steeds relatief vroeg, zegt De Bruyckere. “Maar die hervorming nu opnieuw opengooien, na zoveel jaren van onderhandelingen, zou scholen enorm tegen de borst stoten. Dat is vrijwel ondenkbaar.”

Volgens De Witte is zonder twijfel financiële winst te boeken door het verlagen van het aantal zittenblijvers. Dat was ook een doel van de modernisering, door onder meer het wegwerken van de muren tussen het algemeen, technisch, kunst- en beroepsonderwijs. In de plaats zouden domeinscholen komen: die bieden studierichtingen binnen verschillende domeinen aan, zoals ‘land- en tuinbouw’, ‘kunst en creatie’ of ‘voeding en horeca’, in plaats van binnen de klassieke ASO-, TSO- en BSO-indeling.

Watervalsysteem wegwerken

De bedoeling was om in de domeinscholen ook studierichtingen uit de drie klassieke indelingen op te nemen, zodat de opdeling tussen en de reputatie van de klassieke indeling op de schop zouden gaan. “Door onder meer die schotten weg te nemen zou het watervalsysteem weggewerkt kunnen worden. ASO-scholen kennen namelijk nog steeds een bepaalde reputatie: ouders sturen hun kind vaak liever naar bijvoorbeeld een ASO- dan een TSO-school”, zegt De Witte.

“Maar soms zitten kinderen daar niet op hun plaats. Als de klassenraad hen aanbeveelt naar een andere richting over te stappen, doen ze nog liever hun jaar over in ASO. Dat heeft een kostprijs. Volgens Oeso-onderzoek blijft 24% van de Vlaamse leerlingen minstens een keer in zijn of haar schoolcarrière zitten. Dat is een erg hoog percentage: het gemiddelde van Oeso-landen ligt op 12%.”

Uiteindelijk sloot de regering in 2016, met op dat moment Hilde Crevits (CD&V) als onderwijsminister, een politiek compromis: scholen die zich wilden organiseren als domeinschool kregen een financiële stimulans, andere konden de ASO-, TSO- of BSO-vormen behouden. Zo zijn de schotten tussen algemeen, technisch en beroepsonderwijs kunnen blijven bestaan. Oppositiepartij Groen noemde die toegeving een “hervorming op maat van N-VA”.

Onderwijseconoom De Witte: ‘De hokjes tussen ASO en TSO slopen was een van de mogelijkheden om de kloof tussen kansarme en kansrijke leerlingen te dichten’

“De regering heeft gekozen voor het systeem van ‘early tracking’: het eerder opsplitsen van leerlingen in plaats van differentiatie en maatwerk om sterke leerlingen uit te dagen en zwakkere leerlingen bij te werken. “Een ongelukkige zaak”, stelt De Witte.

“De hokjes tussen ASO en TSO slopen was een van de mogelijkheden om de kloof tussen kansarme en kansrijke leerlingen te dichten: die kloof is nog steeds erg groot in het Vlaamse onderwijs. Van het aantal zittenblijvers komt 9% uit de meest kansrijke gezinnen, tegenover 45% uit de meest kansarme. De schotten in de klassieke onderwijsindeling laten bestaan is een gemiste kans op vlak van sociale ongelijkheid.”

Kunstmatige opsplitsing

De Bruyckere en De Witte halen ook de administratieve splitsing van scholen aan als hoge kost voor het secundair onderwijs. Scholen worden soms kunstmatig opgesplitst om meer directieambten te creëren en zo verhoudingsgewijs meer middelen te krijgen. Door het principe van vrijheid van onderwijs kunnen scholen bovendien zelf kiezen welke richtingen ze aanbieden. Vaak worden dezelfde studierichtingen door meerdere scholen in de regio gegeven.

“Dan krijg je de situatie dat er aan de ene kant van de straat bij wijze van spreken een katholieke school is met een aantal richtingen en aan de andere kant een school van het gemeenschapsonderwijs met diezelfde richtingen”, zegt De Bruyckere. “Dat doet de kosten oplopen. Maar ook op dit punt geldt: het is erg moeilijk om hier zaken aan te veranderen. Dan zou de Grondwet aangepast moeten worden.” De Witte stelt evenwel dat er gewerkt zou kunnen worden met regels die een minimale klassengrootte vereisen. “Dat zou leiden tot minder versnippering van de beschikbare middelen.”

Uit de Vlaamse Brede Heroverweging bleek eveneens dat structurele hervormingen nodig zijn als er doordacht bespaard moet worden. De Vlaamse Brede Heroverweging is een reeks van rapporten van eind september 2021, die talrijke uitgavenposten in de Vlaamse begroting heeft doorgelicht, zoals ook die van het onderwijs. Besparingen in het onderwijs zijn moeilijk zonder structurele veranderingen, stelt het onderwijsrapport. Het volledige financiële systeem zou herdacht moeten worden.

“De financiële structuur in het onderwijs is als een Vlaamse verbouwing”, zegt De Witte. “Als je aan één kamertje raakt, raak je meteen ook aan verschillende andere. Daarom werd in het verleden net vaak lineair bespaard, door bijvoorbeeld de werkingsmiddelen niet te indexeren. Terwijl het beter zou zijn om heel gericht te besparen. Het is een bijzonder moeilijke puzzel.”

 

LEES OOK
1 REACTIE
erik lauriks19-10-2021 11:46:56
Wanneer we een kat een kat noemen, volstaat één alinea om dit probleem te schetsen. Verzuiling en een politiek elitaire visie op onderwijs maakt in Vlaanderen van iedere zinnige onderwijshervorming een doodgeboren kind. Zelfs de experten draaien voorzichtig rond de pot. Hun job hangt er immers aan vast.
Van een minister die 9 jaar deed over zijn univ diploma en zich liever profileert op zogenaamd dierenwelzijn en zijn ogen sluit voor de vleesslachtbanken, kunnen we niet beter verwachten.