België, migratiesamenleving tegen wil en dank

30 augustus 2021 Frederik Polfliet
Tom Naegels
Tom Naegels (© Hervé Debaene (Uitgeverij Lannoo))

Wanneer we op weg voor een gesprek met Tom Naegels het station Berchem langs de achterkant uitlopen in de bedrijvige en wervelende Statiestraat zijn we - zijn recente boek indachtig- ons meer dan ooit bewust van de migratiesamenleving die België geworden is. In zijn zopas gepubliceerde eerste deel van dit aankomend standaardwerk beschrijft Naegels hoe onze etnisch-culturele mix voor een goed deel teruggaat op de erfenis van de naoorlogse arbeidsmigratie in ons land. Naegels hoopt met dit boek, waaraan hij zes jaar gewerkt heeft, een leemte in ons collectief geheugen te vullen.

“Ook voor mij was pakweg 80% van wat in het boek staat nieuw. In dit boek vertel ik hoe België binnen de wereld veranderde en hoe de wereld rondom België veranderde. Hoe bijvoorbeeld evoluties in het Midden-Oosten impact hadden op ons land. Ik denk dat de kennis over onze migratiegeschiedenis redelijk rudimentair is. Zo zullen de meeste mensen wel weten dat er na de Tweede Wereldoorlog een probleem was in de steenkoolmijnen en dat men daarom gastarbeiders heeft laten komen. Eerst Italianen, en dan Marokkanen en Turken. Maar veel verder dan dat gaat het meestal niet. Nochtans is het een ingrijpende evolutie geweest waaruit een enorme politieke kloof is ontstaan”, vertelt Naegels aan Apache.  

Tom Naegels: ‘Het is nooit de bedoeling geweest om een bevolking te hebben die voor 32% bestaat uit mensen met een migratieachtergrond’

Voor Naegels is de houding ten aanzien van migratie vandaag het belangrijkste criterium waarmee mensen anderen en zichzelf als links of rechts beschouwen. “Migratie ligt aan de basis van een nieuwe breuklijn tussen mensen met een open of kosmopolitisch wereldbeeld en mensen met een veeleer gesloten of etnocentrisch wereldbeeld. Deze breuklijn blijkt bijzonder krachtig en bovendien standvastig in de tijd. Ik hoop dat ik met dit feitelijke relaas mensen aan beide kanten van deze breuklijn bereik.”

Duitse gastarbeiders

De migratiegeschiedenis die Naegels minutieus uit de doeken doet is onlosmakelijk verbonden met steenkoolwinning. Het was de hoeksteen van de Belgische economie en speelde niet alleen een cruciale rol in de naoorlogse wederopbouw, maar ook in de Belgische oorlogsinspanning. Mijnwerkers werden soldaten in de kolenslag, schrijft Naegels.

“Men heeft vaak de neiging om te denken dat de oorlog voorbij was met de bevrijding van België in september 1944. Maar toen werd er elders in Europa en met het Von Rundstedt-offensief ook in de Ardennen nog hevig gevochten. Ons land werd als uitvalsbasis voor de geallieerde troepen geacht om in een snel tempo steenkool op te delven om de oorlog te kunnen winnen. Toen was er reeds een nijpende behoefte aan extra mankracht om dit risicovolle en uitputtende werk te verrichten. De arbeiders die er uiteindelijk voor zouden zorgen dat de fundamenten van de Belgische economie het niet begaven, waren door de Amerikanen uitgeleende Duitse krijgsgevangenen. Saillant detail daarbij is dat ze pas aan het werk werden gezet toen de capitulatie van Duitsland reeds een feit was. Ze hebben eigenlijk vrij lang in België gewerkt. De laatsten werden pas in 1948 onder druk van de Amerikanen schoorvoetend vrijgelaten. De Amerikanen hoopten onder andere hiermee West-Duitsland zo snel mogelijk in hun kamp te krijgen”, legt Naegels uit.

‘De allereerste gastarbeiders waren Duitse krijgsgevangenen die nog drie jaar na de overgave van Duitsland dwangarbeid in de mijnen moesten verrichten'

Toen het besef rijpte dat België de oorlogsgevangenen zou moeten vrijlaten, lonkte men naar de gewezen bondgenoot van de Duitsers. Eerder werden ook Italiaanse   krijgsgevangenen in bijvoorbeeld Australië en Zuid-Afrika als dwangarbeiders ingezet. Nu hoopte ons land Italiaanse arbeiders te overtuigen om vrijwillig in de steenkoolbekkens te komen werken. Italië, noteert Naegels, was een voor de hand liggende partner. Al sinds zijn ontstaan had het land gerekend op emigratie om de armoede, de honger en de werkloosheid van een groot deel van zijn bevolking te verlichten.

Op 12 maart 1946 ondertekenden België en Italië een akkoord dat de grote lijnen vastlegde. Toen de grieven van ontmoedigde Italiaanse geëmigreerden zich echter bleven opstapelen keek België verder en kwamen er overeenkomsten met Marokko en Turkije tot stand.

In zijn relaas zet Naegels geregeld de puntjes op de i. Zo was het niet de mijnramp van Marcinelle in 1956, met onder de 262 doden 136 Italianen, die het einde van de Italiaans migratie betekende. Italië had in de jaren vóór Marcinelle door de deplorabele  werkomstandigheden al meerdere keren de emigratie van nieuwe mijnwerkers verboden en een veel kleinere ramp in Quaregnon, had een halfjaar eerder voor deze catastrofe, de rekrutering stilgelegd.

Tevens situeert Naegels het beginpunt van de migraties uit Marokko en Turkije eerder dan gewoonlijk het geval is. Hij wijst erop dat in Marokko kandidaat-mijnwerkers zich zelfs al sinds juni 1962 aanboden bij de consul-generaal. Kantoren van Fédéchar, de koepel van de steenkoolmijnen, openden in Ankara en Casablanca in april 1963. De bilaterale akkoorden met beide landen in 1964 officialiseerden volgens Naegels een reeds bestaande praktijk.

Geopolitiek en internationale betrekkingen

Waarom werden landen als Marokko en Turkije gekozen als wervingslanden voor België? “De motor van het Belgische migrantenbeleid werd gedreven door de noden van de arbeidsmarkt, maar de context was geopolitiek. We kozen uiteindelijk niet voor Algerije – hoewel daarmee eerst wel gesprekken waren aangeknoopt – omdat het revolutionaire en anti-imperialistische regime in Algerije destijds een meer agressieve politiek voerde ten aanzien van het Westen”, weet Naegels. 

“Aan de Belgische arbeidsmigratie hangt een heus diplomatiek luik, met staten als België en Marokko die ingrijpende banden met elkaar aangaan. België heeft dan ook tot op de dag van vandaag een andere relatie met Marokko dan met andere Maghreblanden. Wanneer aan het eind van mijn boek in de jaren 70 in België de werkloosheid stijgt, de ergernis groeit over illegale migranten en er stemmen opgaan om te stoppen met de gastarbeid, is het net die diplomatieke relatie met Marokko die het moeilijk maakt om strenger en restrictiever op te treden.”

Een periode van open grenzen

De idee was om een slim migratiebeleid te voeren, stelt Naegels. “Zo zou België op een gecontroleerde manier rekruteren. Dat betekende dat we in principe van iedereen die ons land zou binnenkomen op voorhand wisten wie ze waren en nagingen of ze wel degelijk een toelating hadden. En vooral ook dat ze zouden terugkeren wanneer het arbeidscontract afgelopen was. Tussen 1962 en 1967 is dat beleid echter losgelaten omdat de groei zo groot was dat een tijdrovende controle in de weg zat van onze economie. Iedereen die kwam en werk vond, werd geregulariseerd.”

‘Op het hoogtepunt van de instroom, in 1964, migreerden er 92.334 mensen naar België – een record dat pas in 2001 zou worden verbroken’

“Daarbij kwam dat wij in de wedloop om goede arbeidskrachten in een minder goede concurrentiële positie verkeerden. We hadden in vergelijking met Duitsland weinig diverse en aantrekkelijke jobs in de aanbieding. Duitsland genoot een goede reputatie onder Turkse gastarbeiders en omdat de wachtlijsten voor Duitsland zo lang waren, heeft België voor een groot deel de spillover gekregen. Veel Turken togen daarom naar België, vaak met de bedoeling om dan van hieruit naar Duitsland te gaan.”

“In die periode waren er de facto open grenzen in ons land. Overigens zaten regering en oppositie daarover op dezelfde lijn. De liberalen vuurden zelfs de regering nog aan om meer mensen toe te laten. Gastarbeid was toen de heilige graal voor werkgevers om de productie op te drijven. Overheid en werkgevers werkten hand in hand. Maar ondanks dat beleidsmakers ook toen al het belang van een integratiebeleid onderstreepten, bleef de overheid qua omkaderende maatregelen zoals onderwijs, taal en huisvestiging ernstig in gebreke, met alle gevolgen van dien.”    

Als het regent in Parijs …

‘In de jaren 60 kwamen de migranten niet meer om de gaatjes te dichten, maar om het hele bouwwerk te stutten. Want economische groei veronderstelde bevolkingsgroei’

Maar er was ook een demografische reden om dat meer strikte systeem van migratie te laten varen. “Zo was er de vrees van de Franstalige elite dat de bevolking in Wallonië aan het krimpen was in vergelijking met die in Vlaanderen, wat hen zowel politiek als economisch in de problemen zou brengen. De elite vreesde dat ze politiek minder invloedrijk zou worden en dat ze met een daling van jonge arbeidskrachten geen bedrijven meer konden aantrekken. Bovendien moest Wallonië zien om te schakelen. Steenkool en staal werden als uitdovende industrieën beschouwd en dus moest men andere bedrijven overtuigen om zich in Wallonië te vestigen. Vlaanderen had op dat moment immers de beste troeven. Op korte termijn moest men buitenlandse gezinnen zien aan te trekken om die demografische daling tegen te gaan.”

Men keek daarbij naar Frankrijk, dat zichzelf presenteerde  als een immigratieland, waar de politiek migratie beschouwde als een instrument om er na de oorlog weer bovenop te komen. Frankrijk werd in zijn beleid beïnvloed door de demograaf Alfred Sauvy en diens theorie dat om economisch succesvol te zijn een land zich moet kunnen beroepen op veel jonge mensen. Hij heeft een analyse gemaakt voor Wallonië: om de neergang te keren had men minsten 400.000, liefst 600.000 migranten nodig en moest er 20% meer kinderen komen”, preciseert Naegels.

‘Voor arbeidsmigratie stelde men zich, zeker in de jaren 60, genereuzer op dan ten aanzien van vluchtelingen’

Op één domein bleef de controle van de staat over wie het land in mocht ongecontesteerd: dat van het asielbeleid. Gedurende de jaren 60 en het grootste deel van de jaren 70 bleef het aantal vluchtelingen dat asiel kreeg in België onder de duizend per jaar. Naegels: “De politiek ten aanzien van vluchtelingen bleef min of meer hetzelfde. België wenste weinig mensen op te nemen en selecteerde hen op basis van hun nut voor de arbeidsmarkt. Een uitzondering hierop vormden de Hongaren in 1956, die in de tijdsgeest van de Koude Oorlog heel populair waren.”

“Daartegenover was het beleid vlak na de Tweede Wereldoorlog  ten aanzien van de DP’s (Displaced Persons), die toch zeker niet minder hadden geleden dan de Hongaren, zeer utilitair. Europa krioelde toen van ontheemde mensen die niet meer naar huis konden of wilden. Denk aan Joodse overlevenden en Polen die geen sovjetburgers wilden worden. Maar België deed toen niet aan humanitaire hulp. België rekruteerde mijnwerkers. Alleen wie kolen kon houwen, mocht komen. Dat betekende: geen mannen ouder dan veertig. Vrouwen enkel als ze getrouwd waren met een mijnwerker, kinderen enkel als ze het kind waren van een mijnwerker.”

Geen honden of Noord-Afrikanen

Maar dan: 1966. West-Europa verzeilde in een lichte recessie en in ons land was de economische boom over zijn hoogtepunt heen. De angst om niet snel genoeg migranten te vinden om de expansie te voeden, werd ingeruild voor het tegendeel: de vrees dat zij de grens zouden blijven oversteken, terwijl er geen werk voor hen was. In dat jaar predikte koning Boudewijn in zijn kerstboodschap gastvrijheid en werd er een wetsvoorstel tegen racisme ingediend. Die antiracismewet zou pas in 1981 gestemd worden. Naegels: “Van meet af aan kan men gewag maken van een vijandige houding bij een deel van de bevolking ten aanzien van nieuwkomers in onze samenleving. Dat migratie racistische reacties uitlokt is gewoon een constante. Die vijandigheid jegens nieuwkomers werd bijvoorbeeld in woningen, winkels en horeca-aangelegenheden geafficheerd met bordjes met als boodschappen daarop ‘Vreemdelingen ongewenst’ of ‘Geen honden of Noord-Afrikanen’.”

In de regering van 1968 wil de beruchte socialistische minister van Arbeid en Tewerkstelling Louis Major werkloze gastarbeiders het land uitzetten. Hij komt daar echter op terug na protesten van bij drukkingsgroepen.

Werk in eigen streek!

Toch enigszins opmerkelijk dat de eersten die het migrantenthema op de politieke agenda zetten, net groepen zijn die het opnemen voor de migranten. Antimigratiebewegingen van enige betekenis duiken volgens Naegels pas op in het begin van de jaren 70. “Het thema heeft dan enorm gewonnen aan politiek belang. Zowel linkse als rechtse organisaties gaan zich daarmee profileren. Zeker in Brussel, want daar gaat de omslag snel: in 1980 maken buitenlanders 25% uit van de bevolking. En ondanks de migratiestop in 1974  zorgt de combinatie van gezinshereniging en ruimtelijke concentratie voor de vorming van etnische enclaves. Dat verklaart waarom politici zich nadrukkelijker manifesteren en bijvoorbeeld ijveren voor een inschrijvingsstop.”

In die periode laat de extreemrechtse vleugel van de Vlaamse Beweging, de VMO en de groep rond Karel Dillen, zich horen tegen de gastarbeiders. De slogan ‘Werk in eigen streek’ krijgt bij hen een andere invulling.

‘De verkiezing van Karel Dillen is symbolisch voor het diepe pessimisme over het migrantenthema dat aan het einde van de jaren 70 overheerste'

“Die fractie kwam voort uit het schisma binnen het Vlaams-nationalisme. De belangrijkste vertegenwoordiger van het Vlaams-nationalisme was tot het eind van de jaren 70 de in 1954 opgerichte Volksunie. De partij groeide enorm in de jaren 60 en liet zich positief en veeleer meelevend uit over de gastarbeiders. Ook na de oprichting van het Vlaams Blok ijverde ze als open en pluralistische partij voor een politiek van verdraagzaamheid en integratie, vanuit de idee dat ook Vlamingen ooit gastarbeiders waren. In de jaren 50 waren er nog grote groepen Vlamingen die pendelden naar Frankrijk, Wallonië, Nederland en Duitsland. De Volksunie klaagde dat aan als wanbeleid van de Belgische staat en pleitte voor werk in eigen streek.”

“Daarnaast was er die Vlaamse strekking binnen de Volksunie die bleef sympathiseren met de Nieuwe Orde-ideologie. Die groep voelde zich in de loop van de jaren 60 almaar minder thuis in hun partij, die steeds meer linkse jongeren naar zich toetrok. In de ogen van de extreemrechtse nationalisten was dat echt een aberratie. Volgens hen maakte de Volksunie verkeerde keuzes in thema’s als Zuid-Afrika, abortus en pacifisme. Ook hekelden ze de steun van de partij aan de gastarbeiders, die toch overduidelijk niet tot het eigen volk behoorden. De  onvrede bleef toenemen en met de val van de regering-Tindemans over het Egmontpact, kende de scheiding in het Vlaams-nationalisme zijn finale voltooiing.”

Alle argumenten die vroeger gebruikt waren om migratie te verdedigen, verdwenen uit het debat. Zowel links als rechts had enkel nog ogen voor de problemen

De meeste grote Vlaamsgezinde organisaties verenigden zich in een anti-Egmontcomité en in 1977 werden twee nieuwe Vlaams-nationalistische partijen gesticht: de Vlaamse Volkspartij (VVP) van VU-senator Lode Claes en de Vlaams-Nationale Partij (VNP) van Karel Dillen. Het Vlaams Blok, dat voor het eerst zou opkomen bij de parlementsverkiezingen van 17 december 1978, was toen een kartel, een samenwerking tussen de VNP en de VVP. Het was toen nog onzeker of die tweede Vlaams-nationalistische partij, die vanaf dan naast de Volksunie zou bestaan, exclusief radicaal-rechts zou zijn, schrijft Naegels. Ze bestond uit twee heel verschillende partijen. Dillen wilde terugkeren naar het vooroorlogse Vlaams-nationalisme van het Vlaams Nationaal Verbond. Lode Claes daarentegen had een brede, burgerlijk-liberale centrumpartij voor ogen, die niet exclusief rechts of zelfs niet exclusief Vlaams-nationalistisch zou zijn.” We mogen dus zeker niet stellen dat het Vlaams-nationalisme zich als zodanig opeens tegen de gastarbeiders keerde.

Volgens Naegels mag men het belang en de electorale wervingskracht van het antimigrantenthema voor de partij van Dillen op dat moment niet overdrijven: “Het Vlaams Blok behaalde tussen 1978 en 1987 telkens maar één zetel. Ook al roerde de partij voortdurend de antimigratietrom, ze slaagde er niet in om te groeien. In mijn volgende boek wil ik onderzoeken waarom het thema eind jaren 80 meer aansloeg dan in de periode daarvoor. Alleszins kan de verkiezing van Karel Dillen wel symbool staan voor het diepe pessimisme over het migrantenthema dat op dat moment overheerste. Alle argumenten die vroeger gebruikt waren om migratie te verdedigen; de demografische zegeningen van de invoer van jonge gezinnen, de aantrekkingskracht op nieuwe bedrijven van een groot aanbod aan arbeidskrachten, waren intussen uit het debat verdwenen. Van links tot rechts was er enkel oog voor de problemen.”

Het meest mislukte migratieland?

'Qua instroom in de arbeidsmarkt en onderwijsachterstand en schooluitval bij jongeren met een migratie-achtergrond doen we het ontegensprekelijk minder goed dan andere landen'

Over die problemen. Is België het meest mislukte migratieland, zoals wel eens wordt beweerd? Is het verhaal van België inzake migratie ook het verhaal van Europa, of heeft ons land inzake migratie en integratie een afwijkend pad bewandeld? 

“Het Belgische migratieverhaal is grotendeels een West-Europees verhaal, maar er zijn wel verschillen”, antwoordt Naegels. “Zo werd in België veel meer een beleid van gezinshereniging gevoerd dan in Duitsland. Frankrijk en Groot-Britannië hebben dan weer een grote immigratie vanuit hun voormalige kolonies gekend, terwijl dat in België met Congo niet het geval is geweest. België had aan de inlandse bevolking nooit het burgerschap geschonken, ook niet na de Tweede Wereldoorlog. Voorts speelden bij ons de demografische verschillen in de landsdelen en de communautaire verhouding mee.”

Moeilijker vindt Naegels om te beoordelen of België inzake inburgering en integratie het slechter doet dan ander landen. “Dat hangt af van je criteria. Qua instroom in de arbeidsmarkt en onderwijsachterstand en schooluitval bij jongeren met een migratie-achtergrond doen we het ontegensprekelijk minder goed dan andere landen. Maar als je het algemene criterium neemt van hoeveel weerstand er is onder de autochtone bevolking jegens migratie, weet ik niet of je per se kan zeggen dat andere landen een beter beleid hebben gevoerd dan wij.”     

Met zijn doorlichting van ons migratieverleden wil Naegels zich het liefst onthouden van waardeoordelen. “Het is waar dat een groot deel van de bevolking afkerig is van migratie en racistisch reageert en dat we daar maar beter rekening mee houden. Desalniettemin blijft het migratiesaldo betrekkelijk hoog, ondanks verschillende pogingen om het naar beneden te krijgen. Het is nooit de bedoeling geweest om een bevolking te hebben waarvan 32% met een migratieachtergrond.” 

“Vandaag heerst bij beleidsmakers het ideaalbeeld van een gecontroleerde migratie. Dat België zelf  moet kunnen beslissen hoeveel mensen binnen komen. En dat migranten en vluchtelingen buiten de grenzen blijven totdat ze de toestemming krijgen en België elk jaar kan herzien hoeveel migratie onze arbeidsmarkt eigenlijk  aankan. Dat staat in schril contrast met de huidige situatie, waarin mensen veelal op eigen initiatief aankomen in veel grotere aantallen dan bevolking en beleidsmakers comfortabel vinden. Mensen verdwijnen in de illegaliteit. Daar bestaat in vele landen een trauma over.”

“De Covid-pandemie heeft de migratie enigszins afgeremd, maar er is nog altijd een positief migratiesaldo van meer dan 40.000. In 2020 zijn 144,169 mensen toegekomen en 102,413 weer vertrokken. Het aantal nieuwe migranten is veel hoger dan tijdens de periode van de gastarbeid. Je kan enerzijds zaken wensen voor de samenleving en anderzijds vaststellen dat zaken gewoonweg gebeuren. Dat laatste heb ik als schrijver met dit boek geprobeerd te doen”, besluit Naegels.

Nieuw België, Een migratiegeschiedenis 1944-1978 en La nouvelle Belgique, Une histoire de l'immigration 1944-1978 zijn respectievelijk verschenen bij Lannoo en Racine. Het boek kwam tot stand met steun van Literatuur Vlaanderen en het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek.   

Nieuw België
(© Uitgeverij Lannoo)
LEES OOK
4 REACTIES
jan van reusel02-09-2021 00:54:38
sorry,
met stijgende verbazing dit 'interview' gelezen en nogmaals gelezen, in mijn arm geknepen: 'is dit een droom-interview?', nee hoor, klaarwakker.
vanaf het begin van dit interview stapelen de half-correcte en verdraaide feiten en de halfbakken conclusies zich op.
nogmaals sorry, dit is apache onwaardig.
jan van reusel
eisden-maasmechelen
Patrick Van Gelder04-09-2021 08:17:28
misschien zou het helpen als je die half-correcte en verdraaide feiten rechtzet anders is het een nonsense reactie
Marijn Pelkmans07-09-2021 17:33:12
hey Jan, misschien inderdaad specifieren welke half-correcte feiten? Aangezien de schrijver hier zes jaar over gedaan heeft en jij waarschijnlijk niet. groetjes,
jan van reusel10-09-2021 11:59:19
'tegen wil en dank'

uit de titel van het interview die de 'donkere' sfeer weergeeft van het interview (en van het boek van naegels).

alsof migratie iets 'slechts/problematisch' is dat ons land 'overkwam' en waaraan we 'iets' konden doen maar 'niets/te weinig' aan gedaan hebben.

'In een kloek en solide eerste deel, Nieuw België, een immigratiegeschiedenis 1944-1978, komen we te weten hoe België zich tot een migratieland ontwikkelde waar het oorspronkelijke voluntarisme allengs omboog naar pessimisme.'

ik heb geen zin (en tijd) om hier de halve en onjuiste feiten te corrigeren en aan te vullen, ook al omdat die 'overal' makkelijk te vinden en dus te weerleggen zijn.

'Het aantal nieuwe migranten is veel hoger dan tijdens de periode van de gastarbeid. Je kan enerzijds zaken wensen voor de samenleving en anderzijds vaststellen dat zaken gewoonweg gebeuren. Dat laatste heb ik als schrijver met dit boek geprobeerd te doen”, besluit Naegels.'

Meer dan 1 op 3 van de inwoners op beroepsactieve leeftijd in België is van buitenlandse origine. Personen met migratieroots bieden heel wat potentieel op de arbeidsmarkt, maar dat blijft onderbenut. Het verschil in werkzaamheidsgraad tussen een persoon van Belgische origine en een Belg met migratieachtergrond van de tweede generatie bedraagt bijna 20 procentpunten. De kloof in werkzaamheidsgraad met personen van Belgische origine is het grootst voor wie van buiten de EU komt en in het bijzonder voor vrouwen. Zij die toch aan het werk zijn, doen dit vaker voor een laag loon en aan minder gunstige arbeidsvoorwaarden, ook de hogeropgeleiden.
Infofiche: Personen van buitenlandse origine op de arbeidsmarkt in België (koning boudewijnstichting)