Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Goede mensen zijn vatbaar voor verbetering

13 augustus 2021 Koen Smets
goede mensen
Big Robber heeft het gemunt op onze verdiensten. (© Freepik)

Kijk even rond. Tenzij je middenin een natuurreservaat bent, mijlenver van menselijke tegenwoordigheid, is bijna al wat je ziet het resultaat van samenwerking. Gebouwen, machines, kleren, transport, noem maar op. En ook in zaken die niet worden gebouwd of in fabrieken geproduceerd zijn, zien we voorbeelden van gezamenlijke inspanningen.

Denk maar aan de muziekwereld (orkesten en bands natuurlijk, maar zelfs soloartiesten hebben anderen nodig om hun muziek bij hun publiek te krijgen) of de sport (ploegsporten natuurlijk, maar ook individuele atleten hebben anderen nodig om hen te coachen of te voorzien van tennisrackets of spikes).

Deze geneigdheid om met anderen samen te werken om zo meer te bereiken vind je overigens niet enkel bij mensen. In The Social Instinct beschrijft Nichola Raihani hoe ze bepalend is geweest in de ontwikkeling van talrijke soorten in de natuur, de onze inbegrepen. Je zou zelfs kunnen beweren dat het precies door ons sterk ontwikkelde sociale instinct is dat we het principe van de arbeidsdeling ontdekten, waardoor we zo succesvol zijn geworden.

Dit heeft het ons mogelijk gemaakt samen te werken op manieren die niet enkel transactioneel of regelgebonden zijn, maar vaak worden gedreven door strategisch denken, vooral in economische interacties. Zowel tussen bedrijven onderling als tussen bedrijven en consumenten gebeurt dit grotendeels dankzij vertrouwen, goede wil en wederkerigheid. Allemaal vertrouwen we anderen om dingen voor ons te doen die we zelf niet willen of niet kunnen doen en dat op een betrouwbare, competente en eerlijke manier. Zij vertrouwen er dan weer op dat wij hen hiervoor fair zullen verlonen, en vice versa.

We verwachten zelfs niet altijd een duidelijk quid pro quo: we zorgen ook collectief voor publieke goederen en gemeenschappelijke middelen. Publieke goederen zijn niet-rivaliserend, wat betekent dat de consumptie van de ene persoon de hoeveelheid die beschikbaar is voor anderen niet reduceert. Ze zijn ook niet-uitsluitbaar. Personen die er niet toe hebben bijgedragen, kunnen niet worden verhinderd er gebruik van te maken. Straatverlichting is een vaak geciteerd voorbeeld. Gemeenschappelijke middelen zijn ook beschikbaar voor iedereen, maar overmatig gebruik ervan kan leiden tot een vermindering in beschikbaarheid, bijvoorbeeld op publieke wegen, in parken of in scholen.

Kortom, we lijken best goede, intrinsiek samenwerkende mensen te zijn. Daarom hebben we het immers ook zo goed. Of is dat niet zo?

Niveau van parochialisme

Zo'n samenwerking kan natuurlijk pas optimale resultaten opleveren wanneer er geen belemmeringen optreden, zoals bijvoorbeeld wettelijke barrières op de internationale handel die dat kunnen verhinderen of tegenwerken. Maar die zijn niet het enige obstakel.

We blijken namelijk minder geneigd te zijn tot samenwerking met mensen van andere groepen dan met de onze. We zijn wat parochiaal in onze bereidheid te coöpereren met anderen. Nieuw onderzoek door experimenteel econoom Angelo Romano aan het Max Planck instituut en collega’s bekeek dit fenomeen op grote schaal, in een studie met meer dan 18.000 deelnemers uit 42 diverse landen (en dus met wijde validiteit).

Ze gebruikten hierbij een klassieke vorm van het gevangenendilemmaspel: beide personen kregen een geldbedrag en konden vrij beslissen welk deel hiervan ze aan hun partner zouden schenken en hoeveel zelf behouden. Wat ze aan hun partner gaven, zou worden verdubbeld (wat ze hielden niet). Elke deelnemer speelde dit spel twaalf keer, telkens met een andere partner die willekeurig werd gekozen uit (a) een landgenoot, (b) iemand willekeurig gekozen uit een van zestien andere landen, en (c) iemand wiens nationaliteit niet werd gegeven. Om de beslissingen vergelijkbaar te maken tussen verschillende landen werd het geldbedrag gespecificeerd als tien eenheden van een hypothetische munt (de MU), gelijk aan 2,5 minuut tegen het gemiddelde uurloon in het land van de deelnemer. De sterkte van de samenwerking werd bepaald door het aantal MU’s dat een deelnemer aan zijn partner schonk. Onvermijdelijk wat gestileerd en abstract misschien, maar het weerspiegelt toch de onvoorwaardelijke investering die samenwerkingsverbanden met vreemden in de echte wereld kenmerkt.

Over alle 42 landen bleken deelnemers meer bereid tot samenwerken als ze wisten dat hun partner uit hun land kwam, vergeleken bij de situatie waarin ze wisten dat het om een vreemdeling ging of iemand van onbekende origine. Voor alle landen, behalve Hongkong, Nigeria en Peru, was dit verschil statistisch betekenisvol. Bovendien was er nauwelijks variatie in het parochialisme tussen landen, ondanks de verschillen in bijvoorbeeld welstand of politieke stabiliteit. En zelfs wanneer de landen werden gegroepeerd volgens culturele verwantschap vertoonden alle groepen een beduidend niveau van parochialisme. Dit gaat hier dus inderdaad om een gemeenschappelijk fenomeen, de wereld rond en een belangrijke beperking van onze samenwerkingszin.

Vrijgevigheid versus egoïsme

Naast wederzijds voordelige samenwerking zijn we ook in staat tot opmerkelijke vrijgevigheid, en offeren we geld en tijd op zonder iets in ruil terug te verwachten. We zien dit rondom ons, en het wordt ook bevestigd door statistieken. Data uit 2010 tonen dat 40% van de Belgen geld schenkt aan goede doelen en dat 24% vrijwilligerswerk deed in de maand voor de enquête.

Vrijgevigheid wordt ook bestudeerd aan de hand van experimentele spellen zoals het Dictator-, het Ultimatum- en het Trust-spel, die alle varianten zijn op hetzelfde thema: de ene deelnemer beslist hoeveel van een geldbedrag naar de andere deelnemer gaat (en hoeveel ze voor zichzelf houden). Typisch geven ze hierbij tussen een derde en de helft weg. Een belangrijke beperking van deze experimenten is dat het telkens gaat om twee enkelingen. Econoom Carlos Alós-Ferrer aan de universiteit van Zurich en enkele collega’s onderzochten of we even vrijgevig zijn ten opzichte van groepen mensen. Geïnspireerd door claims van roofdierkapitalisme zetten ze een situatie op poten waarbij een deelnemer in staat was een behoorlijk bedrag af te nemen van een grote groep deelnemers.

Hun Big Robber-spel (dikke dief) maakt gebruik van het feit dat, ook al is de compensatie voor een deelnemer aan een experiment eerder bescheiden (typisch zo’n 10-12 euro), het totale budget voor een experiment van 30-40 deelnemers al gauw oploopt tot meerdere honderden euro’s. Dat maakt het mogelijk grotere verdiensten in het vooruitzicht te stellen. Elke sessie had 32 deelnemers, gelijk verdeeld in groep I en groep II, en bestond uit drie fasen. Eerst werden de zestien leden van groep I geïnformeerd dat, aan het eind van de sessie, een onder hen willekeurig zou worden geselecteerd/ Met de kans 50, 33, 10 of 0% van de gemeenschappelijke verdiensten van groep II af te nemen, met naar schatting een persoonlijke extra verdienste van respectievelijk 100, 66, 20 of 0 euro.

Vervolgens werd hen gevraagd welk van deze percentages ze zouden stelen als ze werden gekozen. Tegelijk werd aan groep II (de slachtoffers) verteld welke vraag in groep I werd gesteld, en dat zij aan het eind van de sessie door een lid van die groep zouden worden bestolen. In de tweede fase speelden deelnemers in beide groepen opeenvolgende ronden van het Dictator-, Ultimatum- en Trust-spel, wat enerzijds inzicht gaf in hun sociale voorkeuren, en anderzijds de verdiensten leverde voor de slachtoffers die later deels zouden worden gestolen. In de laatste fase werd aan de deelnemers gevraagd of ze bereid zouden zijn een deel van hun verdiensten weg te schenken aan een goed doel, om zo na te gaan of de dieven zich misschien schuldig voelden.

Meer dan 56% van de dieven koos ervoor het maximum van 50% af te nemen van de verdiensten van de andere groep, terwijl amper 2% besliste niets te stelen. De dikste dieven bleken ook de minst vrijgevige te zijn in de middelste fase van het spel en schonken een kleiner deel van hun eigen verdiensten weg. Wat aangeeft dat sociale voorkeuren gelijklopend zijn (wie het minst vrijgevig is, neemt ook het meeste af). Maar nog belangrijker is dat het gedrag in die middelste fase voor alle deelnemers ruim binnen de standaardgrenzen viel die de literatuur beschrijft. Niemand – zelfs niet de dikste dieven – was beduidend meer zelfzuchtig dan typisch het geval is. Vrijgevigheid ten opzichte van enkelingen blijkt dus prima te kunnen bestaan naast sterk egoïstisch gedrag wanneer het om een grotere groep slachtoffers gaat.

Wat we om ons heen kunnen zien, bevestigtd dat onze samenwerkingszin kan leiden tot spectaculaire economische en sociale welzijnswinsten. Maar deze twee studies zorgen toch voor wat temperende nuance. Niet alleen betekenen onze parochiale instincten dat we veelbelovende kansen tot samenwerking onaangeroerd laten. We hebben ook een duistere kant die meteen klaar staat om te stelen, als het maar om een groep gaat en niet om een enkeling.

Goede mensen? Ja, in zekere zin. Maar toch, zo blijkt, met mogelijkheid tot verbetering.

LEES OOK