Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Nieuw terugbetalingsmodel zorgt voor dilemma bij psychologen

6 augustus 2021 Stef Joos
psychologie
(Rawpixel)

Het akkoord over terugbetaling met het RIZIV en het kabinet van Minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke is op het eerste gezicht erg aantrekkelijk. Psychologen mogen voortaan 75 euro per sessie aanrekenen. Wie had dat ooit durven denken? Ook voor patiënten scheelt het financieel heel wat. Waar je voorheen alleen in Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg 11 euro uit eigen zak moest betalen voor een consultatie (of in het geval je recht hebt op verhoogde tegemoetkoming 4 euro), kan je nu voor hetzelfde bedrag terecht voor een visite bij een zelfstandig  psycholoog.

Er zijn echter heel wat voorwaarden en kanttekeningen om die terugbetaling te kunnen verlenen of verkrijgen. Dat was net zo toen Maggie De Block (Open Vld) in 2019 het ELP-project (een proefproject rond de terugbetaling van eerstelijnspsychologie) op poten zette. Ook nu kunnen psychologen beter terughoudend zijn om in de nieuwe conventie mee te stappen. Met een aantal van hun oorspronkelijke bezwaren tegen de ELP-regeling werd overigens geen rekening gehouden.

Men houdt er geen rekening mee dat de psycholoog autonoom kan inschatten op welke manier en aan welk tempo een therapeutisch proces kan verlopen

Dat de overheid beslist over het aantal terugbetaalde visites waarop mensen recht hebben, is een groot obstakel, zelfs nu het aantal sessies wat opgetrokken werd in vergelijking met de ELP-regeling. 

Daarnaast is het problematisch dat er een hoop administratief gedoe komt, én dat men de financiering toevertrouwt aan ziekenhuizen (binnen zogeheten netwerken), terwijl men nochtans beweert de psychologische zorg toegankelijker te willen maken. Het kan moeilijk paradoxaler: psychologische zorg – onder meer op de eerste lijn – toegankelijker proberen te maken, en tegelijkertijd ziekenhuizen ( die de derde lijn in de zorg vormen) inschakelen om een en ander administratief en financieel te regelen.

Het is aan elke psycholoog om voor zichzelf te bepalen hoe met de nieuwe regeling om te gaan. Het dilemma is immers groot. Natuurlijk gunnen we het al onze cliënten – in het bijzonder de kwetsbaarsten – om tegen een haalbaar tarief psychologische zorg te krijgen. Maar we komen voor een ethisch probleem te staan: zijn we bereid hiervoor onze autonomie op te offeren, onze deontologische code opzij te schuiven, mee te stappen in een model dat de vrije keuze van de behandelaar onder druk zet – een model dat bovendien erg medisch denkt?

Enkele andere bedenkingen bij het akkoord zijn de volgende:

1. De autonomie van de psycholoog wordt ondergraven. Alleen psychologen die een contract kunnen afsluiten met het netwerk (via een soort sollicitatie op basis van een portfolio) kunnen instappen in het nieuwe systeem. Daarmee onderschrijft de psycholoog de visie op zorg binnen dat netwerk. Het netwerk beslist welke psycholoog basispsychologische zorg mag aanbieden, en wie ‘gespecialiseerde zorg’ mag aanbieden.

We komen voor een ethisch probleem te staan: zijn we bereid onze deontologische code opzij te schuiven voor een haalbaar tarief voor de patiënten?

Een psycholoog moet zich minstens acht uur per week aan het netwerk verbinden en moet dus plaats hebben of maken voor de nieuwe patiënten die daarvoor intekenen. Bovendien kan hij of zij enkel mensen helpen die in de zorgregio wonen waar de praktijk gevestigd is.

Een ander nadeel voor de autonomie van de psycholoog is dat hij of zij een intervisie (een vorm van deskundigheidsbevordering waarbij hulpverleners beroep doen op hun collega’s of beroepsgenoten, red.) krijgt opgelegd – waarbij er geen vrije keuze is voor groepsgenoten.

Bovendien is de consultatie gebonden aan een ‘vast tarief’.

2. Onze deontologische code strookt niet met de voorwaarde dat we een psychologisch bilan moeten opmaken met de ‘actoren in de eerste lijn’ (onder wie de huisarts). Daardoor heeft de patiënt namelijk niet langer de keuze zijn of haar nood aan psychologische zorg niet te delen met anderen.

Bij de aanmelding van de specialistische zorg gaat men nog verder: er wordt van de psycholoog verlangd dat hij de vraag om specialistische zorg baseert op het psychologisch bilan en dat voorlegt en deelt met een arts en een psycholoog van het netwerk. Dat zijn mensen die geen behandelrelatie hebben met de cliënt, en van wie niet gegarandeerd is dat ze de belangen van de cliënt behartigen

Het respecteren van onze deontologische code en het beroepsgeheim, toch de hoeksteen van ons werk, is niet te verzoenen met instappen in deze conventie.

3. De vrije keuze van de behandelaar komt voor de patiënt in het gedrang, omdat hij of zij binnen de eigen regio dient te blijven voor de terugbetaling. Ook komen patiënten die worden doorgestuurd naar specialistische zorg, indien ze in de eerstelijn voor een psycholoog kozen die binnen het netwerk geen specialistische zorg mag opnemen, bij een andere en nieuwe psycholoog terecht.

4. Het model is gebaseerd op de idee dat er een onderscheid bestaat tussen eerstelijnszorg en specialistische zorg. De overgang tussen beiden is gebaseerd op de assumptie dat er soms “een onderliggend probleem” bestaat dat dan om “meer of andere zorg vraagt”.

Die overgang is dus gebaseerd op een soort diagnose, hoewel het woord diagnose zelf zorgvuldig vermeden wordt en er steeds gesproken wordt over het “psychologisch bilan”.

Psychologische zorg is niet gebaseerd op problemen, symptomen, diagnoses of tekorten maar zoekt betekenis en kracht in de manieren waarop mensen zich, ondanks alles, staande hielden op een woelige zee.

Stef Joos is covoorzitter van Uppsy-Bupsy, de Beroeps Unie van Psychologen.

LEES OOK
1 REACTIE
David Kums08-08-2021 17:52:52
Ik vind het bovendien jammer dat (langdurig) beroepsgeschoolden in psychotherapie niet op een manier kunnen aansluiten voor een terugbetalingssysteem. In Nederland kan dat bijvoorbeeld wel via een apart systeem, na een jaaropleiding "medische en psychosociale basiskennis", waarbij vervolgens ook jaarlijks een bijscholing wordt gevolgd en een minimum aantal uren intervisie wordt gevraagd via een beroepsvereniging.
Zo verbreed het aanbod, en kunnen de cliënten van deze therapeuten ook hier genieten van een lager tarief.